dinsdag 26 maart 2019

Actieve betrokkenheid tijdens de lessen, plezier in leren en motivatie?

In 2014 constateert de Inspectie voor het Onderwijs in haar onderwijsverslag dat een groot aantal leerlingen weinig gemotiveerd leek voor het leren en dat velen het recht op onderwijs louter als een plicht lijken te ervaren. Actieve betrokkenheid tijdens de lessen, plezier in leren en motivatie van leerlingen zijn niet vanzelfsprekend en kunnen beter.

In het verslag staat de volgende tekst:
Een groot aantal leerlingen lijkt weinig gemotiveerd voor het leren, valt ons op…..

- Hebben ze wel plezier in leren?
- Zijn de lessen te saai?
- Het rooster een keurslijf?
- Dagen we de leerlingen wel genoeg uit?
- Waarom zijn onze leerlingen minder gemotiveerd dan leerlingen in andere landen?

We weten ook dat als we onze betere leerlingen beter weten te motiveren zodat ze hogere prestaties leveren, dat van doorslaggevende betekenis is voor ons land, voor de vernieuwingskracht van onze samenleving. Het zou mooi zijn als meer leerlingen en studenten plezier in leren hebben.


Annette Roeters, inspecteur-generaal van het Onderwijs, in Onderwijsverslag 2012/13.

Leercoach - van docent naar leercoach


Het klinkt zo eenvoudig, maar coachen is een vaardigheid die ontwikkeld moet worden.

Om het begrip leercoach verder uit te leggen hebben we de rol van leercoach in drie delen opgedeeld:

Didactisch coachen
Het didactisch coachen gaat puur over hoe leer ik nou.

Pedagogisch coachen
Het pedagogisch coachen gaat over de volgende vragen, wie ben ik als leerling, welke drempels werp ik voor mijzelf op of wat gaat juist heel goed?

Coachen op zelfregulerend leren
Bij het coachen op zelfregulerend leren gaat het om de vraag hoe breng je de leerlingen naar zelfregulatie.

Dat zelfregulerend leren, dat is echt waar we naar toe gaan in het hedendaagse onderwijs. Je gaat een leerling nooit naar zelfregulerend leren brengen als je alleen maar blijft uitleggen.


donderdag 21 maart 2019

Negativity bias

De meeste mensen hebben een selectief geheugen voor allerlei negatieve gebeurtenissen. 

Wie één keer gekrabd is door een kat, zal de rest van zijn leven bang zijn voor katten, terwijl er waarschijnlijk meer positieve ervaringen met katten tegenover staan. En wie van zijn leidinggevende in een functioneringsgesprek één minpuntje te horen krijgt, zal merken dat de kritiek de positieve feedback overschaduwt. 

Deze neiging om meer waarde te hechten aan negatieve ervaringen en ze beter te onthouden dan positieve heet de negativity bias (negativiteitsfout).

Psychologen hebben de negativity bias in allerlei vormen onderzocht op allerlei terreinen zoals relaties, educatie en communicatie. En overal kwamen ze hetzelfde principe tegen: “Er zijn vijf complimentjes nodig om de schade van één negatieve opmerking te compenseren”.
De negativity bias heeft evolutionair gezien een functie. Om te kunnen overleven is het belangrijk om bedreigingen te herkennen. Eén klein foutje kan immers je dood betekenen. Wie zich concentreert op mogelijke negatieve gevolgen van zijn gedrag heeft meer kans om te overleven dan een mens die zich niet bekommert om gevaar.

De negativity bias is hardnekkig en lastig te omzeilen. Wees je bewust van je selectieve geheugen. Sta daarom nadrukkelijk stil bij positieve ervaringen. 

woensdag 20 maart 2019

Een growth mindset – gesprek met een leerling

In een growth mindset – gesprek benadrukken we de realistische ontwikkeling van de leerling, het aangeleerde, zijn of haar prestaties, het gedrag en dat zonder er een label op te plakken. We bespreken dat fouten maken erbij hoort in het leerproces en dat een leerling zich kan doorontwikkelen.

Wel doen:
Niet doen:
We spreken over de ontwikkeling van de leerling.

We spreken over de stabiele kenmerken van de leerling.
Wij benadrukken het “aangeleerde”.

We praten over “aangeboren”.
We gebruiken werkwoorden zoals; worden, leren en doen.

We gebruiken het werkwoord zijn.
We vergelijken de leerling met zijn eigen prestaties.

We vergelijken een kind met andere kinderen.
We zijn realistisch.

We zijn overdreven.
We spreken over het gedrag van de leerling.

We spreken over de gehele persoon.
We zijn specifiek.

We zijn heel algemeen.
We spreken over inzet.

We spreken niet over de inzet van de leerling.
We geven de leerling geen label.

We geven de leerling een label.
We spreken over het proces.

We spreken over het “eindresultaat”.
Benadrukken dat fouten en tegenslagen erbij horen.

We benadrukken dat iets zonder fouten maken goed is.
Geven aan dat de leerling zich kan doorontwikkelen.

We geven in het gesprek aan dat de leerling er nu al is.

Autonomie versus heteronomie

Internationale wetenschappers hebben het onderwerp van morele oordelen bestudeerd (gebaseerd op de werken van de Duitse filosoof Immanuel Kant). Zij onderzoeken hiervoor de begrippen autonomie en heteronomie. Deze twee begrippen verwijzen naar hoe een persoon morele normen leert en toepast.

Heteronomie
Autonomie

Heteronomie staat in tegenstelling tot autonomie. Het tegenovergestelde van morele zelfstandigheid werd door de Duitse filosoof Immanuel Kant heteronomie genoemd: een gebrek aan wilsvrijheid dat individuele ontplooiing in de weg staat

Het idee dat de wetten en gedragsregels voor mensen van buiten af komen en dat mensen zich daar naar moeten richten.

Waarden zijn hier onveranderlijke dingen. Waarden en normen worden ervaren als vanzelfsprekend en vaststaand.

Mensen horen op vastgestelde manieren samen te leven, relaties te onderhouden, hun dag in te delen, en dergelijke.

Mensen hebben zélf geen zeggenschap over die waarden en de invulling ervan; zij horen hun leven gehoorzaam naar die waarden in te richten.


Autonomie staat in tegenstelling tot heteronomie.

Autonomie is de morele zelfstandigheid en onafhankelijkheid van het individu.

Mensen stellen zichzelf de wet en richten zich naar de waarden die ze zelf als het meest fundamenteel zien.

Waarden zijn geen feitelijke gegevenheden die mensen maar te accepteren hebben.

Waarden zijn geen onveranderlijke en vaststaande dingen.

Waarden zijn door mensen gemaakte concepties en dat wat (on)wenselijk is niet voor eens en voor altijd vastgelegd.

Vanuit de zelfbeschikkingstheorie van Deci & Ryan is er veel onderzoek gedaan naar autonomie(gevoel) als universele basisbehoefte van de mens.

Daaruit kwam naar voren dat menselijke motivatie samenhangen met de mate waarin iemand het gevoel heeft autonoom te zijn. Een gebrek aan een mate van zelfbeschikking belemmert de intrinsieke motivatie van een persoon, bijvoorbeeld op school.


Puberbrein

Hersenonderzoek heeft laten zien dat de vaardigheid om eigen gedrag te controleren en flexibel aan te passen aan een veranderende omgeving samenhangt met een graduele toename van activiteit in de frontale cortex. 

Verwerking van emoties in de evolutionair oude limbische hersengebieden, vertonen juist een piek in activiteit in de adolescentie. 

Dit heeft geleid tot een beter begrip van hoe adolescenten met risico’s omgaan, maar ook met sociaal gevoelige situaties, zoals in relaties met leeftijdgenoten.

zaterdag 16 maart 2019

Biesta - kwalificatie, socialisatie en subjectificatie


Gert Biesta (hoogleraar en onderwijspedagoog) stelt dat we voor goed onderwijs allereerst de vraag moeten stellen waartoe het dient.


Gert Biesta spreekt derhalve over drie doeldomeinen waaraan onderwijs aandacht dient te besteden.

Die zin en richting worden bepaald door drie doeldomeinen:

1 - kwalificatie,
2 - socialisatie en
3 - subjectificatie / subjectivering.

Kwalificatie
Onder kwalificatie verstaat Biesta het verwerven van kennis, vaardigheden en houdingen die mensen in staat stellen iets te doen, op een bepaalde manier te handelen. Bij kwalificatie gaat het erom dat leerlingen zich kennis, vaardigheden en competenties eigen maken die nodig zijn voor het kunnen participeren in de samenleving en het functioneren in het toekomstige beroepsleven.

Voorbeelden van kwalificatie zijn talrijk in het onderwijs: PTA’s, toetsweken, portfolio’s, competentieprofielen, rapporten, CITO-toetsen, SO’s, doorstroompercentages, kerndoelen, eindtermen en nog veel meer.

Socialisatie
In het domein van de socialisatie worden leerlingen voorbereid op hun leven als lid van een gemeenschap en maken ze kennis met tradities, omgangsvormen en praktijken. Die kunnen sociaal-politiek zijn, maar ook cultureel of professioneel. Leerlingen maken kennis met de normen en waarden van het grotere geheel, wat een samenleving kan zijn. Betrokkenheid en relatie staat voorop: er wordt niet alleen kennisgenomen van het grotere geheel, maar er wordt ook een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van het individu om bewust de keuze te maken om te participeren. Hij wordt uitgenodigd zich niet alleen aan te passen aan de gemeenschap, maar deze ook kritisch te bezien en mede vorm te geven.


Voorbeelden van socialisatie in het onderwijs: Het onderwijs heeft als taak jonge mensen te leren respectvol met verschillen om te gaan en leren wat ons met elkaar verbindt. Leerlingen worden in het onderwijs (vanaf basis- tot het vervolgonderwijs) omgevormd tot betrokken burgers. Leerlingen dienen de basiswaarden van de democratische rechtstaat te kennen. Hieronder vallen onder meer: gelijkwaardigheid van individuen, vrijheid van geloof, vrijheid van meningsuiting en het recht op zelfbeschikking.
Wellicht een vraag is of onvoldoende aandacht in het onderwijs aan socialisatie heeft geleid tot gebrekkig burgerschap?!
Subjectificatie

De essentie van subjectificatie / subjectivering is volgens Biesta een persoon vrij, volwassen en verantwoordelijk in de wereld te laten zijn.
In het domein subjectificatie, staat de vorming van de persoon centraal en de ontwikkeling van zijn eigen identiteit en uniciteit, zijn autonomie en verantwoordelijkheid en het ontdekken van zijn drijfveren en passies. De vragen die daarbij de kern vormen, zijn: wie ben ik, wat kan ik en wie wil ik zijn.

Voorbeelden van subjectificatie in het onderwijs: Scholen in Nederland dienen leerlingen kennis te laten maken met vrijheid van meningsuiting, democratie, gelijkheid van mannen en vrouwen, genderdiversiteit en meer.
Waar het bij subjectificatie om gaat is hoe een persoon is. Hoe gedraag ik mij ten opzichte van anderen, naar dieren, naar de omgeving en naar de wereld?
Hoe kan een docent er voor zorgen dat een leerling zich ontwikkelt tot een mens met wenselijke sociale en persoonlijke eigenschappen? Door een leeromgeving te creëren waarin de leerling de ruimte krijgt om zichzelf te vormen in samenwerking met medeleerlingen en de docent. Dit kan een docent doen door ruimte te creëren voor de dialoog. De dialoog met de docent, maar ook met medeleerlingen. Interactie met anderen is van belang om te ontdekken wie je bent en hoe je met anderen om wil gaan.