dinsdag 9 februari 2016

Wel of niet betrokken te zijn bij de school van hun kind

Peetsma en Blok (Onderwijs op maat en ouderbetrokkenheid; het integrale eindrapport, 2007) zien de betrokkenheid van ouders bij hun kind als iets natuurlijks waaruit vanzelfsprekend consequenties voortvloeien met betrekking tot de opleiding en het onderwijs van de kinderen. 

Ze beschrijven drie factoren die het besluit van ouders beïnvloeden om wel of niet betrokken te zijn bij de school van hun kind. 

1 - De wijze waarop ouders hun eigen rol zien. 

2 - De vraag of ouders het gevoel hebben dat ze hun kind kunnen helpen slagen op school.

3 - De mate waarin de school ouders stimuleert om betrokken te zijn bij school.


[ Bron; http://www.nro.nl/wp-content/uploads/2014/11/Onderwijs-op-maat-en-ouderbetrokkenheid.pdf ] 

Model van Joyce Epstein

Het model van Joyce Epstein (School, Family, and Community Partnerships - 2010) biedt de mogelijkheid ouderbetrokkenheid, oftewel partnerschappen tussen school en ouders, te bevorderen voor alle typen gezinnen (Huss -Keeler, 1997). Het is heel belangrijk dat leerkrachten ouders betrekken bij de school (Balli et al., 1998; Conley, 1993; Dauber & Epstein, 1993; Seitsinger et al., 2008). In het model wordt, net als in dit onderzoek, vooral uitgegaan van wat de school kan doen om voor meer ouderbetrokkenheid te zorgen (Fan & Chen, 2001; Kohl et al., 2000). Zoals eerder bleek, hangt de definitie van ouderbetrokkenheid van Epstein (1995, 2010) sterk samen met veel andere bestaande definities. Ook is eerder weergegeven dat het model een groot en veelgebruikt model is. Gezien al deze redenen zal het model van Epstein (School, Family, and Community Partnerships - 2010) in dit gehele onderzoek terug te vinden zijn.

Volgens Epstein (School, Family, and Community Partnerships - 2010) spelen leerkrachten een belangrijke rol in het bepalen van de mate van ouderbetrokkenheid bij de school. Ze kunnen ouderbetrokkenheid verhogen middels het implementeren van zes typen activiteiten voor de betrokkenheid van het gezin. Binnen activiteiten omtrent ouderbetrokkenheid, die door scholen worden ingezet, is sprake van overlap tussen de verschillende typen van ouderbetrokkenheid. Ieder van deze zes typen bevat specifieke uitdagingen en scholen dienen, middels de zes typen en hun uitdagingen, ouderbetrokkenheid af te stemmen op de behoeften van de leerlingen en hun ouders (Epstein, School, Family, and Community Partnerships - 2010).



Epstein onderscheidt zes verschillende vormen die scholen kunnen inzetten om de betrokkenheid van ouders bij het onderwijs te bevorderen:
Ouders bijstaan in opvoedingsactiviteiten
Ouders informeren over school
Ouders betrekken bij vrijwilligerswerk op school
Ouders betrekken bij huiswerkopdrachten
Ouders betrekken bij beslissingen op schoolniveau
Ouders een rol geven bij de samenwerking tussen school en de samenleving
  



Opvoeding: ondersteuning ouders
Het eerste type is ouderschap, oftewel alle ouders helpen een leerrijke thuisomgeving te creëren. Uitdagingen hierbij zijn: het verschaffen van informatie aan alle ouders die dat willen of nodig hebben en dus niet alleen aan de weinige ouders die bijeenkomsten op school bijwonen; gezinnen in staat stellen informatie te delen met school over cultuur, achtergrond en de talenten en behoeften van kinderen; ervoor zorgen dat alle informatie voor en van gezinnen duidelijk en bruikbaar is en dat het in verband wordt gebracht met het schoolsucces van kinderen.

Communicatie: school en ouders
Het tweede type is communiceren, wat inhoudt dat effectieve manieren ontworpen worden voor de communicatie tussen school en ouders. De bijbehorende uitdagingen zijn: de leesbaarheid, duidelijkheid, vorm en frequentie van alle memo's, aankondigingen en andere verbale en non-verbale communicatie waarborgen; rekening houden met ouders die niet goed Nederlands spreken/lezen of grotere afgedrukte letters nodig hebben; waarborgen van de kwaliteit van de grote manieren van communicatie (nieuwsbrieven, schoolrapporten, enzovoort); zorgen voor een duidelijke tweeweg - communicatie van huis naar school en van school naar huis.

Vrijwilligerswerk: klusjes
Het derde type betreft vrijwilligerswerk, oftewel het werven en organiseren van ouders om de school te helpen en leerlingen te ondersteunen. Uitdagingen bij dit type zijn: het werven van vrijwilligers op grote schaal, zodat alle gezinnen weten dat hun tijd en talenten welkom zijn; en flexibele schema’s maken voor vrijwilligers, bijeenkomsten, en evenementen om het voor ouders die werken mogelijk te maken deel te nemen.

Thuis leren /huiswerk: ondersteuning leeractiviteiten
Als vierde type kan de school zich bezighouden met thuis leren, wat het helpen van ouders met informatie en ideeën voor huiswerkbegeleiding thuis inhoudt. Uitdagingen hierbij zijn: het ontwerpen en organiseren van een regelmatig schema voor interactief huiswerk; het coördineren van gezinsgerelateerde huiswerkactiviteiten, met name wanneer leerlingen verschillende leerkrachten hebben; en het betrekken van gezinnen en hun kinderen in alle belangrijke curriculum -gerelateerde beslissingen.

Nemen van beslissingen: medezeggenschapsraad, ouderraad, bestuur
Het vijfde type is het nemen van beslissingen, oftewel ouders in de school betrekken bij het nemen van beslissingen en de ontwikkeling van ouders als leiders binnen de school. De bijbehorende uitdagingen zijn: ouderleiders betrekken uit alle raciale, etnische, sociaaleconomische en andere groepen in de school; trainingen aanbieden om het voor leiders mogelijk te maken te dienen als vertegenwoordigers van andere gezinnen, met inbreng en terugkeer van informatie aan alle ouders; en leerlingen betrekken (samen met hun ouders) in de groepen die besluiten nemen.

Samenwerken met de gemeenschap: buurt
Het zesde type betreft samenwerking binnen de gemeenschap, oftewel het identificeren en integreren van middelen en diensten van de gemeenschap om de relatie tussen school, leerlingen en ouders te vergroten. Uitdagingen bij dit type zijn: het bespreken van de verdeling van verantwoordelijkheden, middelen, personeel en locaties voor gezamenlijke activiteiten; gezinnen informeren over programma’s van de gemeenschap voor leerlingen, zoals bijles; het zorgen voor gelijke kansen voor leerlingen en gezinnen wat betreft het meedoen in programma’s van de gemeenschap en het verkrijgen van diensten; en diensten integreren voor kind en gezin in het onderwijs.

zaterdag 30 januari 2016

De drie pijlers van het tweetalig onderwijs (TTO)

Tweetalig onderwijs rust op drie pijlers: 

  1. kennis van Europa en de rest van de wereld (EIO), 
  2. een eigen didactiek (CLIL) en 
  3. een kwaliteitsstandaard voor scholen. 

Standaard-tweetalig-onderwijs-engels-havo-vwo.pdf

Starten-met-tweetalig-onderwijs-checklist.pdf

CLIL: de didactiek achter tweetalig onderwijs

CLIL staat voor Content and Language Integrated Learning. Het is dé didactiek achter tweetalig onderwijs. De belangrijkste kenmerken ervan zijn:

De vakdocent is ook taaldocent
Vakdocenten zijn medeverantwoordelijk voor de taalverwerving van de leerlingen. Zij geven feedback op presentaties, opdrachten en werkstukken, maar óók op de taal. Dat begint doorgaans met eenvoudige correcties en ontwikkelt zich na verloop van tijd tot een serieuze bijdrage aan de taalontwikkeling en woordenschat van leerlingen. De vakdocent maakt leerlingen bovendien wegwijs in de taal die bij een specifiek vak hoort.

Activerende werkvormen
Tweetalig onderwijs vergt een communicatieve instelling van de docent. Hij laat leerlingen niet alleen luisteren, maar vooral ook spreken en schrijven, zodat ze actief met de taal aan de slag gaan. Er is veel ruimte voor interactie in de les. Dat gaat verder dan “overleg maar even met elkaar”. Het lesmateriaal en de opdrachten moeten worden aangepast aan deze communicatieve benadering.

bron: https://www.epnuffic.nl/bestanden/documenten/starten-met-tweetalig-onderwijs-checklist.pdf

Tweetalig onderwijs (tto)

Tweetalig onderwijs (tto) is bezig aan een opmars in Nederland. Maar wat houdt tto nu eigenlijk in? En wat is het verschil met de andere veelgehoorde afkorting CLIL? In dit artikel geeft Rick de Graaff, hoogleraar Tweetalig Onderwijs, antwoord op deze vragen. Het artikel is gebaseerd op zijn oratie, uitgesproken bij de aanvaarding van de leeropdracht ‘Tweetalig Onderwijs’ aan de Universiteit Utrecht op donderdag 3 oktober 2013.

Tto zit in de lift. In Nederland zijn er op dit moment 123 scholen voor tweetalig onderwijs. Die bieden 115 tweetalige programma’s aan op vwo-niveau, 45 op havoniveau, en 22 op vmbo-niveau. Dat wil zeggen dat van de vwo’s ongeveer 1 op de 5 een tweetalige stroom aanbiedt, meestal naast een reguliere stroom. Op tweetalige scholen is een tweede taal de voertaal in een substantieel deel van het programma: op het havo en vwo minimaal 50 procent in de onderbouw, en zo’n 25 procent in de bovenbouw. In Nederland gaat dat in vrijwel alle gevallen om Engels; enkele scholen in de grensstreek gebruiken Duits als voertaal. Tweetalige scholen streven ernaar om leerlingen een hoger taalvaardigheidsniveau in de doeltaal te laten bereiken, zonder dat dit ten koste gaat van de vakinhoud of van het Nederlands, en om tegelijkertijd het onderwijs een internationale en interculturele dimensie te geven. De praktijk wijst uit dat dit werkt: leerlingen op deze scholen bereiken een hoog taalvaardigheidsniveau Engels, en hun examenresultaten voor de andere vakken en voor Nederlands zijn minstens zo goed als die van andere leerlingen. Dit weten we uit de visitaties die iedere paar jaar bij alle tweetalige scholen afgelegd worden, in opdracht van het Landelijk TTO Netwerk. De didactiek waarop het tweetalig onderwijs (tto) gebaseerd is, heet CLIL: Content and Language Integrated Learning. Laten we eens kijken naar de veelgebruikte definitie van Coyle, Hood en Marsh (2010, p. 1): Content and Language Integrated Learning is a dual-focused educational approach in which an additional language is used for the learning and teaching of both content and language. That is, in the teaching and learning process, there is a focus not only on content, and not only on language. Each is interwoven, even if the emphasis is greater on one or the other at a given time. Het gaat dus om het gebruik van een andere taal dan de moedertaal, meestal een vreemde taal voor de leerlingen, soms een regionale taal of juist de meerderheidstaal van het land. Essentieel is dat deze taal een nadrukkelijke plek heeft in het onderwijsprogramma: niet alleen als taal om geleerd te worden tijdens de taallessen, maar juist als taal om mee te leren tijdens de vaklessen en op andere momenten in het onderwijs. CLIL bestaat internationaal in vele vormen. Soms wordt de term tweetalig onderwijs of bilingual education gebruikt, soms immersion education. Immersie- of onderdompelingsonderwijs is historisch en wereldwijd eerder regel dan uitzondering: er zijn veel meer kinderen die onderwijs krijgen in een tweede taal dan in hun moedertaal. Maar bewuste keuzemogelijkheden om onderwijs in een vreemde taal te volgen zijn veel minder wijdverbreid, en specifieke didactieken die aandacht besteden aan taal en vakontwikkeling, zijn van recente datum. In Europa maakt sinds de jaren negentig tweetalig onderwijs een sterke groei door. In veel landen gaat het om Engels als doeltaal, tot 50 procent van het onderwijsprogramma, soms gegeven door native speakers, soms door speciaal opgeleide taaldocenten, vaak door vakdocenten die zich extra hebben bekwaamd in de doeltaal. In sommige landen zijn er taaldidactische nascholingsprogramma’s voor deze vakdocenten, maar lang niet overal. Meestal gaat het om voortgezet onderwijs, soms ook om basisonderwijs. In een aantal gevallen is er sprake van drietalig onderwijs, in de regionale taal, de landstaal en een vreemde taal. Onderzoek Taalvaardigheid In verschillende landen en contexten is onderzoek gedaan naar de didactieken en opbrengsten van tweetalig onderwijs. Onderzoek in Canada laat zien dat immersion of onderdompelingsonderwijs wel leidt tot sterke ontwikkeling van de receptieve vaardigheden lezen en luisteren, maar minder van de productieve vaardigheden spreken en schrijven (Lyster, 2007). Daar is wel een grote vooruitgang zichtbaar in fluency, maar relatief minder in complexity en accuracy. Lyster pleit daarom niet voor zomaar een ‘taalbad’, maar voor gerichte Focus on Form in de taal- en vaklessen. De CLIL-didactiek in het Nederlandse tto benadrukt het belang van Focus on Form bij feedback in de vaklessen. En ook in de lessen Engels in het tto is nadrukkelijk aandacht voor taalvorm. CLIL is dus veel meer dan immersion of een taalbad. Onderzoek van Marjolijn Verspoor en collega’s uit Groningen laat zien dat leerlingen in het tweetalig vwo zich sneller ontwikkelen op woordenschat en schrijfvaardigheid vergeleken met leerlingen uit het reguliere vwo. Daarbij is rekening gehouden met voorselectie van de leerlingen, op grond van hun Cito-score. Vooral in het eerste jaar ontwikkelen de tto-leerlingen zich sneller; daarna behouden ze hun voorsprong. Bij schrijfvaardigheid maken ze niet alleen minder fouten, ze gebruiken ook complexere zinnen, meer verschillende werkwoordsvormen en meer laagfrequente woorden, en meer uitdrukkingen en vaste woordcombinaties. Vakkennis Onderzoek in Nederland naar de vakkennis van tto leerlingen heeft zich vooral gericht op hun eindexamenresultaten. Uit het onderzoek van Huibregtse (2001) en uit visitatierapporten blijkt dat deze leerlingen zeker niet slechter presteren dan hun eentalig opgeleide medeleerlingen. Maar op de meeste scholen gaat het wel om vakken die in de bovenbouw inmiddels alweer drie jaar in het Nederlands zijn gegeven. We weten nog onvoldoende specifiek hoe deze leerlingen het doen aan het eind van de onderbouw. Scholen en leerlingen ervaren dat de tto-leerlingen prima kunnen meekomen in de vierde klas, wanneer tto- en niet-tto-leerlingen meestal weer samen les krijgen in het Nederlands. Maar of er in de tweede taal een ander soort kennisopbouw heeft plaatsgevonden dan in het Nederlands, daarover weten we nog onvoldoende. Naast inzicht in de taalvaardigheid en de vakkennis van tto-leerlingen onderzoeken we binnen de tto-lessen welke didactiek het verschil maakt. Ik belicht de volgende: gebruik van de doeltaal als voertaal door de docent en door de leerlingen; focus op inhoud en op taalvorm; focus op taal van het vak; feedback. Doeltaal als voertaal Door intensief de doeltaal als voertaal te gebruiken hebben de leerlingen veel intensiever contact met de doeltaal. Niet alleen tijdens de paar uur mvt-les per week, maar in het tto tijdens de helft van alle lessen. Hoe belangrijk is het dat het taalgebruik van de docent, en daarmee het taalaanbod voor de leerlingen, van native of near-native niveau is, ofwel, het taalgebruik van een moedertaalspreker benadert? Dat weten we nog onvoldoende. Wel weten we dat op de meeste tto-scholen maar een paar native-speaker-docenten werken en dat de taalvaardigheid Engels van de meeste vakdocenten heel behoorlijk is, maar niet altijd op near-native niveau. Maar toch bereiken op deze scholen de leerlingen een hoog taalvaardigheidsniveau. Of dat nog anders is als (bijna) alle vakdocenten native speakers zouden zijn, ook dat weten we nog niet. Doeltaalgebruik door de docent lokt ook doeltaalgebruik door de leerlingen uit. Hoewel er heel wat taaldocenten zijn die verzuchten dat leerlingen hardnekkig kunnen zijn in het weigeren om spontaan de doeltaal te gebruiken, zien we dat je in het tto wel degelijk een schoolklimaat kunt creëren waarin het gebruik van de doeltaal een vanzelfsprekendheid wordt. Zeker als leerlingen weten dat ze niet worden afgerekend op vormfouten, maar als het in de eerste plaats draait om betekenis en begrip. Output en interactie, is de boodschap, juist om creatief te zijn met beperkte taalmiddelen, om te merken wanneer je je wel en niet kunt uitdrukken zoals je zou willen en waar je wel en niet begrepen wordt. Focus on Form is daarbij een hulpmiddel, geen beoordelingsmiddel. Focus op inhoud en taalvorm Comprehensible input of begrijpelijk taalaanbod vormt een van de pijlers van taalverwerving. In het tto gaat het niet alleen om begrijpelijk, maar ook om te begrijpen taalaanbod, dat er voor de leerlingen werkelijk toe doet: zij moeten de docent en het lesmateriaal van geschiedenis, wiskunde of biologie wel begrijpen om de inhoud van het vak te kunnen volgen om te weten welke leeractiviteiten er van ze worden verwacht, om deel te nemen aan interactie in de klas of om zich effectief te kunnen voorbereiden op een toets. Oftewel, er is in vaklessen op natuurlijke wijze een Focus on Meaning, die in het mvt-onderwijs vaak niet vanzelfsprekend is. Focus op de taal van het vak Bij de taal van het vak gaat het niet alleen om woorden, maar ook om tekstsoorten. Historische teksten zitten anders in elkaar dan economische of scheikundige, en schoolboekteksten hebben andere kenmerken dan krantenartikelen, onderzoeksverslagen of voorlichtingsbrochures. Aandacht voor het begrijpen en ook het produceren van vakspecifieke tekstsoorten is daarom in iedere onderwijssituatie van belang, in eerste of tweede taal. Dan gaat het niet zozeer om verschillen in woordenschat, maar om zaken als argumenteren, onderbouwen, rapporteren. Voor een vakdocent vaak een vanzelfsprekendheid, maar voor een leerling beslist niet. En het is geen vanzelfsprekendheid dat vakdocenten binnen of buiten het tto gericht aandacht besteden aan deze talige vakkennis. Uit het taalgericht vakonderwijs (Elbers, 2012; Hajer & Meestringa, 2009) weten we dat het effectief is voor het leerproces om leerlingen bewust te maken van vakspecifiek taalgebruik. Feedback Met ‘als de boodschap maar overkomt’ kom je communicatief een heel eind. Maar om je taalgebruik verder te verdiepen en versterken zijn gerichte opdrachten en gerichte feedback nodig. Opdrachten om je bewust te worden van het specifieke jargon en de specifieke formuleringen en tekstsoorten van het vak, en om deze toe te passen in het eigen vakgerichte taalgebruik, mondeling en schriftelijk. Om te informeren, te argumenteren, te vergelijken, te beschrijven, te onderbouwen, te overtuigen. Maar ook opdrachten om zorgvuldig te formuleren wanneer dat ertoe doet, en daarbij effectieve feedback te kunnen krijgen. Feedback op inhoud en feedback op vorm, op zo’n manier dat de leerling daar wat mee kan in zijn taalleerproces en in zijn inhoudelijk leerproces. Iedere docent een CLIL-docent Taal- en vakontwikkeling gaan hand in hand. In een eerste taal net zoals in een vreemde taal. Dat maakt tto als onderwijsvorm en CLIL als didactiek niet tot een unieke, maar wel tot een heel relevante onderwijs- en onderzoeksomgeving. Onderzoek dat ook buiten het tto het onderwijs kan helpen versterken, in onderwijscontexten waar: • sprake is van ontwikkeling van kennis, vaardigheden en begrip van inhouden; • leerlingen cognitief uitgedaagd worden; • leren plaatsvindt in interactie in een communicatieve context; • de benodigde taalvaardigheden en -kennis daarvoor ontwikkeld worden; • aandacht is voor de eigen cultuur en die van anderen waarin leren en communicatie plaatsvinden. Maar gaat dit eigenlijk nog over tto? Of gaat het over goed inhoudelijk onderwijs door een goede focus op taal en communicatie? Ik stel daarom voor de veelgebruikte definitie van CLIL iets aan te passen, door de focus minder primair op taal te leggen, en door hem toepasbaar te maken voor alle taal waarin onderwijs wordt gegeven: eerste, tweede of vreemde. CLIL is a dual-focused educational approach with an additional focus on language for the learning and teaching of content, which also supports language learning. Dan is niet zozeer iedere docent een taaldocent, maar wel iedere docent een CLIL-docent. Ook iedere moedertaal- of vreemdetaaldocent, als we ons kunnen vinden in de volgende formulering: Language teaching is a dual-focused educational approach with an additional focus on content for the learning and teaching of language, which also supports content learning. Taalvaardigheid kun je immers niet ontwikkelen zonder inhoud om je te motiveren en om over te communiceren, of dat nu je dagelijks leven is, literatuur, grammatica, cultuur, actualiteit, of onderwerpen uit andere schoolvakken. 

Rick de Graaff is hoogleraar Tweetalig Onderwijs aan de Universiteit Utrecht en lector Taaldidactiek & Onderwijs aan de Hogeschool Inholland. 

Geraadpleegde literatuur en verdere informatie 
Coyle, D., Hood, P., & Marsh, D. (2010). CLIL: Content and language integrated learning. Cambridge: Cambridge University Press. Elbers, E. (2012). Iedere les een taalles? Taalvaardigheid en vakonderwijs in het (v)mbo: De stand van zaken in theorie en onderzoek. Utrecht & Den Haag: Universiteit Utrecht & PROO. Eurydice. (2006). Content and language integrated learning (CLIL) at school in Europe. Brussel: European Commission – Directorate-General for Education and Culture. Eurydice. (2012). Key data on teaching languages at school in Europe: 2012. Brussel: European Commission – Education, Audiovisual and Culture Executive Agency. Graaff, R. de. (2013). Taal om te leren: Didactiek en opbrengsten van tweetalig onderwijs. Oratie. Utrecht: Universiteit Utrecht. Hajer, M., & Meestringa, T. (2009). Handboek taalgericht vakonderwijs. Bussum: Coutinho. Huibregtse, I. (2001). Effecten en didactiek van tweetalig voortgezet onderwijs in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht. Lyster, R. (2007). Learning and teaching through languages: A counterbalanced approach. Amsterdam: John Benjamins. Verspoor, M., & Edelenbos, P. (2011). Tweetalig onderwijs zorgt voor een duurzame voorsprong. Levende Talen Tijdschrift, 12(4), 5–13.



EEN VOORBEELD VAN VAKGERICHTE FEEDBACK IN EEN TTO-LES: Een docent geschiedenis vraagt leerlingen om argumenten voor de overwinning van de Amerikanen in de Onafhankelijkheidsoorlog: 

T: Because… OK, arguments? 
L1: Because the Americans fought for themselves, for freedom, and I think the British also underestimated that, because they thought we are going to fight against a country who don’t have anything, so we’ll win this very easy. 
T: OK, ‘freedom, their own situation’ (schrijft op het bord). And that was important, you say, they fight for themselves, not for a government or whatever. OK, and you think that’s the final argument why the Americans had to win? OK. Bente? 
L2: Well, the Americans know, knew their country, so they could make traps and things like that. 
T: ‘The territory was their own’ (schrijft op het bord). OK. More? 
L3: For the British the supplies from home would take a very long time, and the Americans could just grab it from their eh … from their … 
T: From their own fields and barns, yeah. ‘No long supply routes’ (schrijft op het bord).


EEN VOORBEELD VAN VORMGERICHTE FEEDBACK IN EEN TTO-LES Dialoog tussen een tto-leerling uit een tweede klas en een docent aardrijkskunde aan het begin van de les: 

L: Sir? 
T: Good morning. 
L: I’ve made my homework, but I was so stupid I didn’t brought it with me from home. 
T: You didn’t do what? 
L: I did my homework, and I also know some answers in my head, because I did it yesterday. 
T: Oh, but you didn’t bring it? 
L: No, I didn’t bring it. 
T Okay, I’ll put it down, because that’s the second time for you, I think. 

Meer voorbeelden van interactie en feedback in tto-lessen zijn te vinden op https://www.leraar24.nl/dossier/3035#tab=0.



Bron: http://www.maaslandcollege.nl/home/images/bestanden/groep78/tto/media/taalomteleren.pdf

woensdag 25 november 2015

Hoe verbeter je de motivatie van een leerling?

Door het motivatiecontinuüm van Deci & Ryan wordt duidelijk dat motivatie meer is dan alleen de uitersten van totaal niet gemotiveerd zijn (amotivatie) en juist heel erg gemotiveerd zijn  (intrinsieke motivatie) om iets te doen. In de Self-Determination Theory (SDT) leggen Deci & Ryan uit dat er drie belangrijke pijlers zijn om tot intrinsieke motivatie te komen. Deze drie pijlers, of psychologische voorwaarden, zijn:


Competentie

De behoefte van personen, van leerlingen om grip te hebben op hun omgeving, om die omgeving te begrijpen. Zich competent voelen is dan vooral het gevoel hebben dat je iets kunt of beheerst, weet wat er van je wordt verwacht en waar je aan toe bent. Ook gaat het om het gevoel, de waarneming, dat je weet hoe met anderen in je omgeving om te gaan;


Competentie (vaak opgevat als structuur waarbij er heldere doelen en verwachtingen worden gesteld aan leerlingen waardoor zij beter in staat zijn een leeractiviteit uit te voeren / competent voelen / vraag: waar was dit kind goed in?). Leren verloopt makkelijker als de leerling voelt dat hij/zij vooruitgaat en competenter wordt. (Ik kan iets, ik heb succeservaringen, ik kan zelf het verschil maken).





Structuur: informatie die een leerling krijgt over wat er van hem/haar wordt verwacht in een les. Bijvoorbeeld door:

•Te vertellen over hoe de les eruit ziet,
•en welke leerstof aan bod komt,
•Aan te geven wat er van leerlingen wordt verwacht,
•en hoe ze dat kunnen bereiken,
•Werkwijzen die worden ingezet toe te lichten,
•Duidelijke instructie/uitleg te geven en oplossingswijzen voor te doen,
•Te checken wat leerlingen zelf al weten,
•Leerlingen te laten reflecteren op wat ze hebben geleerd,
•Zich responsief, vragend op te stellen naar leerlingen,


Autonomie

De behoefte van leerlingen om controle te hebben over en invloed te kunnen uitoefenen op hun omgeving. De behoefte om autonoom te kunnen handelen. Zich autonoom voelen heeft te maken met het gevoel hebben dat je mag kiezen, dat je iets zelf kunt bepalen, zelf zaken kunt/mag reguleren;


Autonomie (vaak opgevat als keuzevrijheid / zelf doen / vraag: waarin werd het kind belemmerd?) Leren verloopt makkelijker als veel autonomie / psychologische vrijheid wordt aangeboden. (Zelf in handen hebben, geen hulpeloosheid, mezelf mogen zijn, niet faken).





Stimuleren en ondersteunen van autonoom gedrag: de mate waarin een leerling het gevoel heeft zelf keuzes te mogen maken en hierin te worden ondersteund, bijvoorbeeld door:

•Leerlingen ruimte te geven opdrachten op hun eigen manier te maken,
•Waar mogelijk aan te sluiten bij eigen interesses van leerlingen,
•Een actieve leerhouding te stimuleren,
•Leerlingen altijd (de mogelijkheid tot) ondersteuning te geven bij
het uitvoeren van (zelf gekozen) opdrachten,
•Leerlingen aan te moedigen in groepen naar eigen keuze te werken,
•Leerlingen uit te nodigen kritisch en creatief na te denken over opdrachten,



Relatie

De behoefte van een persoon, een leerling bij de groep te horen en vervolgens het gevoel dat je erbij hoort, dat dit jouw klas is, en dat een ander, zoals bijvoorbeeld de leraar op jou betrokken is, dat je mag zijn wie je bent.


Relatie (vaak opgevat als het uiten van waardering voor de leerling / samen met anderen / vraag: wat had dit kind nodig?). Leren verloopt makkelijker als de leerling gesteund door anderen = ervaren van warmte en een hechte band (Ik kan rekenen op anderen, ik ben niet alleen, ik krijg erkenning).




Betrokkenheid op leerlingen te tonen, bijvoorbeeld door:

•Te laten merken het leuk te vinden aan alle leerlingen van de klas les te mogen geven,
•Op de hoogte te zijn van bijzondere gebeurtenissen van leerlingen,
•Te weten wat voor een leerling belangrijk is,
•Interesses van leerlingen kennen,
•Aandacht te hebben voor alle leerlingen in de klas,
•Namen van leerlingen kennen,
•Leerlingen te vertrouwen op hun inzet.

Leraren die hierin een goede balans weten te creëren en daarmee aan alle drie de basisbehoeften van leerlingen tegemoet komen zullen bij hun leerlingen meer taakbetrokkenheid en eigenaarschap van het leren (engagement) realiseren.

vrijdag 23 oktober 2015

What Do We Know About Economic Development?

What Do We Know About Economic Development? 
What Do We Know About Cities and Networks?
How are they linked?

Peter Gordon, USC Price.