zaterdag 3 mei 2014

Het model van Bateson en Dilts


Het model van Bateson en Dilts gaat er van uit dat veranderen tot stand komt door middel van leren. 

In de onderstaande piramide staan de verschillende niveaus van leren volgens Bateson en Dilts, met daarbij aan de linkerzijde de kernvraag en aan de rechterzijde het reflectiegebied.




Hoe hoger het niveau van experimenteren en uitdagen, hoe meer je tot de kern komt en hoe sterker de ontwikkeling die je doormaakt.

In de onderstaande schematische afbeelding staan de verschillende niveaus van leren volgens Bateson en Dilts, met daarbij aan de rechterzijde de gebieden doen, denken en willen.


Mensen hebben het vaak over het reageren op situaties op verschillende ‘niveaus’. Aan de manier waarop mensen hun verhaal vertellen kun je herkennen op welk niveau iemand een situatie beleeft. Zo kan iemand zeggen dat een ervaring op het ene niveau negatief was, maar positief op een ander niveau.

Het effect van elk niveau is dat het de informatie van het onderliggende niveau organiseert en richting geeft. Het veranderen van dingen op een hoger niveau zal onvermijdelijk dingen veranderen op lagere niveaus. Het veranderen van iets op een lager niveau kan, maar hoeft niet altijd effect te hebben op de hogere niveaus.
Onderstaand de niveaus van leren en veranderen; elk niveau abstracter dan het onderliggende niveau, maar met een hogere mate van invloed op het individu.

Als een persoon vast blijft zitten in een bepaald denkniveau kan een probleem volkomen onoplosbaar lijken. Door middel van vragen kan men het denkniveau van de ander verhogen, zodat er weer perspectief komt.

Omgeving:
De nadruk ligt op vertellen van wat er gebeurde, met wie, wanneer, waar.

Hoe ziet jouw gewenste omgeving eruit, waar ben je, beschrijf of vertel wat over de omgeving, wat gebeurd er? Ben je alleen of zijn er anderen of is er nog iets anders? Wat zie je nog meer? Wat zijn je gevoelens in deze omgeving? Hoe zie je jezelf in deze omgeving? Hoe kijk je naar (eventuele) anderen in deze omgeving? Wat is er nog meer?

Kernvraag:
Waar / wanneer?

Sub-vragen:
-Waar ben ik / waar leef ik?
-Met wie trek ik op?
-Hoe is de context?

Reflectiegebied:
De context / grenzen waarbinnen je je begeeft.

Gedrag:

De nadruk ligt op wat de persoon zelf heeft gedacht en gedaan en welke invloed de persoon zelf heeft uitgeoefend op de situatie.

Wat doe je als je je doel heb bereikt? Hoe zie je eruit als je je doel heb bereikt? Wat vind je van je gedrag, hoe voel je je daarbij? Welke dingen zeg je als je je doel hebt bereikt? Hoe is het gedrag van anderen in deze omgeving? Als je vanaf deze plek in deze ruimte je gedrag waarneemt van jezelf en/of anderen wat valt je dan op?

Kernvraag:
-Wat doe ik?

Sub-vragen:
-Wat doe ik precies?
-Hoe handel ik?
-Welke acties onderneem Ik?

Reflectiegebied:
De handelingen en acties die je daadwerkelijk verricht.

Vaardigheden:
Vaardigheden geven leiding en richting aan de gedragsmatige handelingen door een mentale kaart, een plan of een strategie.

Welke capaciteiten, kwaliteiten, talenten en vaardigheden heb je als je je doel heb bereikt? Wat kan je dan, welke vaardigheden zet je in? Hoe voel je je daarbij?
  
Kernvraag:
-Wat kan ik en hoe?

Sub-vragen:
-Welke vaardigheden heb ik?
-Wat kan ik?
-Hoe pak ik zaken aan?
-Welke methoden hanteer ik hierbij?

Reflectiegebied:
De richting waarbinnen je de oplossing zoekt. De vaardigheden en de kwaliteiten die je gebruikt.

Overtuigingen:

Overtuigingen zijn essentiële oordelen over onszelf, anderen en de wereld om ons heen. Overtuigingen bepalen hoe betekenis wordt gegeven aan gebeurtenissen, en ze zitten in de kern van iemands motivatie. Onze overtuigingen en waarden (identiteit) zorgen voor de bekrachtiging (motivatie en permissie) die bepaalde vermogens en gedragingen ondersteunen of afremmen. “Ik zal nooit succes hebben omdat ik nu eenmaal langzaam leer”, en “Achter elk gedrag zit een positieve intentie”, zijn beide weergaven van overtuigingen. Belemmerende overtuigingen kunnen verhinderen dat bestaande vermogens en vaardigheden worden ingezet.

Wat geloof je als je je doel hebt bereikt? Wat zijn dan je gedachten en overtuigingen? Wat betekent het doel voor jou? Waarom is het voor jou belangrijk om het doel te halen, is dit echt wat je wilt? Wat zou er gebeuren als je je doel niet zou halen?

Kernvraag:
-Waarom?

Sub-vragen:
-waarom doe ik wat ik doe?
-Wat vind ik belangrijk?
-Wat zijn mijn overtuigingen?

Reflectiegebied:
De bewuste keuzes die je maakt over je motivatie. 

Identiteit:

Op identiteitsniveau worden waarden en drijfveren benoemd. Het gaat hier om de diepere persoonlijke dimensie van waaruit mensen werken en leven. Uit overtuigingen komen dan ook (ver)oordelingen van anderen voort.

Op identiteitsniveau exploreert iemand persoonlijke zingevingsvragen. Waarom ben ik hier zo uitgeblust, wat is voor mij de moeite waard, waar bloei ik van op, wat daagt me uit en waar wil ik voor gaan

Wie ben je  als je je doel heb bereikt? Welke rol vervul je als je je doel heb bereikt? Wat is je zelfbeeld, hoe kijk je naar jezelf en wat voel je daarbij

Kernvraag:
-Wie?

Sub-vragen:
-Wie ben ik?
-Welke persoonlijke doelen streef ik na?
-Welke rol(len) neem ik aan?
-Wat is mijn levensdoel?

Reflectiegebied:
De visie die je hebt over wie je bent.

Zingeving:

Op zingevingsniveau worden verbanden met het grotere geheel gelegd. Dit is het wijsheidsniveau. De zin van het bestaan, verantwoordelijkheid voor wereld en komende generaties, diepgevoelde visies zijn hier aan de orde.

Wat maakt het doel zo belangrijk voor jou, waar doe je het uiteindelijk voor? Wat betekent het doel voor jou?
Wat motiveert jou om het doel te halen? Wat is de meerwaarde van het doel, wat levert het jou op?
Wat wordt mogelijk met het behalen van je doel?
Vervult het doel een belangrijke waarde in je leven?
Is het doel een onderdeel van een groter geheel?
Past het doel bij jouw innerlijke opdracht, voelt het helemaal goed om het doel te halen, en voel dan vanuit je hart, maakt het doel je blij, enthousiast, vreugdevol, vredig, energiek of iets anders? Vervult dit doel je passie en wat is je passie?
  
Kernvraag:
-Waartoe?

Sub-vragen:
-Van waaruit handel ik?
-Wat motiveert mij?
-Wat wil ik bereiken in mijn leven?
-Hoe draag ik daar concreet aan bij?

Reflectiegebied:
De missie / betrokkenheid waar je vanuit handelt. Waar je voor staat.



zaterdag 26 april 2014

Understanding the Five Categories of Emotional Intelligence (EQ)


The development of good interpersonal skills is tantamount to success in your life and career. In today’s always-connected world, everyone has immediate access to technical knowledge. 




Thus, “people skills” are even more important now because you must possess a high EQ to better understand, empathize and negotiate with others in a global economy. Among the most useful skills are:

Self-awareness
Zelfkennis. Mensen met een hoog EQ hebben het vermogen om de eigen denkwijze, mogelijkheden en onmogelijkheden te kunnen inschatten en daar conclusies uit te trekken.

The ability to recognize an emotion as it “happens” is the key to your EQ. Developing self-awareness requires tuning in to your true feelings. If you evaluate your emotions, you can manage them. The major elements of self-awareness are:

-Emotional awareness. Your ability to recognize your own emotions and their effects.

-Self-confidence. Sureness about your self-worth and capabilities.

Self-regulation
You often have little control over when you experience emotions. You can, however, have some say in how long an emotion will last by using a number of techniques to alleviate negative emotions such as anger, anxiety or depression. A few of these techniques include recasting a situation in a more positive light, taking a long walk and meditation or prayer. Self-regulation involves

-Self-control. Managing disruptive impulses.

-Trustworthiness. Maintaining standards of honesty and integrity.

-Conscientiousness. Taking responsibility for your own performance.

-Adaptability. Handling change with flexibility.

-Innovation. Being open to new ideas.

Motivation.
To motivate yourself for any achievement requires clear goals and a positive attitude. Although you may have a predisposition to either a positive or a negative attitude, you can with effort and practice learn to think more positively. If you catch negative thoughts as they occur, you can reframe them in more positive terms — which will help you achieve your goals. Motivation is made up of:

-Achievement drive. Your constant striving to improve or to meet a standard of excellence.

-Commitment. Aligning with the goals of the group or organization.

-Initiative. Readying yourself to act on opportunities.

-Optimism. Pursuing goals persistently despite obstacles and setbacks.

Empathy
Empathie. Mensen met een hoog EQ kunnen zich goed verplaatsen in de gevoelens van anderen.

The ability to recognize how people feel is important to success in your life and career. The more skilful you are at discerning the feelings behind others’ signals the better you can control the signals you send them. An empathetic person excels at:
-Service orientation. Anticipating, recognizing and meeting clients’ needs.

-Developing others. Sensing what others need to progress and bolstering their abilities.

-Leveraging diversity. Cultivating opportunities through diverse people.

-Political awareness. Reading a group’s emotional currents and power relationships.

-Understanding others. Discerning the feelings behind the needs and wants of others.

Social skills
Sociale vaardigheden. Mensen met een hoog EQ kunnen goed met zowel bekenden als vreemden omgaan.

The development of good interpersonal skills is tantamount to success in your life and career. In today’s always-connected world, everyone has immediate access to technical knowledge. Thus, “people skills” are even more important now because you must possess a high EQ to better understand, empathize and negotiate with others in a global economy. Among the most useful skills are:

-Influence. Wielding effective persuasion tactics.

-Communication. Sending clear messages.

-Leadership. Inspiring and guiding groups and people.

-Change catalyst. Initiating or managing change.

-Conflict management. Understanding, negotiating and resolving disagreements.

-Building bonds. Nurturing instrumental relationships.

-Collaboration and cooperation. Working with others toward shared goals.

-Team capabilities. Creating group synergy in pursuing collective goals.


What factors are at play when people of high IQ fail and those of modest IQ succeed?

How well you do in your life and career is determined by both. IQ alone is not enough; EQ also matters. In fact, psychologists generally agree that among the ingredients for success, IQ counts for roughly 10% (at best 25%); the rest depends on everything else — including EQ.


[Bron: http://psychcentral.com/lib/what-is-emotional-intelligence-eq/0001037]


Applications for Educators

There are very practical reasons to promote social and emotional learning in schools, from kindergarten through college. According to Goleman, bullying, disciplinary problems, violence and drug abuse are reduced in schools with a high EQ. With a solid basis in emotional intelligence, academic performance — as well as behavior — improves. There is an obvious connection to Goleman’s third, motivational component: learning stimulates curiosity and promotes feelings of satisfaction, even joy, when students immerse themselves in the process of assimilating new information.

The EQ of children starts developing long before they ever enter a classroom. But EQ levels will vary widely, depending on each child’s home environment. Thus teachers must be able to recognize those children whose emotional literacy needs a boost. Teachers should be ready to talk about feelings in the classroom. The message is that no emotion is “wrong,” but certain ways of expressing those emotions or acting on them are indeed inappropriate.


In 2002, UNESCO launched an international campaign to promote emotional learning in the classroom. The U.N. body sent a statement of 10 basic EQ principles to education ministries throughout the world. Those principles drew heavily from Goleman’s exposition of emotional intelligence.

Emotionele intelligentie


Emotionele intelligentie, gemeten met de index EQ, is een aanvulling van het traditionele IQ. Het IQ meet een reeks min of meer samenhangende intellectuele vaardigheden. Het begrip EQ werd in 1990 voor het eerst genoemd in een wetenschappelijk artikel van Salovey en Mayer, maar sloeg niet onmiddellijk aan. Dat veranderde in 1995 toen het gelijknamige boek van de Amerikaanse psycholoog Daniel Goleman verscheen. 



Succes in je leven
In zijn boek Emotionele intelligentie zegt Goleman dat emotionele intelligentie aan te leren is en dat controle over emoties bepalend is voor je succes in je leven. 

Succes in het leven wordt volgens Goleman niet bepaald door intellectuele, maar door emotionele kwaliteiten. Emotionele capaciteiten zijn echter niet onder één noemer te brengen. Elk mens heeft een profiel van zwakke en sterke kanten. Voor Goleman bestaat emotionele intelligentie vooral uit het controleren van gevoelens. Wat heeft een mens immers aan intellectuele vaardigheden als hij wordt geplaagd door faalangst, depressies of driftbuien.

De hedendaagse mens kan emotionele intelligentie goed gebruiken. Goleman heeft het boek geschreven omdat uit onderzoek bleek dat emotionele intelligentie valt te leren. Er is een neurologische kans om kinderen een betere emotionele opvoeding te geven. Het deel van de hersenen dat emoties regelt, is pas volgroeid als iemand een jaar of vijftien, zestien is. Daarom moeten we in het onderwijs op een systematischer manier met emoties omgaan.

Op Amerikaanse scholen bestaan al lessen in self science (zelfwetenschap). In deze lessen leren kinderen om samen te werken, nee te zeggen tegen ongewenste intimiteiten, om ruzies uitpraten en om te gaan met een kind dat uit de groep valt. 

Maar Goleman erkent dat deze aanpak grenzen kent. Structurele en economische problemen kun je niet oplossen door psychologische training. Maar je kunt sommige kinderen wel betere kansen geven, zegt hij.

https://www.youtube.com/watch?v=7uQs1NxluKE


Five components of emotional intelligence




Etiket opplakken
Goleman is wel kritisch over het testen van kinderen, om hun individuele behoefte aan hulp vast te stellen. Ik ben daar niet zo gek op, omdat je kinderen een etiket opplakt, zegt hij.

Bij een experiment werd tegen leraren gezegd dat ze op bepaalde kinderen moesten letten, omdat die bij een test als intellectueel veelbelovend uit de bus waren gekomen. De prestaties van die leerlingen gingen daarna aanzienlijk omhoog. Alleen was er nooit een test geweest. Het etiket veelbelovend werkte als een voorspelling die zichzelf waarmaakte. Daarom is het ook heel riskant als kinderen als een probleemgeval naar school gaan.

Schuimpjestest 
Daarbij wordt een vierjarig kind twee schuimpjes beloofd als het kan wachten tot iemand terug is van een boodschap. Als het geen geduld heeft, krijgt het één schuimpje, maar dat mag het wel meteen hebben. De kinderen die hun impulsen wisten te beheersen, deden het tien jaar later aanzienlijk beter op school. Volgens Amerikaans onderzoek was deze proeve van emotionele intelligentie een betrouwbaarder voorspeller dan een test op intellectuele vaardigheden.






dinsdag 18 februari 2014

Uitstelgedrag


Uitstelgedrag komt veel voor bij leerlingen. Uitstelgedrag is het uitstellen van taken die men eigenlijk wil of moet doen en waarbij men weet dat het uitstel waarschijnlijk niet goed is en tot moeilijkheden of extra stress zal leiden.  


Zoals reeds genoemd komt uitstelgedrag veel voor bij leerlingen. Uitstelgedrag wordt ook wel het studentensyndroom genoemd. Het studentensyndroom refereert aan het feit dat de meeste mensen (en vooral studenten en leerlingen) pas aan een taak beginnen als het opleverpunt van de taak in zicht is. Dit verschijnsel veroorzaakt verspilling van aanwezige tijdsreserves met als gevolg stress en overschrijdingen van de opleverdatum.


In de onderstaande tabel worden voorbeelden van de twee uitersten gegeven.



Uitstellen

Niet uitstellen
Ik ben vaak bezig met dingen die ik al veel eerder had moeten doen.

Ik begin pas op het laatste nippertje voor een toets te werken.

Als ik een brief schrijf, zit er nogal wat tijd tussen het schrijven en het op de bus doen.

Kleine klusjes laat ik dagen liggen.

Ik heb de neiging huiswerk uit te stellen.

Ik moet me gewoonlijk haasten om mijn huiswerk op tijd af te krijgen.

Als ik weg moet, zijn er op het laatste moment nog dingen te doen.

Zelfs als ik dringend iets af moet maken, ben ik nog andere dingen aan het doen.

Verjaardagscadeautjes koop ik op het laatste moment

Zelfs belangrijke dingen koop ik op het laatste moment

Ik merk dat ik dingen tot morgen uitstel.

Als ik een boek van de bibliotheek uit heb, lever ik het meteen in.

Als het 's ochtends tijd is om op te staan, kom ik meteen uit bed.

Als ik iemand moet terugbellen, doe ik dat meteen.

Ik neem mijn beslissingen zo snel mogelijk.

Ik ga het liefst vroeg naar een afspraak.

Als ik een opdracht moet uitvoeren, begin ik er meteen aan.

Ik heb een huiswerkopdracht eerder klaar dan strikt nodig is.

Alle dingen die ik me op een dag voorgenomen heb, doe ik ook

Ik zorg ervoor dat ik alle dingen die ik moet doen overdag klaar heb, zodat ik 's avonds kan uitrusten.



Direct bruikbare tips
De meest voor de hand liggende tips zijn:


  • Start nu en probeer je je patroon van uitstelgedrag te herkennen, door een logboek bij te houden. Richt je volledige aandacht op je handelen. Het is tijd voor actie. Houd jezelf voor: ‘Ik ga nu direct over tot actie, zonder er eerst uitgebreid over na te denken’. Hiermee voorkom je dat je gaat piekeren en allerlei excuses en uitvluchten gaat verzinnen om het nieuwe gedrag niet toe te hoeven passen.
  • Voorkom afleiding. Doe je deur dicht, zet de smartphone uit en zorg voor een opgeruimde werkplek. Dit brengt je genoeg rust om te kunnen focussen.
  • Stel jezelf een realistische deadline en hak je project in stukken om deze deadline ook daadwerkelijk te halen.
  • Neem een korte pauze, om je weer te kunnen focussen en daarmee uitstelgedrag te voorkomen
  • Start met het moeilijkste taak van de dag die je moet volbrengen en volbreng je deze ook. Dan voelt de rest van je taken veel lichter.


In de onderstaande tabel worden voorbeelden van de twee uitersten gegeven.


Doen
Niet doen

1. Maak een duidelijk plan met een overzicht van alle huiswerk activiteiten
2. Bepaal prioriteiten in je studie en andere activiteiten

3. Bepaal de hoeveelheid tijd die je hebt en die je nodig hebt. Maak daarna een realistische tijdsplanning
4. Denk realistisch na over je eigen prestaties: wat werkt?
5. Bouw zelfvertrouwen gebaseerd op feiten op; wees tevreden met successen en bouw erop voort
6. Stel een tijdstip vast en begin met je taak van dat moment
7. Ga aan het werk, hoe je je ook daarbij voelt
8. Zie fouten onder ogen en leer daarvan

9. Doorbreek vermijding en ga aan de slag. Zo leer je dat de spanning afneemt en dat je de studie aan kunt
10. Beloon jezelf als je op de goede weg bent

1. Vage plannen als 'Ik moet mijn huiswerk maken', of 'Ik zie wel hoe het gaat'.
2. Onduidelijke en onhaalbare plannen als 'alleen maar studeren' en 'alles inhalen'

3. Zonder analyse stellen 'Ik heb tijd genoeg' en 'Dat gaat gemakkelijk in deze (korte) tijd'.

4. Prestaties toeschrijven aan geluk, hulp van anderen.
5 Voortdurend twijfelen of je dit wel kunt en bevestiging bij anderen zoeken

6. Morgen begin ik

7.  Wachten op inspiratie of “zin”
8.  Jezelf verwijten maken als het niet meteen lukt
9. Vermijden aan de slag te gaan omdat je bang bent te falen

10. Ontevreden blijven, want 'Ik moet nog zoveel'




Uitstelgedrag aanpakken. 
Hoe kun je uitstelgedrag aanpakken. Stel jezelf dan de volgende vier vragen:

1. Welke activiteit ben je gestart of wil je starten?

2. Wat dacht je toen je begon met uitstellen?
3. Wat voelde je toen je begon met uitstellen?
4. Wat deed je in plaats van je geplande activiteit?

Na zes weken lang een logboek bijhouden, heb je een goed idee van de rode lijn in je eigen uitstelgedrag. Door het registreren van je gewoonten herken je je uitstelgedrag eerder op het moment dat je er last van hebt. 


Wat kun je uiteindelijk doen om uitstellen te voorkomen? Analyseer dan een taak die je zonder uitstelgedrag goed hebt afgerond:


1. Beschrijf een productieve activiteit die je effectief hebt afgerond.

2. Wat dacht je toen je startte?
3. Wat voelde je toen je startte?
4. Wat deed je om op schema te blijven?
5. Herhaal dit proces in situaties waarin uitstelgedrag op de loer ligt.


Ben trots op jezelf dat je de geplande activiteit hebt uitgevoerd. Ben trots op jezelf dat je acties hebt ondernomen. Je bent goed bezig en je wilt en kan dit volhouden. Elke keer als je in je oude gewoonte vervalt herhaal je gewoon stap 1 tot en met 4.

Effectief leren

Hier volgen enkele tips voor leerlingen om effectiever te leren:

Productief studeren
  • Sommige vakken op school zijn spannend en andere vakken minder. Meestal is inspanning nodig voor het maken van je huiswerk. Maar voor alle activiteiten geldt geen inzet en inspanning, dan ook geen rendement.
  • Werk samen met anderen en praat over de leerstof (leg de leerstof uit aan anderen). 
  • Studeer actief en maak gebruik meerdere leerstrategieën. Maak bijvoorbeeld verschil tussen hoofd - en bijzaken door te onderstrepen, korte aantekeningen te maken en jezelf vragen te stellen. 
  • Besef dat uitstellen stimuleert tot verder uitstellen. Gewoon beginnen werkt het beste. 


Planning
Besteed genoeg tijd aan je huiswerk en verdeel de tijd ook goed. Denk dan ook aan de verdeling van je tijd voor huiswerk en de andere activiteiten. Maak vergeet ook niet de verdeling van tijd over de verschillende leeractiviteiten.


Je planning (time management) wordt verbeterd door:
  • Overzicht van alle activiteiten. Stel jezelf de vraag "wat heb ik allemaal te doen"?
  • Stellen van prioriteiten. Stel jezelf de vraag "wat laat ik voorgaan"?
  • Plannen van activiteiten. Stel jezelf de vraag "wanneer ga ik de plannen uitvoeren"?
  • Scheppen van gunstige werkomstandigheden. Stel jezelf de vraag "wat helpt mij wel en wat helpt mij niet bij de uitvoering van mijn geplande activiteiten"?


Haalbare studiedoelen
Welk studiedoel heb je voor jezelf opgesteld. Deel het hoofddoel in concrete subdoelen in en verwoord wanneer jij die wilt halen. Je zet jezelf als het ware onder een 'productieve' druk, want je wilt een bepaald doel in een bepaalde tijd halen. En je kunt ook tevreden zijn als je jouw doel hebt gehaald. 
Noteer bijvoorbeeld wanneer je de paragrafen van een lesboek of wanneer je de onderdelen van een opdracht af wilt hebben. Pas op voor onrealistisch optimistische targets, want die haal je toch niet. Je zet dan jezelf onder een 'onproductieve' druk en dat werkt niet. Daarbij is iets niet halen ontmoedigend en dat hindert bij het beginnen aan de volgende studietaak.


Controleer de voortgang
Controleer de voortgang van de huiswerkactiviteiten zodat je steeds weet hoe je er voor staat. Een eventuele achterstand is dan op tijd in te halen en groeit niet uit tot een grote achterstand. 
Studeren is natuurlijk niet alleen zitten en uren maken. Controleer ook of je productief bent en niet zit te suffen. Maak gebruik van verschillende leerstrategieën.


Organiseer goede werkomstandigheden en hulpmiddelen
Zorg voor goede werkomstandigheden. Stimulerende werkomstandigheden zijn

  • Een goede werkplek waar geen afleiding is.
  • Genoeg (niet te veel en niet te weinig) en regelmatig studeren. 
  • Wen aan een studieritme en haal per dag jouw doel.
  • Duidelijke afspraken met jezelf en met anderen over andere activiteiten zoals sporten, muzieklessen, verenigingsactiviteiten, betaald werk, etc.
  • Hulpmiddelen als goede aantekeningen, diagnostische toetsen, en een werkende computer.
  • Mensen om je heen die je kunnen steunen, waar je mee kunt samenwerken en die je zo nodig raad kunt vragen.


Actief studeren
Studeer actief door jezelf vragen te stellen, korte aantekeningen of een schema te maken. Probeer niet passief als een spons de studiestof op te zuigen maar verwerk de informatie. Ga na of je de studiestof begrijpt door herhalen, jezelf vragen stellen, bespreken met medeleerlingen en het maken van oude tentamens.


Fixed mindset versus growth mindset
Ontwikkel interesse in leren en het vertrouwen de studie aan te kunnen. Sommige gedachten werken negatief op het huiswerk uit. Twee uitersten zijn enerzijds “Het lukt mij toch niet” en anderzijds “Morgen ga ik het opnieuw proberen”. Als je bijvoorbeeld een onderdeel niet onmiddellijk begrijpt, dan wil dat niet zeggen dat jij daar te stom voor bent. Bepaalde delen kunnen zeer moeilijk zijn en voor nadenken heb je tijd nodig. Blijf kritisch en oordeel niet te snel negatief over jezelf. Blijf op de taak gericht en vraag je af wat je niet begrijpt en hoe daar achter is te komen.

Concentratie verhogen


De hersenen van leerlingen zijn nog niet volgroeid. Dat maakt dat een puber zich meer laat leiden door emotie dan door ratio, nog geen helikopterview heeft, extra gevoelig is voor beloning op korte termijn. Leerlingen kunnen in het algemeen moeilijk inschatten wanneer hij of zij hulp nodig heeft. Tevens hebben leerlingen behoefte heeft aan voorbeelden en rolmodellen

In enkele gevallen kunnen leerlingen hun aandacht niet goed kunnen bundelen, zij hebben moeite om de aandacht te richten, hebben moeite om hun aandacht langdurig vast te houden, hebben moeite met luisteren en kunnen niet alles opnemen. Het betreft hier allemaal concentratieproblemen. De oorzaken kunnen intern liggen, maar ook vanuit de omgeving komen.

Leerlingen kunnen gemiddeld 25 à 30 minuten aandachtig informatie opnemen. Daarna verslapt de concentratie van leerlingen.


Tips voor leerlingen
Enkele tips voor leerlingen om hun concentratie beter vast te houden:

Stel jezelf een doel
Kan het huiswerk waarmee je bezig bent je niet boeien? Dan zal je concentratievermogen ook vrij laag zijn. Denk daarom eerst na waarom je het doet en welk doel je ermee wilt bereiken. Als je dit voor ogen houdt, zal je eens zo gemotiveerd zijn. Zet jezelf doelen op korte termijn: wat is je doel deze week, vandaag? Schrijf de doelen neer (gewoon onder elkaar of in een tijdschema) en tracht hier naartoe te werken. Denk eens na over wat je op lange termijn wil bereiken op school. Wat is je doel? Schrijf dit doel neer en hou dit voor ogen als je het moeilijk hebt om je aan je huiswerk te zetten. 

Bepaal je plan van aanpak
Soms is het belangrijk om enkele minuten stil te staan bij wat je gaat doen en hoe je het gaat aanpakken. Als je een structuur hebt zal je je werk minder moeten onderbreken met de vraag "wat is het volgende dat ik moet doen?". Stel to-do-lijstjes op. Telkens je een taak/doel bereikt hebt, schrap je het door. Het doorschrappen en zien krimpen van je lijstje kan zeer motiverend werken. 

Studeer actief 
Beperk je tijdens het leren niet tot het passief lezen en onderstrepen van de leerstof, maar bewerk de tekst (onderscheid hoofd- en bijzaken, ga op zoek naar verbanden), maak je eigen schema’s en samenvattingen, stel jezelf vragen, zoek eigen voorbeelden, betrek de leerstof op de actualiteit, gebruik meerdere leerstrategieën.

Werk in blokken en neem regelmatig een pauze
Het lijkt dan misschien beter om langere tijd achter je huiswerk te zitten, toch kun je beter een korte pauze inlassen na een bepaalde periode. Als je te lang achter elkaar werkt, daalt je productiviteit. Niet erg effectief dus. Werk daarom in korte blokken, hierdoor blijf je optimaal geconcentreerd en ben je het meest productief. En als je weet dat je binnenkort een pauze kunt nemen, zul je extra gemotiveerd zijn om die ene huiswerkopdracht af te krijgen.

Hou rekening met je concentratieboog
Wanneer je lange woordenlijsten moeten leren, zijn het vaak dezelfde woorden in het midden die je niet goed weet. Dit komt omdat je hersenen een spanningsboog hebben, de eerste en de laatste items worden goed onthouden, maar de woorden in het midden blijven vaak minder hangen. Om die reden is verstandig om steeds op een andere plek in de lijst te beginnen met leren.

Niet multitasken
Je hersenen kunnen maar op één taak tegelijkertijd bewust aandacht richten. Als je tijdens het leren aan het multitasken bent, doe je geen twee taken tegelijkertijd, maar wissel je steeds de tussen de taken. Niet handig, want dit gaat ten kosten van je effectiviteit.
Het is dus niet effectief om tijdens het lezen van een tekst ook een samenvatting te maken. Dit gaat niet alleen ten koste van je leessnelheid maar ook het onthouden van de tekst wordt hierdoor belemmerd. Doe één ding tegelijkertijd en als je daarmee klaar bent ga je verder na de volgende taak. Hierdoor ben je sneller klaar en wordt de informatie beter verwerkt en opgeslagen in je hersenen.

Zoek een geschikte studieplek
Als u zich wilt concentreren, zorg er dan voor dat u niet wordt afgeleid. Zorg ervoor dat je een eigen werkplek hebt. Kies een rustige plek op om te studeren, bijvoorbeeld je eigen kamer. 
Zo kun je je daar op een bepaalde manier afsluiten van de rest van je gezin. Zorg voor aangepast licht en een comfortabele stoel om te studeren. Studeer in een niet te warme kamer, daar word je moe van.

Ruim op 
Ruim voor je begint met leren je bureau op. Leg enkel hetgeen je nodig hebt op je bureau, leg alles wat je niet nodig hebt uit je zicht (dat zijn namelijk afleiders). Zorg ervoor dat je alle spullen die je nodig hebt bij de hand hebt, zodat je niet moet opstaan om nog een rekenmachine, markeerstiften te zoeken. 

Muziek
Muziek kan er voor zorgen dat je niet wordt afgeleid door de omgeving, maar let wel op dat de muziek zelf je niet afleidt! Doorgaans is klassieke muziek of andere instrumentele muziek het beste om te studeren. Gebabbel van de radio of songteksten kunnen je afleiden. 

Eet voldoende en gezond
Te veel eten is niet goed, maar met een lege maag kun je ook niet werken. Je zult merken dat wanneer u honger heeft je concentratie minder wordt. Trouwens na veel eten verslapt je aandacht. Probeer ook gezond te eten.

Beperk je cafeïne-consumptie 
Grote hoeveelheden cola, koffie en/of energiedrankjes zijn af te raden. Ze zorgen misschien voor een korte concentratie-boost, maar kunnen bij overmatig gebruik vervelende kwalen zoals slapeloosheid, zenuwachtigheid, bevingen, angst,  hoofdpijn, maag- en darmklachten tot gevolg hebben. Bovendien heeft cafeïne een verslavend effect. 

Drink water 
Drink voldoende water. Als je te weinig drinkt, heeft dit een onmiddellijk effect op je leerprestaties. 

Slaap voldoende
Voldoende slaap is ook een voorwaarde voor een goede concentratie. Je zult merken dat wanneer te weinig slaapt je concentratie ook minder wordt.

Voldoende lichaamsbeweging
Zorg voor voldoende lichaamsbeweging en een juiste ademhaling; dit bevordert de opname van zuurstof en de doorbloeding van de hersenen.

Schakel externe afleiders uit

Zet je smartphone, pc en/of internet uit als je dit niet nodig hebt tijdens het studeren. Als het internet noodzakelijk is om je huiswerk te verrichten kun je niet anders, maar in andere gevallen zet je beter je internet uit. Facebook, Twitter of andere interessante websites leiden je af van je huiswerk. Maak duidelijke afspraken met je familie en vrienden. Maak hen duidelijk wanneer je studeert en liever niet gestoord wordt (hang bijvoorbeeld je planning op in de keuken, vertel je vrienden wanneer je niet bereikbaar bent).


Enkele tips voor docenten
Hier volgen enkele tips voor docenten om de concentratie van leerlingen te verhogen:

Door focus aan te brengen, het aanbrengen van focus kan worden versterkt door:
  • Leerlingen vooraf een opdracht te geven
  • Een haalbaar doel te formuleren; hierdoor wordt de aandacht gericht op datgene wat nodig is

Zorg voor herhaling / oefenenOm ervoor te zorgen dat leerstof goed te onthouden, moet er voldoende herhaling van de leerstof plaatsvinden. Hier volgen een aantal tips:
  • Koppel herhaling aan variatie, waardoor er steeds een nieuwe uitdaging is voor de hersenen.
  • Veel herhaling / oefenen is belangrijk, maar wel zo veel mogelijk in verschillende soorten situaties om voldoende wendbaarheid van denken en handelen te kunnen ontwikkelen.
  • Moedig oefenen aan in plaats van het resultaat.

Bevorder emoties en emotionele betrokkenheidPrikkel emoties en emotionele betrokkenheid door:
  • Nieuwsgierigheid op te wekken.
  • Onverwachte beloningen.
  • Complimenten en positieve feedback geven.
  • Het geluksgevoel van een goed uitgewerkte opdracht.

Wees een rolmodel.
  • Geef een demonstratie van een handeling. Maak gebruik van de werking van het afkijken.
  • Gebruik voorbeeldgedrag van de docent.

Zoek naar voorbeelden.
  • Activeer voorkennis.
  • Zorg voor uitgewerkte voorbeelden als leerlingen beschikken over weinig voorkennis.

Gebruik alle zintuigenHet is belangrijk om tijdens het onderwijs de verschillende zintuigen te prikkelen.
  • Presenteer bij voorkeur met beeld en geluid.
  • Zorg voor een mooie verpakking van de lesstof.

Actief aan de slagEen krachtige leersituatie heeft een aantal belangrijke kenmerken:
  • Laat leerlingen actief aan de slag gaan om de leerstof te verwerken.
  • Houd leerlingen flexibel door hen regelmatig iets nieuws te laten doen.

zondag 16 februari 2014

Tips voor leerwerk en maakwerk


Tips voor leerwerk 
In de onderstaande tekst staan een aantal effectieve leerstrategieën. Een aantal effectieve methoden om beter te kunnen onthouden:

  • Hardop lezen
  • Mindmap maken (Mindmap maken. Een goede mindmap geeft een overzichtelijk beeld van de leerstof, doordat de relaties en het onderscheid tussen hoofd- en bijzaken duidelijk wordt.)
  • Tekeningen (doodles) maken tijdens het luisteren
  • Aantekeningen maken
  • Ezelsbruggetjes maken
  • Rijmen / muziek / cadans / ritme
  • Herhalen
  • Een verhaal maken van dingen die je wilt onthouden
  • Nog beter een verhaal maken van dingen met beelden die je wilt onthouden
  • Associatie of metafoor bedenken
  • Schema’s maken
  • Samenvattingen maken (Maak een samenvatting. Belangrijk is wel dat je kind de stof niet gedachteloos gaat overschrijven. Zorg dat je kind hoofd- en bijzaken onderscheidt in een samenvatting.)
  • Proeftoets maken / proefvragen maken (De vraaganalyse. Laat je kind zelf een toets in elkaar zetten.)
  • Kaartjes maken. Op de voorkant een woord, zinnetje, jaartal , begrip enz. en op de achterkant de vertaling.


PS Het leren wordt positief ondersteund door naar klassieke barokmuziek luisteren (zoals Mozart, Bach, Vivaldi).


Tips voor maakwerk:
  • Eerst leerwerk, dan maakwerk
  • Onderschat het maakwerk niet!
  • Goed nakijken
  • Zorg voor een stille en goede leeromgeving

Het puberbrein

De hersenen van pubers zijn nog niet volgroeid. Dat maakt dat een puber:
  • zich meer laat leiden door emotie dan door ratio,
  • nog geen helikopterview heeft,
  • extra gevoelig is voor beloning op korte termijn,
  • moeilijk kan inschatten wanneer hij of zij hulp nodig heeft,
  • zich moet ontwikkelen t.a.v. reflecteren en ethisch bewustzijn en
  • een lage impulscontrole heeft.
  • behoefte heeft aan voorbeelden en rolmodellen