woensdag 22 januari 2014
10 tips om mensen te motiveren
10 tips om mensen te motiveren:
- creëer een nood. Mensen worden sneller gedreven vanuit angst of gebrek, dan vanuit een positieve behoefte.
- spreek hen aan op hun persoonlijke verantwoordelijkheid
- creëer interesse en houd die levendig
- pas toe in het leven. Levensechte voorbeelden en toepassingen verhogen de motivatie.
- geef complimenten en aanmoediging
- zorg voor gezonde competitie
- straal zelf enthousiasme uit
- erken de waarde van interne motieven van deelnemers
- stimuleer interpersoonlijke relaties
- geef deelnemers de keuze
Flashcards - Snel en gemakkelijk woordjes leren
Sommige leerlingen vinden het lastig om woordjes te leren, vooral als het er veel tegelijk zijn. Ga dan met “flashcards” te werken. Flashcards zijn (geheugen)kaartjes waarop je aan de ene kant het vreemde woord schrijft en op de andere kant de Nederlandse betekenis.
Stappenplan
- Knip een aantal A4-vellen in stukken.
- Noteer op de ene kant van de flashcard het vreemde woord en op de andere kant de Nederlandse betekenis.
- Tel het aantal kaartjes dat je gemaakt hebt.
- Hussel de kaartjes een aantal keer.
- Je kunt dan stapeltjes maken van de woorden die je al kent en van de woorden die je nog niet kent.
- Je ziet dan heel snel effect, omdat de stapel met woorden die je kent steeds groter zal worden.
De voordelen van flashcards
- Het grote voordeel van deze leermethode is dat je jezelf constant kunt overhoren en dat je de woordjes op een andere volgorde leert dan in het boek.
- Je kunt de kaartjes overal mee naartoe nemen, waardoor je ook zonder het boek nog even alles kunt doornemen.
- Flashcards zijn ook zeer geschikt om andere stof mee te leren zoals begrippen, jaartallen of wiskundige formules.
zondag 19 januari 2014
Welke leervaardigheden pas ik goed toe?
Afvinklijst - "Welke leervaardigheden
pas ik goed toe?"
0. Motivatie
o
is
nieuwsgierig naar de mogelijkheden die de opdracht heeft
o
heeft een
actieve leerhouding; komt met ideeën en probeert zoveel mogelijk te
realiseren
o
ziet
feedback als kans om te leren en niet als een bedreiging
o
heeft
belangstelling voor actuele ontwikkelingen in het onderwerp van de opdracht
o
neemt
uitdagingen aan die buiten eerdere ervaringen liggen
o
doet wat
hij zegt: komt beloften en afspraken na; voelt zich verantwoordelijk voor de
opdracht
|
1. Zelfkennis over
leren
o
herkent en
benoemt zijn sterktes en zwaktes en zet zijn of haar talenten in bij het
werken aan de opdracht.
o
communiceert
over de voor hem of haar meest geschikte plaats en tijd om te werken en leren
|
2. Zelfsturing
o
kan
zelfstandig werken
o
noteert
opdrachten en afspraken en heeft deze bij zich tijdens werkoverleg
o
gebruikt
deze informatie om een planning op te stellen.
o
maakt een
realistische inschatting van welke middelen/werkwijzen bruikbaar zijn
o
leeft de
afspraken na wat betreft vorm/werkwijze en tijdstip.
o
gaat na of
de doelen zijn gehaald en de inhouden, middelen en werkmethodiek bruikbaar
zijn gebleken;
o
verklaart
waarom het resultaat afwijkt van/ voldoet aan het gestelde doel
o
kan het
eigen leerproces beoordelen en eventueel verbetervoorstellen doen
o
kan een
urenverantwoording bijhouden en overleggen
|
3. Samenwerken
o
vraagt hulp
aan medeleerling of docent bij onduidelijkheden
o
staat open
voor feedback van
o
geeft
opbouwende feedback aan medeleerling
o
maakt in
onderling overleg een taakverdeling.
o
legt samen
afspraken vast rond tijdstip, vorm en werkwijze
o
leeft de
afspraken ten aanzien van de eigen bijdrage na.
o
communiceert
over zijn frustraties/ervaringen tijdens het groepswerk
o
communiceert
over de eigen geleverde bijdrage
|
4. Analyseren –
relateren – structureren
o
onderscheidt
de belangrijke zaken van de minder belangrijke.
o
zoekt
verbanden tussen onderdelen van de opdracht
o
haalt de
essentie uit de opdracht
|
5. Concretiseren
o
past de
verwerkte informatie zinvol toe bij het daadwerkelijk realiseren van de
onderdelen van de opdracht
o
bereidt een
real-life event voor, voert het enthousiast uit en verantwoordt de
resultaten.
o
experimenteert
met de mogelijkheden die de opdracht biedt.
o
geeft
concrete mogelijkheden waarop de opdracht betrekking heeft
o
past zijn
of haar kennis, inzichten en vaardigheden toe in het werken aan de opdracht.
|
6. Kritische verwerking
o
ontwikkelt
een eigen mening ten aanzien van de opdracht.
o
accepteert
de informatie niet zonder meer
o
kan zijn
mening met duidelijke argumenten onderbouwen en hierover in discussie gaan
met anderen en de opdrachtgever
o
denkt
kritisch na over eigen producten
o
raadpleegt
altijd meerdere bronnen om informatie te verzamelen
o
kan de
kennis die gevonden is verwerken in een document en dit geordend presenteren
aan anderen.
|
|
0. Motivatie
Motivatie loopt als rode draad door deze
leervaardigheden:
Motiveren is de wil om te leren en te blijven leren. Motivatie
bevordert het leergedrag en leervermogen zoals emoties opwekken: positieve
gevoelens zoals zelfvertrouwen, betrokkenheid en enthousiasme opwekken en in
stand houden en omgaan met negatieve emoties.
·
heeft
juiste succesverwachtingen
·
is
bereid om…
·
ziet
relevantie van ….
·
heeft
vertrouwen in…
·
ziet
opbrengsten vanuit
|
VO: Voortgezet
Onderwijs:
ziet feedback als kans om te leren en niet als een
bedreiging gaat na wat zijn eigen capaciteiten zijn met betrekking tot de leerstof
is gemotiveerd om van zijn eigen ervaringen te leren.
|
|
1. Zelfkennis
over leren
Kennis over de eigen leerstijl:
over de manier waarop men het leren aanpakt
·
heeft zicht op sterktes en zwaktes in eigen leren
·
kent zijn eigen leerstijl
·
weet in welke situaties hij het beste kan leren.
·
heeft een realistisch zelfbeeld ontwikkeld op basis van
betrouwbare gegevens en kan daarover communiceren
·
kan communiceren over eigen interesses, capaciteiten en
waarden.
|
VO:
·
herkent en benoemt zijn sterktes en zwaktes.
·
kent de situatie (tijd/plaats) waarin hij gestimuleerd
wordt om te leren.
·
creëert op basis van zijn kennis over de voor hem
stimulerende situatie een geschikt leerklimaat.
·
kent verschillende leerstijlen.
·
is bereid zijn leerstijl zo nodig aan te passen met het
oog op de te bereiken doelen.
·
communiceert over zijn leerstijl.
|
|
2. Zelfsturing
Zijn studie zelf in handen
nemen en houden, de organisatie ervan:
oriënteren: kan zelf vaststellen wat hij met de uitvoering van
een taak moet bereiken (doel), hoe hij de taak moet aanpakken (welke
hulpmiddelen; hoe aansluiten bij voorkennis).
plannen: kan een plan maken over de wijze waarop hij een taak
aanpakt, de benodigde tijd inschatten en het resultaat van het werk
beschrijven.
bijsturen: een taak verloopt zelden zoals gepland en verwacht.
Hij kan een planning bijstellen en alternatieve leeractiviteiten kiezen.
reflecteren:
Kan overdenken wat er tijdens het leren is gebeurd en kan nadenken over zijn
eigen leerervaring bij samenwerking en taakverdeling.
|
VO:
kan zelfstandig werken
(docent bepaalt wat en hoe geleerd wordt en de doelen);
kan zelfstandig leren (docent
bepaalt de inhoud en de doelen, student het hoe);
oriënteren:
·
selecteert en
raadpleegt diverse informatiebronnen en kanalen met het oog bruikbaarheid
voor de te bereiken doelen.
·
verzamelt al
observerend informatie.
een realistische werk- en
tijdsplanning maken op korte en lange re termijn.
·
noteert
opdrachten/ uurrooster/lesomschrijving/…
·
gebruikt deze
informatie om een planning op te stellen.
·
maakt een
realistische inschatting van welke middelen/werkwijzen bruikbaar zijn
·
kiest
middelen/werkwijze om de planning uit te voeren.
·
leeft de
afspraken na wat betreft vorm/werkwijze en tijdstip.
reflecteert over zijn
leerproces, beoordeelt de doelmatigheid en stuurt zonodig bij:
·
gaat na of de
doelen zijn gehaald en de inhouden, middelen en werkmethodiek bruikbaar zijn
gebleken;
·
gaat na of hij
zijn afspraken wat betreft vorm, werkwijze en tijdstip gehaald heeft.
·
gaat na of het
resultaat overeenkomt met de verwachtingen.
·
verklaart
waarom het resultaat afwijkt van/ voldoet aan het gestelde doel
·
past zonodig de
middelen/werkwijze/tijdschema aan om het vooropgestelde doel te bereiken
·
trekt
toekomstgerichte conclusies uit leerervaringen.
·
communiceert
over zijn planning, reflectie en bijsturing.
·
kan
communiceren over zijn ervaringen en gevoelens tijdens het leerproces
·
kan het eigen
leerproces beoordelen en eventueel verbetervoorstellen doen
|
|
3. Samenwerken
Leren van elkaar en met
elkaar:
kennis
vaardigheden, ook sociale
houdingen en waarden
Hiermee positief effect op:
Kennisconstructie
Motivatie
Sociale vaardigheden
Leren leren
samenwerken: denkt samen dóór over wat gezegd is, toegepast of
beantwoord moet worden en vormt zich daarover een mening. Analyseert samen een
complexe situatie, beziet een kwestie van verschillende kanten, krijgt een
theorie helder of analyseert een lastig probleem en lost dit op.
Het samenwerken is gericht op
het bereiken van gemeenschappelijke doelen en daarom is er tussen de lerenden
wederzijdse afhankelijkheid
|
VO:
elkaar verduidelijking
geven:
·
vraagt hulp aan
medestudent of docent bij onduidelijkheden
·
beantwoordt
vragen van medestudenten
elkaar feedback geven over
gemaakte opdrachten:
·
staat open voor
feedback van medestudenten
·
geeft
opbouwende feedback aan medestudenten
efficiënt samenwerken aan
een groepswerk:
·
maakt in
onderling overleg een taakverdeling.
·
legt samen
afspraken vast rond tijdstip, vorm en werkwijze
·
leeft de
afspraken ten aanzien van de eigen bijdrage na.
·
spreekt anderen
aan op hun beloofde afspraken.
·
communiceert
over zijn frustraties/ervaringen tijdens het groepswerk
·
communiceert
over de eigen geleverde bijdrage
|
|
4, analyseren – relateren
– structureren
De delen zien
Verbanden leggen:
tussen de leerstof en wat je
al weet (uit andere vakken, uit eerdere hoofdstukken, uit ervaring)
tussen de details en de grote
lijnen van de leerstof
Overzicht hebben
|
VO:
·
onderscheidt de
belangrijke zaken van de minder belangrijke.
·
herhaalt
basisideeën van de les.
·
maakt overzicht
schema’s van de leerstof.
·
bedenkt
voorbeelden bij de leerstof steunende op zijn ervaring.
·
zoekt verbanden
tussen onderdelen van de leerinhoud en het grotere geheel
·
haalt de
essentie uit de leerstof
|
|
5. Concretiseren
concrete situaties aangeven
waarop de leerstof betrekking heeft
voorbeelden geven
de leerstof ‘toepassen’,
gebruiken in het dagelijks leven en in beroepssituaties
|
VO
·
past de
verwerkte informatie zinvol toe in soortgelijke situaties.
·
bereidt een
onderzoek of practicum voor, voert het uit en verantwoordt de resultaten.
·
experimenteert
met de leerstof.
|
|
6. Kritische verwerking
De leerstof niet zonder meer
accepteren
zijn argumenten met die van
anderen vergelijken
aangeven van alternatieven,
ontwikkelen van een eigen visie
De lerende die de leerstof
kritisch verwerkt,
double loop (kritische
reflectie, doordenken van beslissingen, leren van fouten)
informatiebronnen kritisch
selecteren en verwerken Kennis is informatie waar de lerende een eigen
betekenis en een eigen invulling aan heeft gegeven. Kennis is dus informatie
die iemand zich "eigen" heeft gemaakt
het vermogen tot kritische
reflectie: wat is de waarde van het geleerde voor jezelf?
|
·
maakt
onderscheid tussen feiten en meningen/ standpunten en argumenten.
·
selecteert en
brengt bronnen samen op een kritische manier
·
weet de
verschillende informatiebronnen op juistheid en berouwbaarheid te schatten
·
ontwikkelt een
eigen mening ten aanzien van het behandelde onderwerp.
|
Beelddenkers - visual-spatial learners
|
Beelddenker:
[visueel
ruimtelijk]
|
Woorddenker:
[auditief
volgorderlijk]
|
|
Sterke rechter hersenhelft
|
Sterke linker hersenhelft
|
|
Denkt primair in beelden
|
Denkt primair in woorden
|
|
Is visueel sterk
|
Is auditief sterk
|
|
Kan goed met ruimte omgaan
|
Kan goed met tijd omgaan
|
|
Leert vanuit overzicht
|
Leert stapje voor stapje
|
|
Begrijpt het meteen of (nog) niet
|
Leert met vallen en opstaan
|
|
Begrijpt complexe concepten makkelijk, heeft
moeite met eenvoudige taken
|
Presteert goed als moeilijkheidsgraad geleidelijk
wordt verhoogd
|
|
Is goed in synthese, samenvoegen, verbanden
leggen
|
Is een analytische denker
|
|
Werkt vanuit het grote beeld, kan details over
het hoofd zien
|
Werkt vanuit onderdelen naar het geheel. Schenkt
aandacht aan details
|
|
Kan goed kaart lezen
|
Volgt mondelinge instructies goed op
|
|
Is beter in wiskundig redeneren dan in cijferen
|
Kan goed rekenen
|
|
Leert hele woorden gemakkelijk
|
Kan klanken gemakkelijk leren
|
|
Moet woorden visualiseren alvorens ze te kunnen
spellen
|
Kan woorden spellend uitspreken
|
|
Geeft de voorkeur aan toetsenborden om te
schrijven
|
Kan snel en netjes schrijven
|
|
Ordent en organiseert op geheel eigen wijze
|
Is goed georganiseerd
|
|
Vindt intuïtief de juiste oplossing
|
Kan stappen in het werk makkelijk verduidelijken
|
|
Leert het beste door verbanden te zien
|
Kan goed uit het hoofd leren, stampen
|
|
Goed visueel lange termijn geheugen
|
Goed auditief korte termijn geheugen
|
|
Leert concepten voor de eeuwigheid, haakt af bij
stampwerk en herhaling
|
Heeft soms herhaling nodig om het geleerde te
blijven onthouden
|
|
Ontwikkeld eigen methoden om problemen op te
lossen
|
Leert goed via instructie
|
|
Is erg gevoelig voor de houding van de leraar
|
Leert onafhankelijk van emotionele reacties
|
|
Bedenkt bijzondere oplossingen van problemen
|
Voelt zich goed bij één juist antwoord
|
|
Ontwikkelt zich asynchroon (onevenwichtig)
|
Ontwikkelt zich redelijk evenwichtig
|
|
Kan erg onregelmatige cijfers halen
|
Haalt in de regel hoge cijfers
|
|
Geniet van meetkunde en natuurkunde
|
Geniet van algebra en scheikunde
|
|
Leert de talen op locatie door onderdompeling
|
Leert de talen in de klas/les door onderwijs
|
|
Is creatief, ambachtelijk, technologisch
emotioneel of spiritueel begaafd
|
Is academisch getalenteerd
|
|
Is een laatbloeier
|
Is een vroegbloeier
|
Ways elementary school teachers can help
visual-spatial learners:
1. Reading: The lucky ones teach themselves
how to read before they go to school. They need meaning, and respond to
language experience and whole language approaches. They do not learn by phonics
alone, and they cannot divide a word like “bat” into three sounds and then
blend the sounds together. They can grasp prefixes, roots and stems early on.
They also can learn basic phonics rules.
2. Spelling: Write each spelling word on a
sheet of paper using different colours and big letters. The learner looks at the
word, closes eyes and visualizes the word, spells it orally backward and
forward, then writes it forward.
3. Put spelling words and other assignments
on hand-outs. Do not expect them to copy correctly from the chalkboard or take
letter-by-letter dictation correctly.
4. Have the learner sit in front of the
room to minimize distractions but at least four to six feet from the
chalkboard.
5. Give oral tests and untimed tests.
6. Find ways other than writing by hand for
the learner to demonstrate competency. Give two grades on papers - one for
content and one for mechanics.
7. Pause during verbal presentations so the
learner can visualize what was said.
8. Use rhythm and music to enhance
learning.
9. Allow the learner to tape lectures and
discussions.
10. Inform a parent if assignments are not
being turned in or classwork is not being done and see if brainstorming together
produces a solution.
11. Relish and reward diversity and
divergent thinking.
Abonneren op:
Posts (Atom)





