Glynda Lee Hoffman spreekt tijdens een TEDx bijeenkomst over breinvriendelijk leren.
Jean Linden heeft een aantal Youtube video's gepubliceerd over breinvriendelijk leren.
Schoolniveau:
Onder de factoren op schoolniveau vallen die factoren die binnen het schoolbeleid aangesproken dienen te worden, omdat er actie nodig is van zowel leraren als directies / bestuurders. Er zijn vijf van die factoren: |
1. Haalbaar
en gedegen programma
2. Stimulerende
doelen en effectieve feedback
3. Betrokkenheid
van ouders en gemeenschap
4. Veilige,
ordelijke omgeving
5. Collegialiteit
en professionaliteit
|
Docentniveau:
De drie factoren op docentniveau gaan over zaken die onder de directe controle van de docenten vallen: |
6. Didactische
aanpak
7. Klassenmanagement
en pedagogisch handelen
8. Sturen
en herontwerpen programma
|
Leerlingniveau:
Tenslotte zijn er drie factoren op leerlingniveau. Ze refereren aan de kenmerken van de sociale achtergrond van de leerlingen: zaken die van belang zijn voor het schoolsucces, waarop de school - zelf en via de thuissituatie - een positieve invloed kan hebben. |
9. Sfeer
thuis
10. Achtergrondkennis
11. Motivatie
|
Factoren op schoolniveau
|
1. Een
haalbaar en gedegen programma betreft de mate waarin een school
omgaat met het linken van basisstof aan de les- en leerdoelen van de methode.
Welke leerstof is nu echt van groot belang en hoe registreert een leraar
deze? Hoe kan voldoende lestijd gecreëerd worden zodat de lesinhoud op een
adequate manier onderwezen kan worden?
|
2. Stimulerende
doelen & effectieve feedback beschrijft hoe en wanneer een leraar
of zorgcoördinator feedback geeft aan of over leerlingen over gestelde
doelen, kennis of vaardigheden. De gegevens worden vervolgens door de school
gebruikt om zowel specifieke prestatiedoelen voor de school te bepalen, als
specifieke leerdoelen voor de individuele leerlingen.
|
|
3. Betrokkenheid
van ouders en gemeenschap refereert aan structuren die gebruikt
worden om ouders en leden uit de schoolomgeving te betrekken bij zowel het
nemen van belangrijke beleidsbeslissingen, als bij de dagelijkse gang van
zaken op de school.
|
|
4. Een
veilige, ordelijke omgeving betreft de schoolregels en –procedures
die structuren en een gevoel van veiligheid creëren voor zowel leerlingen als
leraren.
|
|
5. Collegialiteit
en professionaliteit houdt in dat leraren zich professioneel blijven
ontwikkelen; zowel op teamniveau als individueel. Leraren werken
professioneel samen, houden werk en privé gescheiden en worden betrokken bij
belangrijke beleidsbeslissingen.
|
|
Factoren op het niveau van de docent
|
6. Didactische
aanpak neemt negen belangrijke didactische strategieën als
uitgangspunt voor een goede instructieles. Een goede instructieles is
efficiënt en biedt voldoende mogelijkheden tot differentiatie. Een efficiënte
leraar beschikt niet alleen over een uitgebreid repertoire aan didactische strategieën,
maar kan ook moeiteloos bepalen welke strategieën het best gebruikt kunnen
worden in combinatie met bepaalde leerlingen of bepaalde lesonderwerpen.
|
7. Klassenmanagement
en pedagogisch handelen bestaat uit twee aspecten:
a. Klassenmanagement = structuur: routines en regels in
de klas, omgaan met ongewenst gedrag,
b. Pedagogisch handelen = cultuur: de relatie leraar-
leerling en de mentale instelling van de leraar; de relatie met zichzelf.
|
|
8. Sturen en
herontwerpen van het programma slaat op de noodzaak dat de leraren
kunnen differentiëren; zowel op tempo als op niveau van de lesinhoud en het
werkelijke niveau van de leerlingen. Leraren weten wat de essenties van
leersof zijn, hanteren de technieken uit didactische aanpak en bieden
leerstof meervoudig aan. Deze leraarfactor maakt het verschil!
Kort samengevat; een goede leraar:
1. kan goed uitleggen = didactische aanpak
2. werkt vanuit een goede organisatie in zijn klas =
klassenmanagement
3. heeft een goede relatie met de leerlingen en met zichzelf
= pedagogisch handelen
4. differentieert = sturen en herontwerpen van het
programma
|
|
Factoren op het niveau van de leerling
|
9. Sfeer
thuis doelt op de acties die gezinnen kunnen ondernemen om het
schoolsucces van hun kinderen te ondersteunen. De school kan dat bijvoorbeeld
beïnvloeden door gesprekken thuis over wat er op school gebeurt te
stimuleren. Hiervoor zijn succesvolle programma’s bekend.
|
10. Geleerde
intelligentie en achtergrondkennis leert je meer en beter gebruik te
maken van de ervaringen en achtergronden waar leerlingen over beschikken. Een
leerling uit de binnenstad heeft vaak andere interesses dan een leerling van
het platteland. Ook speelt het stimuleren van de woordenschat een grote rol
in deze factor.
|
|
11. Motivatie
van de leerlingen is de mate waarin leerlingen geïnteresseerd zijn in
de onderwerpen die op school gepresenteerd worden, en de mate waarin ze het
gevoel hebben dat ze in staat zijn die informatie aan te leren. De algemene
motivatie van de leerlingen kan verhoogd worden als op school systematisch
aan bepaalde zaken wordt gewerkt.
|
Didactische strategie
|
Percentielwinst
|
Identificeren van overeenkomsten en verschillen
|
45
|
Samenvatten en notities maken
|
34
|
Inspanningen bevestigen en erkenning geven
|
29
|
Huiswerk en oefening
|
28
|
Nonverbale representatie
|
27
|
Coöperatief leren
|
27
|
Doelen stellen en feedback geven
|
23
|
Vragen formuleren en hypotheses testen
|
23
|
Voorkennis activeren met vragen,
aanwijzingen en kapstokken
|
22
|
1. Focus op het proces
|
Maak punten en resultaten minder belangrijk en richt je
op het proces dat het kind doormaakt. Prijs doorzettingsvermogen, de aanpak van
de leerling en zijn inzet. ‘Jammer dat je niet tevreden bent met die 6 voor dat
vak op je rapport. Want kijk eens: je hebt een “goed” voor inzet! Ik ben
hartstikke trots op je!’ Vraag de leerling regelmatig wat hij/zij geleerd
heeft en laat hem/haar vertellen hoe hij/zij dat voor elkaar heeft gekregen.
|
2. Focus op inspanning
|
Maak de leerling duidelijk dat het er niet om gaat de
beste, de snelste of de slimste te zijn, maar dat het gaat om de inspanning
die je levert om iets te bereiken. Richt je complimenten op hard werken en oefenen: ‘Als je net zo hard blijft oefenen
als vandaag, dan zul je zien dat je dit muziekstuk steeds beter gaat spelen!’
Zorg ervoor dat de leerling op school lesstof krijgt die is afgestemd op zijn
niveau, zodat hij dagelijks kan ervaren dat het leveren van inspanningen
noodzakelijk is om verder te komen. Vertel waar jijzelf moeite voor hebt moeten
doen en wat je daarmee hebt bereikt.
|
3. Focus op groei
|
Laat de leerling zien dat je gelooft in de
groeimogelijkheden van talenten en intelligentie en laat de leerling zijn
eigen groei ervaren: ‘Jammer dat je de toets niet hebt gehaald, maar kijk
eens: vorige keer had je er 8 goed en nu 15! Zie je hoe je vooruit bent
gegaan door extra hard te oefenen?’ Zorg dat de leerling zich niet vergelijkt
met anderen, maar zich richt op het verbeteren van zichzelf en het behalen
van zijn eigen doelen. En natuurlijk: ‘vier’ iedere vooruitgang die het kind
boekt door hard te werken.
|
4. Focus op leren
|
Sta model voor ‘een leven lang leren’ en vertel de
leerling hoe je jezelf steeds bent blijven ontwikkelen.
Geef de leerling mogelijkheden om nieuwe dingen te
leren, zonder dat hij/zij het gevoel heeft direct de beste te moeten zijn.
Geef de leerling inzicht in de vaardigheden die hij/zij nog moet ontwikkelen
(bijvoorbeeld zich concentreren of hulp durven vragen) en help hem/haar bij
het aanleren hiervan.
|
5. Focus op het leren van fouten
|
Maak van fouten leermomenten. Laat de leerling zien dat
ook jij geregeld fouten maakt en vertel wat je ervan hebt geleerd. Geef de
leerling de kans om fouten te maken, dus ruim niet alle obstakels voor hem
uit de weg. Help de leerling van een fout een leermoment te maken. Zoek samen
op welke fouten de held (sporter, popster e.d.) van de leerling heeft gemaakt
in zijn of haar carrière en ontdek hoe hij of zij daar beter van geworden is.
|
Structuur:
De behoefte van personen, van leerlingen om grip te hebben op hun omgeving, om die omgeving te begrijpen. Zich competent voelen is dan vooral het gevoel hebben dat je iets kunt of beheerst, weet wat er van je wordt verwacht en waar je aan toe bent. Ook gaat het om het gevoel, de waarneming, dat je weet hoe met anderen in je omgeving om te gaan;
Competentie (vaak opgevat als structuur waarbij er heldere doelen en verwachtingen worden gesteld aan leerlingen waardoor zij beter in staat zijn een leeractiviteit uit te voeren / competent voelen / vraag: waar was dit kind goed in?). Leren verloopt makkelijker als de leerling voelt dat hij/zij vooruitgaat en competenter wordt. (Ik kan iets, ik heb succeservaringen, ik kan zelf het verschil maken).
Structuur is informatie die een leerling krijgt over wat er van
hem/haar wordt verwacht in een les. Bijvoorbeeld door:
|
-Te vertellen over hoe de les eruit ziet en welke
leerstof aan bod komt,
-Aan te geven wat er van leerlingen wordt verwacht en
hoe ze dat kunnen bereiken,
-Werkwijzen die worden ingezet toe te lichten,
-Duidelijke instructie/uitleg te geven en
oplossingswijzen voor te doen,
-Te checken wat leerlingen zelf al weten,
-Leerlingen te laten reflecteren op wat ze hebben
geleerd,
-Zich responsief, vragend op te stellen naar
leerlingen,
|
Stimuleren en
ondersteunen van autonoom gedrag:
De behoefte van leerlingen om controle te hebben over en invloed te kunnen uitoefenen op hun omgeving. De behoefte om autonoom te kunnen handelen. Zich autonoom voelen heeft te maken met het gevoel hebben dat je mag kiezen, dat je iets zelf kunt bepalen, zelf zaken kunt/mag reguleren;
Autonomie (vaak opgevat als keuzevrijheid / zelf doen / vraag: waarin werd het kind belemmerd?) Leren verloopt makkelijker als veel autonomie / psychologische vrijheid wordt aangeboden. (Zelf in handen hebben, geen hulpeloosheid, mezelf mogen zijn, niet faken). |
-Leerlingen ruimte te geven opdrachten op hun eigen
manier te maken,
-Waar mogelijk aan te sluiten bij eigen interesses van
leerlingen,
-Een actieve leerhouding te stimuleren,
-Leerlingen altijd (de mogelijkheid tot) ondersteuning
te geven bij
het uitvoeren van (zelf gekozen) opdrachten,
-Leerlingen aan te moedigen in groepen naar eigen keuze
te werken,
-Leerlingen uit te nodigen kritisch en creatief na te
denken over opdrachten,
|
Betrokkenheid naar
leerlingen te tonen:
Relatie (vaak opgevat als het uiten van waardering voor de leerling / samen met anderen / vraag: wat had dit kind nodig?). Leren verloopt makkelijker als de leerling gesteund door anderen = ervaren van warmte en een hechte band (Ik kan rekenen op anderen, ik ben niet alleen, ik krijg erkenning). |
-Te laten merken het leuk te vinden aan alle leerlingen
van de klas les te mogen geven,
-Op de hoogte te zijn van bijzondere gebeurtenissen van
leerlingen,
-Te weten wat voor een leerling belangrijk is,
-Interesses van leerlingen kennen,
-Aandacht te hebben voor alle leerlingen in de klas,
-Namen van leerlingen kennen,
-Leerlingen te vertrouwen op hun inzet.
|
Doen
|
Artefacten en Symbolen:
zichtbare elementen in de organisatie
|
Denken/willen
|
Waarden en normen:
waarden, normen en gedragsregels
|
Zijn
|
Veronderstellingen:
diep in de kern van de organisatie
|
Doen
|
Artefacten en Symbolen:
De eerste cultuur-laag van het doen heeft betrekking op
zichtbare en daardoor betrekkelijk makkelijk te observeren en te beïnvloeden
cultuuruitingen.
|
Zichtbare elementen in de organisatie:
Cultuuruitingen zoals gedrag, kleding, taalgebruik,
omgangsvormen, design, symboliek enzovoort.
|
Denken/willen
|
Waarden en normen:
In de tweede cultuur-laag ligt de meestal verborgen
blijvende laag van wat mensen denken en willen.
|
Waarden, normen en gedragsregels:
Dit is de laag van de ‘informele codes’, de
‘ongeschreven regels’ en de ‘verborgen intenties’.
|
Zijn
|
Veronderstellingen:
De diepste cultuur-laag heeft betrekking op wat mensen zijn.
|
Diep in de kern van de organisatie:
In deze laag gaat het om de diepste essentie, de
fundamentele drijfveren en veronderstellingen.
In de literatuur wordt deze laag omschreven als ‘kern’,
‘ziel’, ‘spiritueel kapitaal’ of
‘cultureel DNA’.
|
De executieve functies worden ook wel de uitvoerende
aandacht genoemd. Er zijn grofweg vier soorten:
|
Peg Dawson en Richard Guare (2009) onderscheiden elf
soorten:
|
Margriet Sitskoorn onderscheidt in 'De beste versie van
jezelf' twaalf executieve vaardigheden:
|
Impulsbeheersing.
Concentratie.
Flexibiliteit.
Prioriteiten stellen.
|
Respons-inhibitie: nadenken voordat je iets doet.
Werkgeheugen.
Emotieregulatie.
Volgehouden aandacht.
Taakinitiatie.
Planning/prioritering.
Organisatie.
Timemanagement: tijd inschatten, verdelen en deadlines
halen.
Doelgericht gedrag.
Flexibiliteit: flexibel omgaan met veranderingen en
tegenslag.
Metacognitie: een stapje terug doen om jezelf en de
situatie te overzien en te evalueren
|
Aandacht richten, vasthouden, verdelen
Emoties reguleren (incl. omgaan met stress)
Flexibel kunnen zijn als dingen veranderen
Ongewenst gedrag kunnen onderdrukken
Taken en zaken starten
Dingen organiseren
Dingen kunnen plannen
Jezelf kunnen monitoren
Je werkgeheugen gebruiken
Een reëel zelfbeeld vormen
Het vermogen tot theory of mind
Prosociaal gedrag (het belang van anderen voor ogen
houden)
|
Doen/gedrag
|
Denken/cognitie
|
Respons-inhibitie.
|
Werkgeheugen.
|
Emotieregulatie.
|
Planning/prioritering.
|
Volgehouden aandacht.
|
Organisatie.
|
Taakinitiatie.
|
Timemanagement.
|
Doelgericht gedrag.
|
Metacognitie:
|
Flexibiliteit.
|