zondag 10 juni 2018

Breinvriendelijk onderwijs

De Amerikaanse onderwijswetenschapper Eric Jensen is een voormalige docent en houdt zich al ruim 20 jaar bezig met het vertalen van neurologische kennis naar praktische toepassingen in de klas. Jensen wordt beschouwd als de leider op het gebied van ‘Brain-Based Learning’ (breinvriendelijk leren).





Glynda Lee Hoffman spreekt tijdens een TEDx bijeenkomst over breinvriendelijk leren.




Jean Linden heeft een aantal Youtube video's gepubliceerd over breinvriendelijk leren.






Factoren die de leerprestaties van leerlingen positief beïnvloeden - Robert Marzano

De Amerikaanse onderwijswetenschapper Robert Marzano voerde een meta-analyse uit op de onderwijsresearch van de laatste 35 jaar. Daarbij maakte hij gebruik van zowel Canadees en Amerikaans als Europees onderzoek.

Marzano concentreerde zich uitsluitend op die onderwijsveranderingen die daadwerkelijk invloed blijken te hebben op de leerprestaties van leerlingen. 
Wat werkt op school? De Amerikaanse onderwijswetenschapper Robert Marzano heeft een elftal factoren op papier gezet. Elf factoren die de leerprestaties van leerlingen positief beïnvloeden.



Schoolniveau:

Onder de factoren op schoolniveau vallen die factoren die binnen het schoolbeleid aangesproken dienen te worden, omdat er actie nodig is van zowel leraren als directies / bestuurders. Er zijn vijf van die factoren:

1.   Haalbaar en gedegen programma
2.   Stimulerende doelen en effectieve feedback
3.   Betrokkenheid van ouders en gemeenschap
4.   Veilige, ordelijke omgeving
5.   Collegialiteit en professionaliteit

Docentniveau:

De drie factoren op docentniveau gaan over zaken die onder de directe controle van de docenten vallen:

6.   Didactische aanpak
7.   Klassenmanagement en pedagogisch handelen
8.   Sturen en herontwerpen programma

Leerlingniveau:

Tenslotte zijn er drie factoren op leerlingniveau. Ze refereren aan de kenmerken van de sociale achtergrond van de leerlingen: zaken die van belang zijn voor het schoolsucces, waarop de school - zelf en via de thuissituatie - een positieve invloed kan hebben. 

9.   Sfeer thuis
10. Achtergrondkennis
11. Motivatie




Factoren op schoolniveau
1. Een haalbaar en gedegen programma betreft de mate waarin een school omgaat met het linken van basisstof aan de les- en leerdoelen van de methode. Welke leerstof is nu echt van groot belang en hoe registreert een leraar deze? Hoe kan voldoende lestijd gecreëerd worden zodat de lesinhoud op een adequate manier onderwezen kan worden?

2. Stimulerende doelen & effectieve feedback beschrijft hoe en wanneer een leraar of zorgcoördinator feedback geeft aan of over leerlingen over gestelde doelen, kennis of vaardigheden. De gegevens worden vervolgens door de school gebruikt om zowel specifieke prestatiedoelen voor de school te bepalen, als specifieke leerdoelen voor de individuele leerlingen.

3. Betrokkenheid van ouders en gemeenschap refereert aan structuren die gebruikt worden om ouders en leden uit de schoolomgeving te betrekken bij zowel het nemen van belangrijke beleidsbeslissingen, als bij de dagelijkse gang van zaken op de school.

4. Een veilige, ordelijke omgeving betreft de schoolregels en –procedures die structuren en een gevoel van veiligheid creëren voor zowel leerlingen als leraren.

5. Collegialiteit en professionaliteit houdt in dat leraren zich professioneel blijven ontwikkelen; zowel op teamniveau als individueel. Leraren werken professioneel samen, houden werk en privé gescheiden en worden betrokken bij belangrijke beleidsbeslissingen.


Factoren op het niveau van de docent


6. Didactische aanpak neemt negen belangrijke didactische strategieën als uitgangspunt voor een goede instructieles. Een goede instructieles is efficiënt en biedt voldoende mogelijkheden tot differentiatie. Een efficiënte leraar beschikt niet alleen over een uitgebreid repertoire aan didactische strategieën, maar kan ook moeiteloos bepalen welke strategieën het best gebruikt kunnen worden in combinatie met bepaalde leerlingen of bepaalde lesonderwerpen.


  • Identificeren van overeenkomsten en verschillen
  • Samenvatten en notities maken
  • Inspanningen bevestigen en erkenning geven
  • Huiswerk en oefening
  • Non-verbale representatie
  • Coöperatief leren
  • Doelen stellen en feedback geven
  • Vragen formuleren en hypotheses testen
  • Voorkennis activeren met vragen, aanwijzingen en kapstokken

7. Klassenmanagement en pedagogisch handelen bestaat uit twee aspecten:

a. Klassenmanagement = structuur: routines en regels in de klas, omgaan met ongewenst gedrag,

b. Pedagogisch handelen = cultuur: de relatie leraar- leerling en de mentale instelling van de leraar; de relatie met zichzelf.

8. Sturen en herontwerpen van het programma slaat op de noodzaak dat de leraren kunnen differentiëren; zowel op tempo als op niveau van de lesinhoud en het werkelijke niveau van de leerlingen. Leraren weten wat de essenties van leersof zijn, hanteren de technieken uit didactische aanpak en bieden leerstof meervoudig aan. Deze leraarfactor maakt het verschil!

Kort samengevat; een goede leraar:

1. kan goed uitleggen = didactische aanpak
2. werkt vanuit een goede organisatie in zijn klas = klassenmanagement
3. heeft een goede relatie met de leerlingen en met zichzelf = pedagogisch handelen
4. differentieert = sturen en herontwerpen van het programma

Factoren op het niveau van de leerling

9. Sfeer thuis doelt op de acties die gezinnen kunnen ondernemen om het schoolsucces van hun kinderen te ondersteunen. De school kan dat bijvoorbeeld beïnvloeden door gesprekken thuis over wat er op school gebeurt te stimuleren. Hiervoor zijn succesvolle programma’s bekend.

10. Geleerde intelligentie en achtergrondkennis leert je meer en beter gebruik te maken van de ervaringen en achtergronden waar leerlingen over beschikken. Een leerling uit de binnenstad heeft vaak andere interesses dan een leerling van het platteland. Ook speelt het stimuleren van de woordenschat een grote rol in deze factor.

11. Motivatie van de leerlingen is de mate waarin leerlingen geïnteresseerd zijn in de onderwerpen die op school gepresenteerd worden, en de mate waarin ze het gevoel hebben dat ze in staat zijn die informatie aan te leren. De algemene motivatie van de leerlingen kan verhoogd worden als op school systematisch aan bepaalde zaken wordt gewerkt.


In het model van Marzano is goed te zien dat de factoren die van invloed zijn op het leren van het kind te vinden zijn op het niveau van de leerling (motivatie, thuissituatie en achtergrondkennis), op het niveau van de school en op het niveau van de leraar. 
Vervolgens blijkt dat wat de leraar doet het meest doorslaggevend is! Dat speelt op drie terreinen:
  • de door de leraar didactische aanpak is bepalend voor de leerresultaten,
  • het pedagogisch handelen van de leraar en zijn/ haar klassenmanagement legt een basis van structuur en zekerheid van waaruit er geleerd kan worden,
  • het herontwerpen en sturing geven aan de leerprocessen van de leerlingen in de klas laat het onderwijs passen bij deze groep en deze leerlingen.

Deze drie terreinen waarop een leraar effect heeft op het leren, hebben elk evenveel invloed. Het pedagogisch handelen en klassenmanagement leggen de basis: als dat niet voldoende is kunnen herontwerpen en een goede didactische aanpak onvoldoende hun anders zo grote effect hebben. Didactische aanpak levert de gereedschapskist voor de leraar. De didactische strategieën die echt werken: die echt effect hebben op de leerresultaten van de leerlingen.

Vanuit de door Marzano geanalyseerde onderwijsresearch is vrij precies in kaart te brengen welke didactische strategieën echt goed werken. Dit blijken er negen te zijn die ideaal gesproken tot het basisrepertoire van elke leraar zouden moeten behoren.

Didactische strategie
Percentielwinst 
Identificeren van overeenkomsten en verschillen
45

Samenvatten en notities maken
34

Inspanningen bevestigen en erkenning geven

29

Huiswerk en oefening

28

Nonverbale representatie

27

Coöperatief leren

27

Doelen stellen en feedback geven

23

Vragen formuleren en hypotheses testen

23

Voorkennis activeren met vragen,
aanwijzingen en kapstokken
22


De lijst van didactische aanpakstrategieën is bedoeld als overzicht waaruit gericht gekozen kan worden om onderwijsverbetering te realiseren. Elke didactische strategie heeft haar eigen effect. De ene is meer geschikt voor het verwerven van begrip, terwijl de andere meer gericht is op het verwerken van informatie, enzovoort.

zaterdag 9 juni 2018

Helpen bij het ontwikkelen van een groeimindset

We kunnen leerlingen helpen bij het ontwikkelen van een groeimindset. Bedenk wel dat de overgang van een vaste naar een groeimindset niet eenvoudig is. Alles wat de leerling eerder het liefst vermeed, zoals uitdagingen aangaan, fouten maken en inspanningen leveren, moet hij nu ineens omarmen. Dat is best spannend en daarom kan een leerling hulp goed bij gebruiken.

Om deze hulp vorm te geven maken we gebruik van de volgende vijf stappen.
1. Focus op het proces
2. Focus op inspanning
3. Focus op groei
4. Focus op leren
5. Focus op het leren van fouten

1. Focus op het proces

Maak punten en resultaten minder belangrijk en richt je op het proces dat het kind doormaakt. Prijs doorzettingsvermogen, de aanpak van de leerling en zijn inzet. ‘Jammer dat je niet tevreden bent met die 6 voor dat vak op je rapport. Want kijk eens: je hebt een “goed” voor inzet! Ik ben hartstikke trots op je!’ Vraag de leerling regelmatig wat hij/zij geleerd heeft en laat hem/haar vertellen hoe hij/zij dat voor elkaar heeft gekregen.

2. Focus op inspanning

Maak de leerling duidelijk dat het er niet om gaat de beste, de snelste of de slimste te zijn, maar dat het gaat om de inspanning die je levert om iets te bereiken. Richt je complimenten op hard werken en  oefenen: ‘Als je net zo hard blijft oefenen als vandaag, dan zul je zien dat je dit muziekstuk steeds beter gaat spelen!’ Zorg ervoor dat de leerling op school lesstof krijgt die is afgestemd op zijn niveau, zodat hij dagelijks kan ervaren dat het leveren van inspanningen noodzakelijk is om verder te komen. Vertel waar jijzelf moeite voor hebt moeten doen en wat je daarmee hebt bereikt.

3. Focus op groei

Laat de leerling zien dat je gelooft in de groeimogelijkheden van talenten en intelligentie en laat de leerling zijn eigen groei ervaren: ‘Jammer dat je de toets niet hebt gehaald, maar kijk eens: vorige keer had je er 8 goed en nu 15! Zie je hoe je vooruit bent gegaan door extra hard te oefenen?’ Zorg dat de leerling zich niet vergelijkt met anderen, maar zich richt op het verbeteren van zichzelf en het behalen van zijn eigen doelen. En natuurlijk: ‘vier’ iedere vooruitgang die het kind boekt door hard te werken.

4. Focus op leren

Sta model voor ‘een leven lang leren’ en vertel de leerling hoe je jezelf steeds bent blijven ontwikkelen.
Geef de leerling mogelijkheden om nieuwe dingen te leren, zonder dat hij/zij het gevoel heeft direct de beste te moeten zijn. Geef de leerling inzicht in de vaardigheden die hij/zij nog moet ontwikkelen (bijvoorbeeld zich concentreren of hulp durven vragen) en help hem/haar bij het aanleren hiervan.

5. Focus op het leren van fouten

Maak van fouten leermomenten. Laat de leerling zien dat ook jij geregeld fouten maakt en vertel wat je ervan hebt geleerd. Geef de leerling de kans om fouten te maken, dus ruim niet alle obstakels voor hem uit de weg. Help de leerling van een fout een leermoment te maken. Zoek samen op welke fouten de held (sporter, popster e.d.) van de leerling heeft gemaakt in zijn of haar carrière en ontdek hoe hij of zij daar beter van geworden is.


Natuurlijk kun je een leerling ook inzicht geven in de mindsettheorie van Carol Dweck. Vertel hem/haar op een begrijpelijke manier over de vaste en de groeimindset en de gevolgen daarvan. Je kunt hierbij gebruikmaken van de fictieve personages. Een fictieve personage heeft een vaste mindset en ziet overal problemen. De andere fictieve personage zet deze problemen om in kansen. Bespreek allerlei situaties met de leerling en laat hem verwoorden hoe ‘fixed mindset’ personage erop zou reageren en vooral: wat ‘growth mindset’ personage zou zeggen en doen. De leerling oefent zo het denken vanuit een groeimindset.

Hoe kun je een voor leerlingen stimulerende en motiverende leeromgeving ontwerpen?

Hoe kun je differentiëren m.b.t. de motivatie?

In de Self-Determination Theory (SDT) leggen Deci & Ryan uit dat er drie belangrijke pijlers zijn om tot intrinsieke motivatie te komen. Deze drie pijlers, of psychologische voorwaarden, zijn competentie, autonomie en relatie.

Een omgeving waarin aan de drie essentiële behoeften wordt tegemoet gekomen
waarbij een leerling
1) zich competent kan voelen,
2) het gevoel heeft keuzes te mogen maken en
3) een goede relatie met de klas en leraar voelt.

Een drietal kenmerken van die omgeving blijken daarvoor essentieel, te weten:
1) structuur,
2) stimulering en ondersteuning van autonomie, én
3) betrokkenheid (Skinner & Belmont, 1993; Reeve, 2002; Connell & Wellborn, 1991).

Voorbeelden van elk van deze drie kenmerken zijn:

Structuur:

De behoefte van personen, van leerlingen om grip te hebben op hun omgeving, om die omgeving te begrijpen. Zich competent voelen is dan vooral het gevoel hebben dat je iets kunt of beheerst, weet wat er van je wordt verwacht en waar je aan toe bent. Ook gaat het om het gevoel, de waarneming, dat je weet hoe met anderen in je omgeving om te gaan; 

Competentie (vaak opgevat als structuur waarbij er heldere doelen en verwachtingen worden gesteld aan leerlingen waardoor zij beter in staat zijn een leeractiviteit uit te voeren / competent voelen / vraag: waar was dit kind goed in?). Leren verloopt makkelijker als de leerling voelt dat hij/zij vooruitgaat en competenter wordt. (Ik kan iets, ik heb succeservaringen, ik kan zelf het verschil maken). 

Structuur is informatie die een leerling krijgt over wat er van hem/haar wordt verwacht in een les. Bijvoorbeeld door:

-Te vertellen over hoe de les eruit ziet en welke leerstof aan bod komt,

-Aan te geven wat er van leerlingen wordt verwacht en hoe ze dat kunnen bereiken,

-Werkwijzen die worden ingezet toe te lichten,

-Duidelijke instructie/uitleg te geven en oplossingswijzen voor te doen,

-Te checken wat leerlingen zelf al weten,

-Leerlingen te laten reflecteren op wat ze hebben geleerd,

-Zich responsief, vragend op te stellen naar leerlingen,

Stimuleren en ondersteunen van autonoom gedrag:

De behoefte van leerlingen om controle te hebben over en invloed te kunnen uitoefenen op hun omgeving. De behoefte om autonoom te kunnen handelen. Zich autonoom voelen heeft te maken met het gevoel hebben dat je mag kiezen, dat je iets zelf kunt bepalen, zelf zaken kunt/mag reguleren; 


Autonomie (vaak opgevat als keuzevrijheid / zelf doen / vraag: waarin werd het kind belemmerd?) Leren verloopt makkelijker als veel autonomie / psychologische vrijheid wordt aangeboden. (Zelf in handen hebben, geen hulpeloosheid, mezelf mogen zijn, niet faken). 

Autonomie is de mate waarin een leerling het gevoel heeft zelf keuzes te mogen maken en hierin te worden ondersteund, bijvoorbeeld door:
-Leerlingen ruimte te geven opdrachten op hun eigen manier te maken,

-Waar mogelijk aan te sluiten bij eigen interesses van leerlingen,

-Een actieve leerhouding te stimuleren,

-Leerlingen altijd (de mogelijkheid tot) ondersteuning te geven bij
het uitvoeren van (zelf gekozen) opdrachten,

-Leerlingen aan te moedigen in groepen naar eigen keuze te werken,

-Leerlingen uit te nodigen kritisch en creatief na te denken over opdrachten,

Betrokkenheid naar leerlingen te tonen:

De behoefte van een persoon, een leerling bij de groep te horen en vervolgens het gevoel dat je erbij hoort, dat dit jouw klas is, en dat een ander, zoals bijvoorbeeld de leraar op jou betrokken is, dat je mag zijn wie je bent. 


Relatie (vaak opgevat als het uiten van waardering voor de leerling / samen met anderen / vraag: wat had dit kind nodig?). Leren verloopt makkelijker als de leerling gesteund door anderen = ervaren van warmte en een hechte band (Ik kan rekenen op anderen, ik ben niet alleen, ik krijg erkenning). 
-Te laten merken het leuk te vinden aan alle leerlingen van de klas les te mogen geven,

-Op de hoogte te zijn van bijzondere gebeurtenissen van leerlingen,

-Te weten wat voor een leerling belangrijk is,

-Interesses van leerlingen kennen,

-Aandacht te hebben voor alle leerlingen in de klas,

-Namen van leerlingen kennen,

-Leerlingen te vertrouwen op hun inzet.


Docenten die hierin een goede balans weten te creëren en daarmee aan alle drie de basisbehoeften van leerlingen tegemoet komen zullen bij hun leerlingen meer taakbetrokkenheid en eigenaarschap van het leren ‘betrokkenheid’ realiseren. En voor leerlingen een stimulerende  en motiverende leeromgeving te scheppen.

woensdag 11 april 2018

De gelaagdheid van cultuur - Edgar Schein


Volgens de cultuuronderzoeker Edgar Schein kent een cultuur drie lagen, hier aangeduid als die van het doen, van het denken en van het zijn.   

Doen
Artefacten en Symbolen:
zichtbare elementen in de organisatie
Denken/willen
Waarden en normen:
waarden, normen en gedragsregels
Zijn
Veronderstellingen:
diep in de kern van de organisatie
  



Doen
Artefacten en Symbolen:


De eerste cultuur-laag van het doen heeft betrekking op zichtbare en daardoor betrekkelijk makkelijk te observeren en te beïnvloeden cultuuruitingen.

Zichtbare elementen in de organisatie:

Cultuuruitingen zoals gedrag, kleding, taalgebruik, omgangsvormen, design, symboliek enzovoort.
Denken/willen
Waarden en normen:

In de tweede cultuur-laag ligt de meestal verborgen blijvende laag van wat mensen denken en willen.

Waarden, normen en gedragsregels:

Dit is de laag van de ‘informele codes’, de ‘ongeschreven regels’ en de ‘verborgen intenties’.
Zijn
Veronderstellingen:

De diepste cultuur-laag heeft betrekking op wat mensen zijn.

Diep in de kern van de organisatie:

In deze laag gaat het om de diepste essentie, de fundamentele drijfveren en veronderstellingen.

In de literatuur wordt deze laag omschreven als ‘kern’, ‘ziel’, ‘spiritueel kapitaal’ of  ‘cultureel DNA’.


maandag 9 april 2018

Executieve functies

De executieve functies horen bij het denkvermogen. Executieve functies zijn hogere cognitieve processen die nodig zijn om activiteiten te plannen en te sturen. Executieve functies kunnen worden gezien als de 'dirigent' van de cognitieve vaardigheden.

Feitelijk is het dus een verzamelnaam voor denkprocessen (functies) in het brein die belangrijk zijn voor het denken (cognitie) en het uitvoeren (executie) van sociaal, efficiënt en doelgericht gedrag. Executieve functies hebben een controlerende en aansturende functie.  

Zonder executieve functies is goed georganiseerd gedrag niet mogelijk. De executieve functies regelen bijvoorbeeld het starten met een taak en het richten en vasthouden van de aandacht.

Executieve functies vertellen dus niet hoe intelligent, charmant of verbaal vaardig iemand is.


De executieve functies worden ook wel de uitvoerende aandacht genoemd. Er zijn grofweg vier soorten:

Peg Dawson en Richard Guare (2009) onderscheiden elf soorten:

Margriet Sitskoorn onderscheidt in 'De beste versie van jezelf' twaalf executieve vaardigheden:


Impulsbeheersing.

Concentratie.

Flexibiliteit.

Prioriteiten stellen.


Respons-inhibitie: nadenken voordat je iets doet.

Werkgeheugen.

Emotieregulatie.

Volgehouden aandacht.

Taakinitiatie.

Planning/prioritering.

Organisatie.

Timemanagement: tijd inschatten, verdelen en deadlines halen.

Doelgericht gedrag.

Flexibiliteit: flexibel omgaan met veranderingen en tegenslag.

Metacognitie: een stapje terug doen om jezelf en de situatie te overzien en te evalueren

Aandacht richten, vasthouden, verdelen

Emoties reguleren (incl. omgaan met stress)

Flexibel kunnen zijn als dingen veranderen

Ongewenst gedrag kunnen onderdrukken

Taken en zaken starten

Dingen organiseren

Dingen kunnen plannen

Jezelf kunnen monitoren

Je werkgeheugen gebruiken

Een reëel zelfbeeld vormen
Het vermogen tot theory of mind

Prosociaal gedrag (het belang van anderen voor ogen houden)


Hieronder een overzicht van een aantal veel voorkomende executieve functies volgens Dawson en Guare opgesplitst in doen/gedrag en denken/cognitie.


Doen/gedrag

Denken/cognitie
Respons-inhibitie.

Werkgeheugen.

Emotieregulatie.

Planning/prioritering.

Volgehouden aandacht.

Organisatie.

Taakinitiatie.

Timemanagement.

Doelgericht gedrag.

Metacognitie:

Flexibiliteit.