dinsdag 18 juni 2019

Meer talentontwikkeling en autonomie

In de laatste jaren staat talentontwikkeling op de agenda van een toenemend aantal VO scholen. Bijvoorbeeld begaafdheidsprofielscholen, scholen met specifieke mogelijkheden voor topsport, musici en dansers, scholen met tweetalig onderwijs, technasia, en scholen met vwo-plusklassen cq. Da Vinci klassen. Op deze scholen kunnen getalenteerde leerlingen extra uitdagingen aangaan.

Talentontwikkeling komt vanuit het streven leerlingen te laten uitstromen naar een plek in het vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt waar zij in staat zijn om maximale prestaties te leveren. Scholen moeten daarvoor een ambitieuze leercultuur realiseren.



Om de motivatie van leerlingen voor school verder te bevorderen krijgen leerlingen op de school een programma aangeboden gericht op talentontwikkeling. Het motiveren van leerlingen begint bij het construeren van een goed pedagogisch-didactisch klimaat in de klas.

Het motiveren van leerlingen begint bij het opbouwen van een goede relatie met docent en mentor. Leerlingen moeten zich veilig voelen, weten dat ze niet bang hoeven te zijn om vragen te stellen en dat het niet erg is om fouten te maken. De motivatie wordt versterkt door leerlingen hun eigen leerproces in handen te geven, door differentiatie, door opdrachten te laten aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen en door leerlingen te laten samenwerken. Kijk niet alleen naar het resultaat, maar juist naar het proces.


Het uitgangspunt van zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan is dat leerlingen drie basisbehoeften hebben en dat de intrinsieke motivatie kan worden verhoogd als de docent bij het vorm geven van de leeromgeving aan die drie basisbehoeften tegemoet kan komen.

De drie basisbehoeften zijn:
Autonomie
De vrijheid om een activiteit naar eigen inzicht uit te voeren.

Gevoel van competentie
Het vertrouwen in eigen kunnen.

Sociale verbondenheid
De behoefte om ergens bij te horen en zich gewaardeerd, gerespecteerd en verbonden te voelen, zowel met klasgenoten als met de docent/mentor.


Overigens benadrukken we dat die autonomie alleen werkt als een leerling die ook aankan. Het is belangrijk goed in de gaten te houden hoeveel vrijheid een leerling aankan en zo nodig aanvullende sturing te bieden.

zondag 16 juni 2019

Evidence-based practice

In het onderwijs is Evidence-based practice sterk in opkomst nadat er methoden en didactieken waren ingevoerd die achteraf niet bleken te werken. Evidence-based werken is het uitvoeren van een handeling op zo'n wijze dat de uitvoering is gebaseerd op de best beschikbare informatie m.b.t. doelmatigheid en doeltreffendheid.

De volgende drie bronnen van informatie zijn derhalve belangrijk binnen de Evidence-based practice:


1 - Wetenschappelijke 'evidence' (bewijsmateriaal)
Informatie uit wetenschappelijke onderzoek en domein, veelal in de vorm van wetenschappelijk getoetste artikelen in vakbladen of academische databanken.

2 - Ervaring, inzicht en kennis
Ervaring en inzicht van de beroepsbeoefenaar zelf en de kennis van experts binnen het vakgebied.

3 - Voorkeuren
Informatie en de keuzes van de gebruiker(s).





Er is ook veel kritiek op de Evidence-based practice. De kritiek richting Evidence-based practice houdt in dat binnen Evidence-based werken alleen die interventies genoemd worden die wetenschappelijk bewijs hebben geleverd, waardoor nieuwe, mogelijk beter of tevens werkzame methoden niet toegepast worden.

vrijdag 14 juni 2019

Motivatie is een proces waarbij doelgerichte activiteit wordt gestart en volgehouden

De onderwijspsychologen Dale Schunk, Paul Pintrich en Judith Meese vatten het begrip motivatie als volgt samen:

Motivatie is een proces waarbij doelgerichte activiteit wordt gestart en volgehouden.

Het gaat bij motivatie dus op de volgende woorden:
1 - ‘proces’,
2 - ‘doelgericht’,
3 - ‘activiteit’ en
4 - ‘gestart en volgehouden’.

Proces
Het gaat om het woord proces omdat motivatie niet direct geobserveerd kan worden, maar wordt afgeleid uit activiteiten zoals keuze voor een taak, inspanning en volharding.

Doelgericht
Het gaat om het woord doelgericht omdat een doel de aanleiding is voor activiteit en de richting ervan bepaalt.

Activiteit
Het gaat om het woord activiteit omdat realiseren van doelen fysieke of mentale activiteit vraagt.

Gestart en volgehouden
Het gaat om de woorden gestart en volgehouden omdat een eerste stap zetten weliswaar moeilijk kan zijn. Echter het volhouden van een activiteit bepaald of doelen (bijvoorbeeld het slagen voor een schoolvak of het afronden van een studie) worden gerealiseerd.



People will be motivated to achieve the task they value and that they believe they can achieve  - Dale Schunk (2004).

Is er sprake van een motivatiegebrek bij de leerling, stel dan de volgende vragen:

VRAAG 1 - Is de taak van waarde voor de leerling?
Is deze taak belangrijk voor de leerling? Heeft de docent vooraf uitgelegd wat het doel is van deze taak? Geef een duidelijke instructie/uitleg, check wat leerlingen zelf al weten.
Leerlingen krijgen taken die zinvol zijn, gemeten aan hun ontwikkelingsniveau om de angst voor falen te verminderen. 

VRAAG 2 - Mogen leerlingen zelf keuzes maken?
Heeft de leerling de mogelijkheid gehad om taken te kiezen die hem ook iets opleveren? Geef leerlingen de ruimte om opdrachten op hun eigen manier te maken. Waar mogelijk aan te sluiten bij eigen interesses van leerlingen en een actieve leerhouding te stimuleren. Leerlingen aan te moedigen in groepen naar eigen keuze te werken en de leerlingen uit te nodigen om kritisch en creatief na te denken over opdrachten. Zelfwerkzaamheid en keuzevrijheid verhoogt de kans dat de leerling gaat kiezen om over te gaan tot meer moeilijke taken.

VRAAG 3 - Geven we de leerling een competent gevoel?           
Is het niveau van de taken afgestemd op de mogelijkheden en competenties van de leerling? Laat leerlingen reflecteren op wat ze hebben geleerd en stel vragen aan de leerlingen. Aan te geven wat er van leerlingen wordt verwacht en hoe ze dat kunnen bereiken. De taken moeten echter niet te gemakkelijk zijn, omdat dit de tevredenheid of de waarde van de taak vermindert. Herhaald succes bouwt aan de perceptie van competentie van de leerling.


woensdag 12 juni 2019

Systeem 1 en 2 – onbewust en bewust - Daniel Kahneman

Aan de hand van een aantal voorbeelden laat de Israëlisch-Amerikaanse psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman in zijn boek 'Thinking, Fast and Slow' (Nederlandse vertaling 'Ons feilbare denken') zien hoe ons verstand ons in de maling kan nemen.

Kahnemans boodschap is ga nooit af op je gevoel, zeker niet als je belangrijke beslissingen hebt te nemen. Gevoelens zijn namelijk notoir onbetrouwbaar. Maar wantrouw ook wat je als je gezonde verstand beschouwt. Wij zijn namelijk veel minder redelijke wezens dan we in onze hoogmoed geneigd zijn te geloven. Ook onze rationaliteit verdient permanente scepsis.


De psycholoog Daniel Kahneman komt met een heel eigen benadering van ‘bewust’ en ‘onbewust’. Kahneman verdeelt ons geestelijke leven in twee systemen.

Systeem 1 = intuïtie = onbewust

Systeem 2 = analyse = bewust
Het eerste systeem is snel, reflexmatig, halfbewust, ‘intuïtief’ en evolutionair oud. Het is dit systeem dat je in staat stelt om te lopen, te kauwen en weg te springen van een aanstormende auto.

Het eerste systeem reageert op indrukken, legt razendsnel causale verbanden, ook als ze er niet zijn. Dit eerste systeem heeft de neiging om van alles wat er gebeurt meteen een coherent verhaal te maken, met een kop en een staart.

Het tweede systeem is evolutionair jonger, het is traag, het gaat niet langs gebaande paden, het doet z’n werk met moeite, het voert een uitdrukkelijke bezigheid uit en het onderscheidt ons waarschijnlijk van dieren.

Systeem 2 is in staat tot reflectie, argumentatie, gedraagt zich voorzichtiger, rustiger, wil best langer nadenken. Helaas is het tweede systeem ook aartslui. Het kiest dikwijls de weg van de minste weerstand, neemt maar al te graag klakkeloos over wat systeem 1 hem tracht wijs te maken. Het is vóór alles gesteld op 'cognitief gemak'.

Een voorbeeld:
Je wandelt naast je vriendin door een drukke winkelstraat. Systeem 1 helpt je uit te wijken voor tegemoetkomende voetgangers terwijl je tegen je vriendin aardige dingen zegt over het zonnige weer.
Een voorbeeld
Onverwacht vraagt je vriendin: ‘Hoeveel is 13x34?’ Wat is nu het eerste dat je doet? Je gaat stilstaan. Probeer dit maar eens uit in een echte situatie. De uitkomst is vrijwel altijd raak. Voor 13x34 heb je niks aan systeem 1, nu moet systeem 2 in actie komen en dat kost nadrukkelijke moeite.


Samenwerkend leren
Als systeem 1 en systeem 2 samenwerken, zijn het krachtige bondgenoten. Dan werkt ons brein het meest efficiënt en is het tot de krachtigste vondsten in staat. In het onderwijs zouden leerlingen veel complexe taken moeten uitvoeren, waarbij ze zowel hun systeem 1 (intuïtie, ervaringsgebaseerd handelen) en hun rationele systeem 2 moeten gebruiken. En dan liefst samen met andere leerlingen en de leerkracht. Samenwerkend leren heeft wellicht zo’n sterke impact op leren omdat het ons helpt om uit onze eigen stereotiepe beelden en denkcirkeltjes te breken.

Leerlingen zouden moeten weten hoe hun brein werkt. Het kan hen helpen om snelle, emotionele beslissingen te ontmaskeren, snelle vooroordelen te doorprikken, problemen op een rationele manier te benaderen, en vooral minder snel harde (en onomkeerbare) oordelen over anderen te vellen. Of over zichzelf.

Klik voor meer informatie op de volgende link : 

https://robsegers.blogspot.com/2014/05/hoe-mensen-in-situaties-van-onzekerheid.html

dinsdag 11 juni 2019

Een succesvolle verandering – Tim Knoster en Mary Lippitt

Wie iets wil verbeteren, wil iets veranderen. Hoe zorg je er dan voor dat je (school)organisatie kan veranderen en verbeteren? Aan welke voorwaarden moet dan worden voldaan? 

Tim Knoster en Mary Lippitt introduceerden een model voor het managen van complexe verandering. Volgens Knoster en Lippitt zijn er zes variabelen cruciaal om succesvol te veranderen: visie, vaardigheden, prikkels, middelen, een (actie)plan en consensus. Ontbreekt (aandacht voor) één van de zes factoren, dan is de verandering gedoemd te mislukken.

Volgens het onderstaande model van Knoster en Lippitt zijn er zes elementen die in balans moeten zijn wil je als organisatie in staat zijn te veranderen en verbeteren.



Groei en verandering kan alleen worden gerealiseerd wanneer de visie vanuit het management helder is vertaald in doelstellingen voor alle teams opdat resultaten en successen worden gedeeld, er een structuur is waarin taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor iedereen helder zijn, mensen zich kunnen blijven ontwikkelen, een cultuur heerst van vertrouwen, waardering, eigenaarschap en aanspreken en waar er voldoende ondersteunende middelen aanwezig zijn zodat mensen hun werk goed kunnen uitvoeren.

Zie voor meer informatie de volgende link: 
http://www.construx.com/uploadedfiles/resources/slides/McConnell-AgileTransformation.pdf

zondag 9 juni 2019

Psychologische veiligheid en effectieve teams - Amy Edmondson

Psychologische veiligheid als belangrijkste kenmerk van effectieve teams


Professor Amy Edmondson van de Harvard Business School deed vergelijkend onderzoek naar de effectiviteit van verschillende teams. Haar onderzoek toonde dat effectievere teams meer fouten maakten. Zij constateerde dat effectievere teams niet meer fouten maakten, maar alleen meer communiceerden over het maken van fouten.

Amy Edmondson bedacht hiervoor de term psychologische veiligheid. Psychologische veiligheid betekent dat teamleden zich veilig voelen om risico’s te nemen en kwetsbaar tegenover elkaar te zijn.


Dit zijn de drie dingen die je kunt doen om psychologische veiligheid te creëren:

1 - Werk om te leren
Kun je werk zien als een leerprobleem in plaats van een uitvoeringsprobleem. Iedereen in staat stellen om fouten te maken om van te leren is het fundament van psychologische veiligheid.

2 - Erken je eigen feilbaarheid
Teamleden moeten hun eigen feilbaarheid erkennen. Met alles wat ze doen hebben ze misschien ongelijk.

3 - Wees nieuwsgierig
Kunnen teamleden ervan uitgaan dat ze niet alles weten. Wees nieuwsgierig en stel vragen, zelfs de meest banale.



woensdag 5 juni 2019

Principles Of Instruction - Barak Rosenshine

Barak Rosenshine was professor in de "Department of Educational Psychology" van de universiteit van Illinois. 

Barak Rosenshine stelt in zijn artikel "Principles of instruction" tien principes van goede instructie voorop, die hij baseerde op onderzoek binnen de cognitieve wetenschap en onderzoek naar de meest effectieve leraren. 






Het volledige artikel kan je hier terugvinden. Dit artikel is een absolute must voor elke docent.






Tom Sherrington bespreekt Barak Rosenshine's "Principles Of Instruction" tijdens de researchED 2019.





De auteur Tom Sherrington heeft het boek “Rosenshine’s principes in action” gepubliceerd, waarin hij de tien principes van Rosenshine heeft omgezet naar concrete lesvoorbeelden en aanvullende strategieën.

Tom Sherrington laat ook zien hoe je de diverse punten kunt bundelen in verschillende fasen van een les. Hij brengt de tien principes onder in vier groepen. Dat ziet er als volgt uit:

A - Reviewing material

1. Daily review;
10. Weekly and monthly review.

B - Questioning

3. Aks questions;
6. Check for student understanding.

C - Sequencing concepts and modelling

2. Present new material using small steps;
4. Provide models;
8. Provide scaffolds for difficult tasks.

D - Stages of practice

5. Guide student practice;
7. Obtain a high succes rate;
9. Independent practice.



Klik ook even op de onderstaande link:
https://static1.squarespace.com/static/58e151c946c3c418501c2f88/t/5bcad7810d929703affe7abb/1540020098430/Rosenshine+Principles+red.pdf

zondag 2 juni 2019

Positieve psychologie - Martin Seligman

Als je mijn blog hebt gelezen over Sonja Lyubomirsky en haar boek “The how of hapiness”, dan moet je zeker even kijken naar de TED talk van Martin Seligman over positieve psychologie.



Martin E.P. Seligman is een Amerikaanse psycholoog en voormalig voorzitter van de American Psychological Association. Martin Seligman heeft meerdere boeken en artikelen over positieve psychologie geschreven, zoals Authentic Happiness (in Nederland uitgebracht als Gelukkig zijn kun je leren). Seligman is ook directeur van het Centrum voor Positieve Psychologie van de Universiteit van Pennsylvania.

zaterdag 1 juni 2019

The how of hapiness / Geluk is een werkwoord - Sonja Lyubomirsky

We leven in een tijd waar om de haverklap nieuwe artikelen verschijnen over hoe je gelukkig kunt worden en blijven, hoe je je leven bevredigender, productiever en prettiger kunt maken. Sonja Lyubomirsky is wetenschapper (hoogleraar psychologie aan de universiteit van Californië, Riverside) en auteur van het boek “The how of hapiness”.


In het boek “The how of hapiness” van Sonja Lyubomirsky worden de nieuwste ontdekkingen op het gebied van het geluksonderzoek verzameld en geïnterpreteerd. 

Sonja Lyubomirsky gebruikt deze ontdekkingen als uitgangspunt om mensen te leren hoe ze een hoger en duurzaam niveau van welbevinden kunnen bereiken.


Gelukkige mensen hebben gewoon geluk, dacht Sonja Lyubomirsky vroeger. Die zijn gelukkig geboren. Na jaren wetenschappelijk onderzoek naar geluk, denkt zij daar anders over. Gelukkige mensen hebben wel een voorsprong sinds hun geboorte, maar zij hebben ook in de gaten dat je hard moet werken om gelukkig te worden, te zijn en te blijven. Geluk is immers een werkwoord, schrijft de in haar boek “The how of hapiness” (Nederlandse vertaling is “De maakbaarheid van het geluk”).


De 50-10-40 regel


50%
Vijftig procent van ons geluksgevoel is genetisch / erfelijke bepaald. Dat is dus pech of mazzel. Het is het basisniveau waarmee we zijn geboren en waar we niets aan kunnen veranderen.

10%
Onze levensomstandigheden (zijn we rijk of arm, mooi of lelijk, getrouwd of single) bepalen maar zo’n tien procent van ons geluk / welbevinden.

40%
Winst valt te behalen in de resterende veertig procent. Op dat deel kunnen we zelf veel invloed uitoefenen met ons gedrag en met onze manier van denken. 40% halen we dus uit de activiteiten die we zelf ondernemen


Natuurlijk zijn deze percentages gemiddelden. Het zal niet bij iedereen 50-10-40 procent zijn. Maar er is veel wetenschappelijk bewijs dat ongeveer de helft van ons geluksniveau aangeboren is.

Sonja Lyubomirsky beschrijft in haar boek wel een aantal zogenaamde geluksstrategieën.

1-Zorgen voor je lichaam, bijvoorbeeld door sport of meditatie.
2-Zorgen voor je ziel, bijvoorbeeld met geloof of spiritualiteit.
3-Dankbaarheid tonen.
4-Sociale contacten koesteren.
5-Vermijd piekeren en jezelf niet vergelijken met anderen.
6-Vriendelijk zijn.
7-Geëngageerd werken aan je doelen.
8-Voed en versterk je optimisme.
9-Ontwikkel strategieën voor moeilijke tijden.
10-Leer te vergeven.
11-Zorg voor ‘flow’ ervaringen (een mentale toestand waarin een persoon volledig opgaat in zijn of haar bezigheden, zie ook Mihaly Csikszentmihalyi).
12-Geniet ook van de geneugten van het leven.

Uit experimenten blijkt dat mensen die dagelijks een paar van deze strategieën toepassen, significant meer geluksgevoelens hebben. Het zal aanvankelijk wat geforceerd aanvoelen om een aantal geluksstrategieën uit te voeren, maar uiteindelijk zullen het vaste en gezonde gewoonten worden.

Uit onderzoek blijkt dat mensen die doelen buiten zichzelf najagen (zoals macht, geld, schoonheid) gemiddeld mínder gelukkig zijn. De vraag is natuurlijk waarom mensen die fout toch steeds weer maken. Waarschijnlijk omdat we die kick krijgen, die kick namelijk uitermate werkt verslavend. Als we een cosmetische operatie laten doen, dan voelen we ons echt mooier, beter, gelukkiger. Alleen is dat gevoel binnen een jaar weer verdwenen.”

Beter is het om trouw en dagelijks die veel minder extravagante en bovengenoemde 12 geluksstrategieën toe te passen. Sonja Lyubormirsky zegt in haar boek; “Dat is hard werken, maar het is het waard. Mensen die gelukkig zijn, blijken ook gezonder, productiever, creatiever en socialer te zijn. Hun omgeving profiteert daar ook van. Door zelf gelukkiger te worden, kun je meer betekenen voor andere mensen.”

dinsdag 28 mei 2019

Optimisme vs pessimisme

“Een pessimist ziet in elke kans de moeilijkheden. Een optimist in elke moeilijkheid een kans”.



Origineel: A pessimist sees the difficulty in every opportunity; an optimist sees the opportunity in every difficulty.

Winston Churchill

maandag 27 mei 2019

Onderwijskundige uitdagingen in kaart brengen


Nederlandse scholen krijgen in toenemende mate te maken met de onderstaande onderwijskundige uitdagingen:

Dalende motivatie
In toenemende mate hebben scholen te maken met een afname van de motivatie van leerlingen om te leren naarmate leerlingen ouder worden. Een van de oorzaken voor de dalende motivatie is dat er onvoldoende aansluiting is tussen de onderwijsbehoeften van leerlingen en het leeraanbod op school.

Vanuit onderzoek naar de self-determination theory blijkt dat demotivatie afneemt wanneer er een leeromgeving wordt gecreëerd die recht doet aan de drie psychologische basisbehoeften:
1 - autonomie / keuzevrijheid.
2 - relatie / het uiten van waardering voor de leerling.
3 - competentie / de structuur waarbij er heldere doelen en verwachtingen worden gesteld aan leerlingen waardoor zij beter in staat zijn een leeractiviteit uit te voeren.

Onvoldoende tijd voor begeleiding
Te weinig tijd en toerusting voor het mentoraat, begeleiding en coaching.

De mentor fungeert binnen de school als eerste aanspreekpunt voor de leerling en houdt zicht op de
ontwikkeling van de leerling. Voor een optimale begeleiding van leerlingen dienen mentoren en (leer)coaches meer begeleidingstijd toegewezen te krijgen binnen de jaartaak.

Onvoldoende maatwerk
We bieden onvoldoende maatwerk in de les/klas. Meer maatwerk in onderwijs moet derhalve zorgen voor meer kansen van onze leerling. Maatwerk zijn die activiteiten van docenten die aansluiten op de leerbehoefte van individuele leerling gericht op het positief beïnvloeden van het leren van de leerling.

Hoe kunnen we docenten beter te laten inspelen op de onderwijsbehoefte van hun leerlingen.
Eerst met zijn allen het begrip maatwerk definiëren. Iedereen kijkt op een andere manier naar dingen.
Door die gegevens over leerlingen systematisch te ontsluiten en te analyseren, kunnen docenten beter inspelen op de onderwijsbehoefte van hun leerlingen.
Het doel is dat alle docenten hun lessen voorbereiden op basis van de onderwijsbehoefte van de leerlingen.

Kijk voor meer informatie op de volgende link: https://robsegers.blogspot.com/2014/01/maatwerkgericht-werken.html

Het lesboek is leidend
Binnen het hedendaagse onderwijs is het lesboek of de lesmethode te leidend. Kiezen we voor een eigen aanpak binnen ons onderwijssysteem. Hebben de docenten controle over het leerproces of bepaalt het lesboek of lesmethode het proces?

Geen samenhang tussen vakken
In het voortgezet onderwijs is er nauwelijks verbinding, samenhang en samenwerking tussen de verschillende vakken. Samenwerken tussen vakken staat in de belangstelling, maar de praktijk blijkt weerbarstig. Het vergt immers meer overleg en meer afstemming tussen docenten. Zoek daarvoor de connectie tussen de verschillende vakken.

Focus op korte termijn resultaten
Leerlingen focussen zich te veel op korte termijn resultaten. Met andere woorden focussen leerlingen zich te veel op cijfers en toetsen.

Welke alternatieven zijn er:
1 - Focus derhalve meer op het proces.
Maak punten en resultaten minder belangrijk en richt je op het proces dat de leerling doormaakt. Prijs doorzettingsvermogen, de aanpak van de leerling en zijn inzet. ‘Jammer dat je niet tevreden bent met die 6 voor dat vak op je rapport. Want kijk eens: je hebt een “goed” voor inzet! Ik ben hartstikke trots op je!’ Vraag de leerling regelmatig wat hij/zij geleerd heeft en laat hem/haar vertellen hoe hij/zij dat voor elkaar heeft gekregen.

2 - Focus op inspanning
Maak de leerling duidelijk dat het er niet om gaat de beste, de snelste of de slimste te zijn, maar dat het gaat om de inspanning die je levert om iets te bereiken. Richt je complimenten op hard werken en  oefenen: ‘Als je net zo hard blijft oefenen als vandaag, dan zul je zien dat je dit muziekstuk steeds beter gaat spelen!’ Zorg ervoor dat de leerling op school lesstof krijgt die is afgestemd op zijn niveau, zodat hij dagelijks kan ervaren dat het leveren van inspanningen noodzakelijk is om verder te komen. Vertel waar jijzelf moeite voor hebt moeten doen en wat je daarmee hebt bereikt.

3 - Focus op groei
Laat de leerling zien dat je gelooft in de groeimogelijkheden van talenten en intelligentie en laat de leerling zijn eigen groei ervaren: ‘Jammer dat je de toets niet hebt gehaald, maar kijk eens: vorige keer had je er 8 goed en nu 15! Zie je hoe je vooruit bent gegaan door extra hard te oefenen?’ Zorg dat de leerling zich niet vergelijkt met anderen, maar zich richt op het verbeteren van zichzelf en het behalen van zijn eigen doelen. En natuurlijk: ‘vier’ iedere vooruitgang die het kind boekt door hard te werken.

4 - Focus op leren
Sta model voor ‘een leven lang leren’ en vertel de leerling hoe je jezelf steeds bent blijven ontwikkelen.
Geef de leerling mogelijkheden om nieuwe dingen te leren, zonder dat hij/zij het gevoel heeft direct de beste te moeten zijn. Geef de leerling inzicht in de vaardigheden die hij/zij nog moet ontwikkelen (bijvoorbeeld zich concentreren of hulp durven vragen) en help hem/haar bij het aanleren hiervan.

5 - Focus op het leren van fouten
Maak van fouten leermomenten. Laat de leerling zien dat ook jij geregeld fouten maakt en vertel wat je ervan hebt geleerd. Geef de leerling de kans om fouten te maken, dus ruim niet alle obstakels voor hem uit de weg. Help de leerling van een fout een leermoment te maken. Zoek samen op welke fouten de held (sporter, popster e.d.) van de leerling heeft gemaakt in zijn of haar carrière en ontdek hoe hij of zij daar beter van geworden is.

Te weinig rust en regelmaat
Docenten en leerlingen ervaren te weinig rust en regelmaat. Zorg bijvoorbeeld voor rust en regelmaat in het lesrooster. Voorkom afleidingen. Doe de deur eens dicht, zet de smartphone uit en zorg voor opgeruimde werkplekken. Dit brengt genoeg rust om te kunnen focussen. Leerlingen willen niet alleen maar stilzitten en luisteren, ze willen graag dingen doen. Dat wil niet zeggen dat alles druk moet zijn, want activiteiten, rust en regelmaat kunnen best samengaan.

Onvoldoende vaardigheden om (leer)gedrag (bij) te sturen
Leerlingen beschikken over te weinig vaardigheden om hun (leer)gedrag (bij) te sturen.

Leg hierbij de nadruk op diverse volgende vaardigheden. Zoals de hogere-orde denkvaardigheden (analyseren, evalueren en creëren), de creatieve denkvaardigheden (ideeën kunnen genereren, hoeveelheid verschillende ideeën en originaliteit van ideeën), onderzoeksvaardigheden (vaardigheden om door stappen van onderzoekscyclus heen te gaan).

Leg ook eens de nadruk op metacognitie en zelfregulatie. Metacognitie is de kennis en vaardigheden die een leerling nodig heeft om zijn eigen leergedrag te controleren en aan te sturen. Het gaat om vaardigheden als het oriënteren op een taak, doelen stellen, plannen, jezelf monitoren, het resultaat evalueren, en reflecteren op het eigen handelen.

Bij metacognitieve vaardigheden en zelfregulatie is het van belang om de leerling te het belang van leren te laten inzien. Leerlingen moeten weten hoe je effectief kunt leren, hoe zij kunnen reflecteren op het eigen leren en hoe zij hun eigen leerproces kunnen sturen.

Kijk voor meer informatie op de volgende link:


vrijdag 24 mei 2019

Activerende werkvormen

In de handreiking vind je een overzicht van werkvormen die je kunt inzetten om aan de slag te gaan met activerende werkvormen en Blended Learning.

donderdag 23 mei 2019

ErvaringsGericht Onderwijs (EGO)

De Belgische onderwijskundige Ferre Laevers wordt beschouwd als de grondlegger van het ErvaringsGericht Onderwijs.



ErvaringsGericht Onderwijs gaat ervan uit dat leerlingen een optimale ontwikkeling doormaken als ze betrokken werken en met plezier naar school gaan. Het onderwijsconcept ErvaringsGericht Onderwijs gaat uit van betrokkenheid en het welbevinden van leerlingen.

ErvaringsGericht Onderwijs houdt zich niet zozeer bezig met het eindproduct, maar veel meer met het proces dat zich afspeelt in de leerlingen en in de groep/klas.


De drie hoekstenen
ErvaringsGericht Onderwijs heeft drie hoekstenen:

De drie hoekstenen van ErvaringsGericht Onderwijs zijn:

1 - Vrije initiatief,
2 - Milieuverrijking en
3 - Ervaringsgerichte dialoog.

1
Vrije initiatief
Het vrije initiatief beantwoordt aan de behoefte van leerlingen om de wereld om hen heen te verkennen.

Leerlingen werken gemotiveerder aan een opdracht als zij daar zelf voor gekozen hebben en als het hun interesse heeft.

2
Milieuverrijking
Milieuverrijking duidt op een rijke leeromgeving met uitdagende activiteiten en materialen, die overzichtelijk ingericht is.

Dit vraagt een goede voorbereiding. De docent is hierbij begeleider en observator.

3
Ervaringsgerichte dialoog
Hierbij is het van groot belang dat de docent een goede band opbouwt met de leerlingen.

De ervaringsgerichte dialoog is gebaseerd op aanvaarding, echtheid en empathie. Door een empathische houding van de docent voelen leerlingen zich begrepen en kan de docent hen beter begeleiden.



Betrokkenheidsfactoren
Omdat dit concept uitgaat van de betrokkenheid van leerlingen, wordt rekening gehouden met vijf factoren die de betrokkenheid stimuleren:

De betrokkenheidsfactoren zijn:
1 - Een goede sfeer en relatie,
2 - Het juiste niveau,
3 - Aansluiten bij de leefwereld,
4 - Afwisselende activiteiten en
5 - Ruimte voor keuzes.

1
Een goede sfeer en relatie.
Leerlingen moeten zich veilig en geaccepteerd voelen. De docent houdt rekening met het karakter en de thuissituatie van het leerling en speelt daar goed op in.

2
Het juiste niveau.
Leerlingen moeten uitgedaagd worden voor opdrachten. De docent houdt bij de activiteiten rekening met het leervermogen en de ontwikkeling van het leerling.

3
Aansluiten bij de leefwereld.
Leerlingen vinden activiteiten die dicht bij de werkelijkheid liggen, veel zinvoller dan opdrachten die hen niet raken. De docent moet zich verdiepen in de leefwereld van de leerlingen en goed luisteren naar de onderwerpen die zij aandragen.

4
Afwisselende activiteiten.
Leerlingen willen niet alleen maar stilzitten en luisteren, ze willen graag dingen doen. Dat wil niet zeggen dat alles druk moet zijn, want activiteiten en rust kunnen best samengaan.

5
Ruimte voor keuzes.
Leerlingen krijgen veel mogelijkheden om te kiezen. De docent geeft veel ruimte voor de initiatieven van de leerlingen.



Werkvormen
Aan de hand van de vijf betrokkenheidsfactoren zijn vijf werkvormen ontwikkeld. Ze sluiten helemaal aan bij de grondgedachtes achter ErvaringsGericht Onderwijs.

De werkvormen zijn:
1 - kringen en forum,
2 - contractwerk,
3 - projectwerk,
4 - ateliers en
5 - vrije keuze.

1
Kringen en forum
De kring is een ontmoetingsplek waar leerlingen gedachten en ervaringen uitwisselen. Er zijn verschillende soorten kringen, een ervan is de evaluatiekring. Dan worden de activiteiten geëvalueerd en wordt gecheckt of de doelen behaald zijn.

Er is sprake van een forum als er meerdere klassen tegelijk bij elkaar komen om te overleggen of te plannen.

2
Contractwerk
In het contractwerk wordt vastgelegd wat voor activiteiten de individuele leerling gaat doen. Het contractwerk wordt uitgevoerd in een afgesproken tijd, bijvoorbeeld binnen een week. Elke keer krijgen de leerlingen de tijd om aan deze taken te werken, tijdens de zogenaamde contractwerktijd. Binnen deze grenzen kan de leerling zelf beslissen hoelang hij over een opdracht doet en welke taak hij het eerst uitvoert.

3
Projectwerk
Het projectwerk gaat over een bepaald thema of een probleem, wat de leerlingen aanspreekt. Het projectwerk gebeurt altijd in een cyclus van onderzoeken en rapporteren.

4
Ateliers
Bij ateliers ligt de nadruk op het actief bezig zijn. Voor ateliers wordt apart tijd vrijgemaakt, bijvoorbeeld een morgen of een middag. Leerlingen kunnen dan kiezen uit activiteiten met bijzondere materialen. Vaak worden de activiteiten ook op een andere plek uitgevoerd en hebben de leerlingen er speciale begeleiding bij nodig.

5
Vrije keuze
Bij vrije keuze kunnen de leerlingen kiezen uit een ruim aanbod van opdrachten die op hun niveau en interesses zijn afgestemd. Hierbij krijgen de leerlingen veel vrijheid.



ErvaringsGericht Onderwijs gaat ervan uit dat leerlingen een optimale ontwikkeling doormaken als ze betrokken werken en met plezier naar school gaan. ErvaringsGericht Onderwijs gaat uit van betrokkenheid en het welbevinden van leerlingen.


Welbevinden
Welbevinden zegt iets over hoe het met je gaat.
Welbevinden is een belangrijk sleutelbegrip bij het ErvaringsGericht Onderwijs. Het welbevinden van leerlingen groeit als de docent tegemoet komt aan de basisbehoeften: als de leerling zich veilig, geaccepteerd en gewaardeerd voelen. Maar welbevinden heeft ook te maken met het leerling zelf, of de leerling een positief zelfbeeld heeft en hoe hij/zij zijn/haar gevoelens beleeft. Signalen van welbevinden zijn: spontaniteit, genieten, ontspannen zijn en zich open opstellen.
Een hoog welbevinden zorgt voor een goede emotionele ontwikkeling. Het is dus belangrijk dat leerlingen zich goed voelen.


Betrokkenheid
Betrokkenheid zegt iets over hoe je het doet.
Betrokkenheid is ook een belangrijk sleutelbegrip binnen het ErvaringsGericht Onderwijs. Een betrokken leerling is namelijk geconcentreerd en gemotiveerd bezig. Het vergt veel energie en zorgt voor voldoening. Leerlingen worden betrokken als een activiteit aansluit bij hun drang om te verkennen en hun niveau. Als een leerling betrokken is, is dat ook te merken aan zijn houding, expressie en reactiesnelheid. Bij een hoge betrokkenheid zit de leerling op de grens van zijn mogelijkheden.


Welbevinden

Betrokkenheid

Welbevinden zegt iets over hoe het met je gaat.

Betrokkenheid zegt iets over hoe je het doet.

Het welbevinden van leerlingen groeit als de docent tegemoet komt aan de basisbehoeften: als de leerling zich veilig, geaccepteerd en gewaardeerd voelen.

Maar welbevinden heeft ook te maken met het leerling zelf, of de leerling een positief zelfbeeld heeft en hoe hij/zij zijn/haar gevoelens beleeft.
Een betrokken leerling is geconcentreerd en gemotiveerd bezig.

ls een leerling betrokken is, is dat ook te merken aan zijn houding, expressie en reactiesnelheid.


Klik voor meer informatie op de volgende link:
https://docplayer.nl/8549905-Wat-het-betekent-voor-de-aanpak-het-proces-en-de-output-van-onderwijs-prof-dr-ferre-laevers-expertisecentrum-ervaringsgericht-onderwijs-kuleuven.html