woensdag 5 februari 2014

Onderpresteren


Onderpresteren 
Onderpresteren wil zeggen dat de prestaties (veel) lager liggen dan op grond van de capaciteiten van de leerling verwacht wordt. Er is dus sprake van een discrepantie tussen aanleg en prestatie. Onderpresteren komt voor op alle niveaus. Een gemiddelde leerling die erg zwak presteert is dus ook een onderpresteerder. 


Positieve kenmerken
Vaak gaat het alleen over de negatieve kenmerken van onderpresteerders. Maar zij hebben zeker ook positieve kenmerken. Zoals:

  • Ze hebben ongewone interesses en een levendige verbeelding.
  • Ze lezen vaak veel in hun vrije tijd en hebben een grote feitenkennis.
  • Ze komen in een één-op-één-gesprek welbespraakt en intelligent naar voren.
  • Ze begrijpen en onthouden informatie goed als ze geïnteresseerd zijn.
  • Ze zijn gevoelig.
  • Ze hebben een grote ontdekkingsdrang en creativiteit.


Negatieve kenmerken
In het algemeen zijn de volgende zaken kenmerkend:

  • Ze leveren weinig inspanning en zijn niet gewend moeite te doen om succes te behalen.
  • Zij hebben geen of weinig doorzettingsvermogen en zelfdiscipline. Ze zijn moeilijk aan het werk te krijgen en vinden het lastig om een taak vol te houden.
  • Ze maken onnodige fouten. Er zit een neerwaartse lijn in hun prestaties.
  • Ze bereiden hun huiswerk niet of nauwelijks voor.
  • Ze hebben slechte leer/werkstrategieën en een hekel aan automatiseren.
  • Ze verzetten zich tegen autoriteit.
  • Ze zijn snel afgeleid en hebben een slechte concentratie. Ze hebben hun aandacht niet bij de les of zijn met andere dingen bezig.
  • Ze wijzen verantwoordelijkheid af en nemen geen verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag.
  • Ze hebben een sterke externe locus of control: ze zoeken de oorzaak van slechte resultaten buiten zichzelf.
  • Ze hebben een negatief zelfbeeld en zelfvertrouwen. Ze zijn zelf ook ontevreden over hun prestaties.



Soorten onderpresteerders
Er zijn twee soorten onderpresteerders: relatieve en absolute onderpresteerders. Bij relatief onderpresteren behaalt de leerling lagere scores dan op grond van zijn capaciteiten verwacht mag worden, maar ze liggen nog wel op het klassenniveau. Dit is vaak het geval bij kinderen die niet erg willen opvallen. Het komt vooral voor bij meisjes. Bij absoluut onderpresteren behaalt de leerling resultaten die zelfs onder het klassenniveau liggen. Dit komt vooral voor bij jongens.


Beeld van leren
Onderpresteerders hebben een verwrongen idee van wat leren inhoudt. Het beeld van leren hoort te zijn: Iets wat ik nog niet weet of kan, dat ga ik oefenen, zodat ik het daarna (beter) beheers. In de gedachten van onderpresteerders is dit verandert in: Iets wat ik al weet en kan, nog vele malen herhalen, zonder dat het iets toevoegt aan mijn beheersing.
Oorzaken

Er kunnen verschillende oorzaken zijn waarom kinderen gaan onderpresteren. Bijvoorbeeld:

  • Een gebrek aan uitdaging, bijvoorbeeld als een leerling lange tijd onder zijn niveau werkt en geen faalervaringen heeft. Dit zorgt voor verveling.
  • Een gebrek aan motivatie. Dit kan het gevolg zijn van te weinig uitdaging in de taken, maar het kan ook aan de leerling zelf of aan de thuisomgeving liggen. Vaak is er sprake van een combinatie.
  • Aanpassingsgedrag. Als een leerling niet wil opvallen tussen zijn leeftijdsgenoten, dan kan onderpresteren als verdedigingsmechanisme ingezet worden, om geen uitzondering te zijn en geaccepteerd te worden door de groep. Ze willen geen jaloezie en proberen daarom onzichtbaar te zijn.
  • Een slechte leer/werkstrategie.
  • Emotionele problemen.



Gevolgen
Vaak krijgen onderpresteerders een verkeerd of negatief zelfbeeld. Het kind ervaart dat het niet aan de verwachtingen voldoet. Hij voelt zich een "loser", omdat hij anderen teleurstelt. Ouders, kind en school moeten een actieve rol spelen om dit zelfbeeld te verbeteren. Onderpresteerders kunnen depressief, perfectionistisch of faalangstig worden. Sommigen ontwikkelen angsten en krijgen buikklachten. Ze kunnen in een sociaal isolement terechtkomen.
Begeleiding op school

De basis voor de oplossing is een goede relatie met de leerling. Onderpresteerders hebben begeleiding nodig om te leren leren. Verder moet de leerkracht ervoor zorgen dat de leerling merkt:

  • Dat hij/zij er net zo goed mag zijn.
  • Dat het de leerkracht veel kan schelen wat hij/zij doet en hoe.
  • Dat er andere kinderen zijn met wie hij/zij de competentie kan delen en meten.
  • Dat de eigen activiteit aansluit bij wat het kind nog wil en moet leren.


Als een onderpresteerder helemaal vastgelopen is, kan het zinvol zijn om dit te doorbreken door de leerling tijdelijk uit de klas te halen. Geef de leerling een coach, iemand uit het team. Laat de leerling twee weken kiezen welke vakken hij wil volgen in welke klas, zodat hij weer leerplezier krijgt. Laat de leerling dan langzamerhand teruggaan naar de klas met meer verrijking en ruimte voor eigen onderwerpen.


Verrijkingstof
Verrijking voor onderpresteerders kan op de volgende manieren:

  • Leren leren. Dit kan door een studievaardighedentraining en door vreemde talen, zoals Spaans.
  • Leren denken. Dit kan door het aanbieden van denksport en programmeren.
  • Leren leven. Dit kan een sociale vaardighedentraining zijn, maar hier valt ook expressie, muzikale vorming en filosofie onder.
  • Spelletjes, zoals Set, Rush hour, Rubik’s snake en Transposer. Hierbij kunnen de kinderen een strategie ontwikkeling.


Do’s
Een aantal tips voor de docent:

  • Leg uit waarom ze iets moeten leren.
  • Probeer hun denkstrategie te koppelen aan een gangbare strategie.
  • Wissel procesfeedback af met productfeedback.
  • Bemoedig de poging en het proces meer dan het resultaat. Als de leerling leert om zich ergens voor in te spannen en door te zetten, dan is er een basis gelegd.
  • Beschrijf bij positieve feedback wat je goed vindt.
  • Leer de leerling fouten durven maken.
  • Wissel veiligheid en ondersteuning af met terughoudendheid en aanmoediging om fouten te maken.
  • Beloon inspanning.
  • Train metacognitieve vaardigheden. Dit verschaft inzicht en werkt indirect.
  • Geef hen aangepaste activiteiten, waarbij ze ook contact hebben met ontwikkelingsgelijken.

Maar het belangrijkste is preventie. Voorkomen is altijd beter dan genezen.


Don’ts
Er zijn ook een aantal dingen die de docent beter niet kan doen.

  • Kijk niet alleen naar het resultaat kijken, maar juist naar het proces.
  • Zeg niet: ‘Wat ben je slim!’. Op het moment dat een poging of taak mislukt, denkt de leerling dan dat hij niet meer slim genoeg is. Het gaat om de inzet.
  • Straffen heeft weinig zin. Onderpresteerders zoeken de oorzaak van de slechte prestaties buiten zichzelf, dus dan heeft straffen niet het gewenste effect.
  • Omkopen. Onderpresteerders hebben de neiging om de beloning te verkleinen en ze vinden vaak wel een goede reden om toch niet aan de slag te gaan. Omkopen doet bovendien geen beroep op de intrinsieke motivatie.
[ bron: http://wij-leren.nl/artikel-onderpresteren.php ]


Intelligentie (IQ) en Emotionele intelligentie (EQ)


Intelligentie (IQ)

Leren heeft met intelligentie te maken. Intelligentie is immers het vermogen om rationeel te denken, doelgericht te handelen en effectief met de omgeving om te gaan. Intelligentie is niet statisch, maar dynamisch. Men onderscheidt acht intelligenties:

  • De verbaal-linguistische intelligentie: taal, woorden en lezen.
  • De logisch-mathematische intelligentie: getallen.
  • De visueel-ruimtelijke intelligentie:beelden, ontwerpen, grafieken.
  • De muzikaal-ritmische intelligentie: geluid en muziek.
  • De lichamelijk-kinesthetische intelligentie: lichaam en motoriek.
  • De naturalistische intelligentie: planten, dieren, waarnemen.
  • De interpersoonlijke intelligentie: contact met anderen.
  • De intrapersoonlijke intelligentie: kent zichzelf goed.


Iedereen heeft verschillende intelligenties in meer of mindere mate. Het is mogelijk om de intelligenties te ontwikkelen.


Emotionele intelligentie (EQ)

Hieronder wordt verstaan het intelligent omgaan met emoties. Dat wil zeggen: het vermogen om emoties van jezelf en anderen te zien, begrijpen en reguleren. De vijf belangrijkste eigenschappen van het EQ zijn:

  • Zelfkennis. Bewust zijn van je gevoelens.
  • Optimisme. Positief denken over je mogelijkheden.
  • Kunnen afzien. Werken aan lange termijn doelen.
  • Empathie. Verplaatsen in de gevoelens van anderen.
  • Sociale vaardigheden. Goed omgaan met bekenden en vreemden.


De emotionele intelligentie kan ontwikkeld worden d.m.v. leerprocessen.

Trainen in verschillende leerstrategieën helpt


Leerlingen trainen in verschillende leerstrategieën helpt
Leerstrategieën zijn activiteiten die mensen ondernemen om zich kennis en vaardigheden beter eigen te maken. Een combinatie van leeractiviteiten die mensen op eigen initiatief gebruiken om hun leerdoel te bereiken. Veelvuldig worden drie leerstrategieën onderscheiden, namelijk cognitieve leerstrategieën, affectieve leerstrategieën en metacognitieve leerstrategieën. De prestaties van leerlingen kunnen aanzienlijk verbeteren wanneer zij getraind en gestimuleerd worden om de juiste leerstrategieën in te zetten.

Liever een strategie dan geen strategie
Over het algemeen geldt dat het meegeven van een leerstrategie altijd meer oplevert dan helemaal geen strategie meegeven. Uit onderzoek blijkt dat variatie in welke leerstrategieën of combinaties van verschillende strategieën het meest effectief zijn.

Altijd doen: plannen, voorspellen en motiveren
Docenten moeten aan leerlingen in elk geval overdragen hoe, wanneer en waarom ze leerstrategieën moeten gebruiken. Dit staat ook wel bekend als metacognitieve kennis. Verder doen docenten er goed aan de metacognitieve strategie ‘plannen en voorspellen’ te onderwijzen, waarbij leerlingen moeten bepalen hoe ze iets gaan aanpakken en wat ze nodig hebben om de taak tot een goed einde te brengen. Bovendien lijkt het belangrijk dat leerlingen de relevantie en het belang kunnen inschatten van de taak die ze uit voeren.

[ bron : http://www.nwo.nl/actueel/nieuws/2013/magw/leerlingen-trainen-in-verschillende-leerstrategieen-helpt.html ]


Visies op leren


Een bredere visie op leren
Een beperkte visie op leren

1 Mensen leren altijd en overal.

Leren doe je op school.
2 Er zijn talrijke weinig bewuste, impliciete leerprocessen die spontaan optreden als neveneffect van allerlei ervaringen en activiteiten.

Leren betreft een bewuste activiteit die specifiek is gericht op de verwerving van kennis en vaardigheden.
3 Leren maakt deel uit van een sociale context, waarin leerproces en leerresultaten functioneren en betekenis hebben.

Leren is een individuele activiteit met individuele resultaten (waarbij leerresultaten als doel vaststaan in overeenstemming met punt 8).
4 Leren treedt (ook) op als gevolg van
handelen.
Leren is een voorwaarde voor handelen; leerresultaten moeten later/elders worden toegepast.
5 Leren is ook emotioneel van aard.
Leren is een cognitieve, rationele activiteit.

6 Leren kan ook negatieve effecten hebben.
Leren is een verbetering; leren is (moreel) goed.

7 Het referentiekader (eerder verworven leerresultaten) fungeert als bril. Veranderend (kritisch, transformatief) leren is veeleisend.

Leren is voornamelijk het toevoegen van nieuwe kennis of uitbreiden van aanwezige kennis (wel conceptuele verandering bij ‘misconcepten’).
8 Kennis is een sociale constructie; de toereikendheid en geldigheid ervan  staan ter discussie.

Vanzelfsprekende consensus over geldigheid en reikwijdte van kennis in het onderwijs.


[ bron: http://hbo-kennisbank.uvt.nl/cgi/fontys/show.cgi?fid=3691 ]

zondag 2 februari 2014

Leerstrategieën

Een leerstrategie is de manier waarop een leerling het leren aanpakt. Een leerstrategie is een combinatie van leeractiviteiten die mensen op eigen initiatief gebruiken om hun leerdoel te bereiken.

Bij een leerstrategie horen de stappen die hij zet om het leerdoel te bereiken, zoals het onderscheiden van hoofd- en bijzaken, verbanden leggen tussen bestaande en nieuwe kennis en het gebruiken van voorbeelden om dingen te onthouden. 

Leerstrategieën zijn een onderdeel van de cognitieve strategieën. Dat zijn de manieren waarop de leerling informatie verwerkt, zoals het oplossen van problemen en het focussen van de aandacht.




Jan Vermunt (IVLOS / Universiteit Utrecht) heeft onderzoek gedaan naar opvattingen en gedrag van studenten met betrekking tot hun leren. Uit zijn onderzoek bleek dat de leer- en regulatie-activiteiten die studenten uitvoeren en de studie-opvattingen en -motieven die zij hebben zodanig met elkaar samenhangen, dat van vier leerstijlen kan worden gesproken: 

  • een betekenisgerichte leerstijl, 
  • een reproductiegerichte leerstijl, 
  • een toepassingsgerichte leerstijl en 
  • een ongerichte leerstijl.

Betekenisgerichte leerstijl
Studenten met een betekenisgerichte leerstijl zoeken naar verbanden in de studiestof, proberen zelf structuur aan te brengen en staan kritisch tegenover de te bestuderen stof (diepteverwerking). Ze bepalen zelf hoe ze leren en wat ze belangrijk vinden (zelfsturing). Ze zien studeren als het opbouwen van kennis en inzichten en studeren uit persoonlijke interesse.

• Motivatie: persoonlijke interesse
• Leeractiviteiten: diepteverwerking
• Sturing: zelfgestuurd
• Opvatting: Opbouw van ken


Reproductiegerichte leerstijl
Studenten met een reproductiegerichte leerstijl leren de studiestof vaak uit hun hoofd, herhalen de stof veelvuldig en gaan gedetailleerd te werk (stapsgewijze verwerking). Daarnaast laten zij zich door het onderwijs sturen en zien ze studeren als het opnemen van kennis. Ze zijn gericht op het behalen van certificaten en het uittesten van eigen capaciteiten.

 Motivatie: cijfers, toets, diploma
• Leeractiviteiten: stampen en herhalen
• Sturing: extern (ouders, docenten)
• Opvatting: verzamelen van kennis


Toepassingsgerichte leerstijl
Studenten met een toepassingsgerichte leerstijl proberen datgene wat ze leren in de praktijk toe te passen (concrete verwerking). Ze zien studeren dan ook als het leren gebruiken van de kennis die men verwerft en zijn bij het studeren gericht op hun toekomstige beroep (beroepsgerichte leeroriëntatie).

 Motivatie: Beroepsgericht
• Leeractiviteiten: gebruiken en concretiseren
• Sturing: zelf- en extern gestuurd
• Opvatting: gebruik van kennis


Ongerichte leerstijl
Studenten met een ongerichte leerstijl vinden het moeilijk om hun eigen leren te sturen, maar hebben ook nauwelijks houvast aan de aanwijzingen in de studiestof of van docenten (stuurloze regulatiestrategie). Ze vinden dat het onderwijs stimulerend hoort te zijn en werken graag samen met medestudenten. Verder staan ze onzeker tegenover hun studie (ambivalente leeroriëntatie): ze twijfelen of ze goed genoeg zijn om de studie af te maken of ze vragen zich af of ze wel de goede studie hebben gekozen.

• Motivatie: afhankelijk van anderen
• Leeractiviteiten: nauwelijks
• Sturing: stuurloos
• Opvatting: ambivalent


Anders dan bij Kolb zijn dit geen stappen in een leerproces, waar je willekeurig kunt instappen. Deze leerstijlen zijn los van elkaar staande manieren waarop iemand leren kan.
Wel geldt ook hier dat iedereen wel iets heeft van meerdere stijlen. Waarschijnlijk zal één van de stijlen het meest gebruikt worden.


Vermunt onderscheidt verder cognitieve leerstrategieën, affectieve leerstrategieën en metacognitieve leerstrategieën:

Cognitieve leerstrategie
Een cognitieve leerstrategie is een combinatie van volgende mogelijke leeractiviteiten: 

  • memoriseren, 
  • herhalen, 
  • kritisch verwerken, 
  • selecteren, 
  • toepassen, 
  • relateren, 
  • structureren, 
  • analyseren, 
  • concretiseren.


Affectieve leerstrategie
Een affectieve leerstrategie is een combinatie van volgende mogelijke affectieve leeractiviteiten: 

  • toeschrijven, 
  • motiveren, 
  • concentreren, 
  • waarderen, 
  • inspannen, 
  • zichzelf beoordelen, 
  • emoties opwekken, 
  • verwachten.


Metacognitieve leerstrategie
Een metacognitieve leerstrategie is een combinatie van volgende mogelijke metacognitieve leeractiviteiten: 

  • oriënteren, 
  • plannen, 
  • proces bewaken, 
  • toetsen, 
  • evalueren, 
  • diagnosticeren, 
  • bijsturen, 
  • reflecteren.



Leren

Visie op leren

“Het ondernemen van zichtbare en/of mentale activiteiten die leiden tot een verandering in de persoonlijke actietheorie van werknemers” (Berings, 2006)

Behaviorisme
“Leren is ander gedrag vertonen op grond van een externe stimulus”

Cognitivisme
“Leren is het inpassen van kennis in cognitieve structuren”

Constructivisme
“Leren is het zelf bouwen en ontwikkelen van een praktijktheorie”

‘Moderne’ visie op leren
- Continu
- Gekoppeld aan het werk
- Sociaal
- In verschillende contexten
- Zelfgestuurd en/of onder begeleiding

Opmerking van Joseph Kessels: “Je kunt mensen niet dwingen om te leren”

Vier manieren van (individueel) leren
1 - Door ervaring
2 - Door sociale interactie
3 - Door theorie
4 - Door kritische reflectie

Ad 1. Leren door ervaring
- Meemaken, waarnemen, ondergaan, 
deel uitmaken
- Trial-and-error
- Model leren
- Stimuleren door: uitdagingen, feedback, vernieuwing, autonomie, variatie

Ad 2. Leren door sociale interactie
- Alledaagse conversatie
- Informatie vragen en geven
- Samen zoeken naar nieuwe oplossingen
- Brainstormen
- Discussie
- Samenwerken
- Conflicthantering
- Stimuleren door participatie, leerklimaat

Ad 3. Leren door theorie
- Theorie → werkelijkheid
- Anders slapende kennis
- Verbinding met ervarings- en sociaal leren

Ad 4. Leren door kritische reflectie
- Vragen stellen: waarom doen we dit altijd zo, kan het niet anders, beter?
- Op jezelf
- Op omgeving
- Afleren!
- Stimuleren door tijd, klimaat

Collectief leren als co-creëren
- Individuele participatie
- Samenwerken aan reëel ervaren problemen
- Uitwisseling van tacit knowledge
- Beste (enige?) manier om attitudes/cultuur te veranderen



[bron: Van: Glaudé, M., Van Eck, E., Oud, W. en Verbeek. F. (2008). Voorwaarden voor scholing van docenten mbo, volgens docenten en hun leidinggevenden. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut]


Tacit knowledge

Tacit knowledge is the knowledge in our heads. It is much less concrete and more difficult to document and measure. However it is more valuable because it provides context.

Tacit knowledge is the unwritten, unspoken, and hidden vast storehouse of knowledge held by practically every normal human being, based on his or her emotions, experiences, insights, intuition, observations and internalized information. 

Tacit knowledge is integral to the entirety of a person's consciousness, is acquired largely through association with other people, and requires joint or shared activities to be imparted from on to another. 




Like the submerged part of an iceberg it constitutes the bulk of what one knows, and forms the underlying framework that makes explicit knowledge possible. Concept of tacit knowledge was introduced by Michael Polanyi in his 1966 book 'The Tacit Dimension'.

Tacit knowledge
Explicit knowledge
Personal and context-specific
Formal
Difficult to document and communicate. Unwritten and unspoken.
Easy to document, transfer and reproduce.
Drawn from experience and the most powerful form of knowledge.
Can become obsolete quickly.
Difficult to communicate and share.
Easy to communicate and share.
Shared only when individuals are willing to engage in social interaction.
Can be copied and imitated easily.
Lives in people and their practices.
Lives in books and heads.
Learning to be.
Learning about.
Examples:
-decision-making models
-body language
 Examples:
-routines
-procedures