zaterdag 10 mei 2014

Het slimme onbewuste door Ap Dijksterhuis


Veruit de meeste beslissingen die je neemt, gaan onbewust. Denk maar eens aan de ‘beslissing’ om je hoofd te draaien als je ineens links een toeterende auto hoort, of om je oren te spitsen als iemand ergens anders in een drukke kamer je naam zegt. Daar hoef je niet bij na te denken. Je brein gebruikt zogenaamde heuristieken om dit te regelen. Heuristieken kun je zien als een soort automatische methode op een probleem – ‘Getoeter! Wat nu?’ of ‘Huh, mijn naam! Wat zeggen ze?’ – op te lossen. Je hoeft dus niet bewust te gaan uitvogelen wat er gedaan moet worden: je brein zorgt ervoor dat je volautomatisch de juiste handeling uitvoert. Lekker makkelijk, en lekker snel. Je wordt er bovendien niet moe van.

Is een probleem echter te ingewikkeld voor je heuristieken, dan treedt Plan B in werking. Je gaat nu nadenken over wat er aan de hand is, bewust en doelmatig. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je een ingewikkelde vergelijking moet oplossen, of wilt beslissen of je het ene huis of het andere huis gaat kopen. Je wikt en weegt, en uiteindelijk neem je – hopelijk – een verstandige en juiste beslissing. Het duurt lang en kost moeite, maar uiteindelijk heb je ook wat: je hebt rationeel bezig geweest.

In zijn boek Het slimme onbewuste laat Nijmeegse hoogleraar Ap Dijksterhuis laat zien dat het bewustzijn slechts een kleine rol speelt bij wat wij doen. In zijn boek bindt Dijksterhuis de strijd aan met de ideeën van Descartes en wordt het onbewuste gerehabiliteerd. Volgens de filosoof Descartes bestond het onbewuste uberhaupt niet. Volgens Dijksterhuis is het tijd dat het onbewuste definitief uit het verdomhoekje komt. Volgens Dijksterhuis is het namelijk juist het onbewuste dat vrijwel alles doet dat psychologisch van belang is. Ons bewustzijn krijgt alleen maar de memo achteraf.

Het belang van bewuste processen wordt onder meer overschat, omdat we ons alleen bewust zijn van deze bewuste processen. Het is zoals bij een ijsberg. We zijn ons slechts bewust van het kleine topje van de ijsberg dat boven het wateroppervlak uitsteekt. Het grootste deel van de ijsberg bevindt zich echter onder het wateroppervlak en daarvan zijn we ons niet bewust.




Dijksterhuis gaat dieper in op de rol van het onbewuste bij waarneming, meningen, beslissingen, creativiteit en gedrag. Met betrekking tot het onbewust beslissen gaat men er vaak vanuit dat men tot een betere beslissing komt als men er langer bewust over nadenkt. Volgens Dijksterhuis leidt bewust nadenken inderdaad tot de beste keuze in het geval van eenvoudige beslissingen (bijvoorbeeld de aankoop van een fles shampoo in een supermarkt).

Bij complexere beslissingen (bijvoorbeeld de aanschaf van een digitale spiegelreflexcamera) is het beter om de hulp van het onbewuste in te schakelen. Nadat alle belangrijke informatie is verzameld, laat je het onbewuste het werk doen en slaap je er als het ware een nachtje over. Vervolgens neem je een besluit.

We zien ons onbewuste vaak als ondergeschikt, niet meer dan een hulpje van het bewustzijn vol verdrongen herinneringen en dierlijke driften. Ap Dijksterhuis laat zien dat dit niet klopt. Met 20.000 keer meer capaciteit dan ons bewustzijn bepalen onbewuste processen in ons brein ons gedrag, denken en gevoel.

vrijdag 9 mei 2014

Hoe mensen keuzes maken, de psychologie van het beslissen door W. Tiemeijer.

Dit boek biedt een helder overzicht van de meest recente kennis over menselijk keuzegedrag. Daarbij gaat de auteur in op de grote invloed van de omgeving en de rol van het onbewuste.

Het boek ‘Hoe mensen keuzes maken, de psychologie van het beslissen’ door Tiemeijer bestaat uit vier hoofdstukken waarin steeds een andere ‘beperking’ van het brein wordt belicht.

Verpakt in deze vier hoofdstukken krijgen we een overzicht met de essentie en resultaten van een honderdtal experimenten. Die tonen aan dat ons brein (achtereenvolgens) ‘irrationeel’, ‘automatisch’, ‘willoos’ en ‘sociaal’ denkt en beslist.

Het irrationele brein (H1)
Mensen blijken zich vaak niet te houden aan de regels voor logische en rationele keuzes. Is dat dom of niet?

Ratio zonder emotie is onmogelijk. Wanneer we keuzes maken spelen emoties en andere ‘irrationele’ mechanismen een uiterst belangrijke rol. Daarbij hebben we een voorkeur om ‘te bewaren wat we hebben’, voor dingen die we ‘hier en nu’ kunnen krijgen en voor opties die ons ‘levendig en concreet’ worden aangereikt. ‘Framing’ (de manier en context waarmee de keuzevraag wordt aangebracht) zal de keuze daarom in grote mate beïnvloeden.
We kiezen ook heel vaak op basis van ‘vuistregels’ en met veel ‘buikgevoel’. Dat leidt – in tegenstelling met wat men ‘rationeel’ zou verwachten – niet tot slechtere keuzes, wel in tegendeel. In dit hoofdstuk leer je dan ook waarom en hoe je best je rationele en intuïtieve krachten kan bundelen door over belangrijke beslissingen ‘een nachtje te slapen’.

Het automatische brein (H2)
Onze keuzes worden bepaald door allerlei onbewuste factoren, en vaak weten we niet goed waarom we een bepaalde keuze hebben gemaakt. Wat is dan nog de rol van het bewuste?

Een belangrijk aspect in deze context is ‘priming’, het activeren van mentale concepten zoals normen, doelen of stereotypen waardoor deze makkelijker toegankelijk worden ook al zijn we ons daar niet van bewust. Primers kunnen woorden zijn, maar ook dingen, geluiden, gedrag van mensen. Ons gedrag wordt in grote mate beïnvloed door ‘priming’: het activeren van mentale concepten zoals normen, waarden, kenmerken of stereotypen. Keuze en gedrag kunnen dus geprogrammeerd worden door de geest ‘voor te bereiden’ met de juiste boodschap.
We hebben ook twee systemen die ons gedrag bepalen:

'systeem 1' (= ‘de buik’) werkt onbewust, bliksemsnel en intuïtief. Het is ook verantwoordelijk voor onze reflexen: je hoeft er niet bij na te denken. Elke beslissing en keuze loopt via dat systeem (ook de ‘bewuste’ keuzes zijn eerst voorgekauwd en gekleurd geweest door 'systeem 1').
'systeem 2' (= ‘het brein’) werkt beredeneerd en bewust. Het werkt trager, vraagt meer tijd en energie. Dat laatste leidt ertoe dat de nodige energie ook uitgeput kan geraken. Dat heet ‘ego depletion’.

Het willoze brein (H3)
Zijn we werkelijk vrij om te kiezen? Tegenwoordig beweert een aantal wetenschappers dat de vrije wil niet bestaat. Hebben zij gelijk?

Een aantal experimenten tonen aan dat ‘beslissen uit vrije wil’ eigenlijk niet bestaat. Daar weidt het boek behoorlijk filosofisch uit, zowel over wat – al dan niet – wetenschappelijk bewezen is en welke de, hoofdzakelijk morele en juridische, implicaties zijn van deze boude stelling.
Allicht is dit een stukje waar je iets sneller door zal willen gaan.

Het sociale brein (H4)
De evolutie heeft ons voorbestemd tot sociaal gedrag. Is het wel zo raadzaam mensen alleen aan te spreken op hun eigenbelang?

Hoofdstuk 4 is van een heel andere koek gesneden. Diverse diep gewortelde mechanismen zorgen ervoor dat ons gedrag niet zonder meer gebaseerd is op het kiezen van de beste oplossing voor onszelf.
Spiegelneuronen en oxytocine zorgen voor een opvallend sociale toets bij veel keuzes die we maken. De ‘homo economicus’ blijkt bij een verschillende experimenten plots een zeer sociaal wezen te zijn dat ‘tot de groep wil behoren’ en die niet zomaar mikt op eigenbelang eerst en ‘the survival of the fittest’. We worden dan ‘conditional cooperators’ (we handelen ‘prosociaal’ zolang anderen dat ook doen) of ‘altruistic punishers’ (die gedrag dat afwijkt van de sociale norm afkeuren of willen bestraffen).
Of dat prosociaal gedrag uiteindelijk ingegeven is door een vorm van egoïsme (omwille van het goed gevoel dat we krijgen als we een ander helpen; omwille van onze angst om sociaal uitgesloten te worden; omdat we nood hebben aan een gevoel van verbondenheid) of toch door zuiver altruïsme, is nog niet helemaal uitgemaakt. Die sociale keuzemechanismen zijn echter wel zeer fragiel, want ze worden heel snel ‘verdreven (‘crowding out’) wanneer men bv. financiële stimuli begint te geven. Een financiële prikkel doet ons dan letterlijk ‘naar een andere keuze mechanisme’ overschakelen en de keuze wordt dan niet langer bepaald door pro-sociale motivaties maar door een economische afweging.



En wat doe je daar nu mee?
Om te beginnen helpt dit boekje te begrijpen en erkennen dat keuze en gedrag slechts in beperkte mate rationeel, bewust en uit ‘vrije wil’ bepaald wordt. Gelukkig is ook het egoïsme beperkter dan men rationeel zou denken.

Wie zijn rationeel denken moeilijk kan loslaten, zal allicht argumenteren dat er een groot verschil is tussen de beperkte psychologische experimenten en het ‘echte leven’. Of dat harde wetenschappelijke bewijzen ontbreken, vermits gedragspsychologie vooral op empirische modellen en bevindingen stoelt. Of dat men hoogstens relatieve verschillen tussen ‘gemiddelden’ van gedragingen van onderzochte personen kan aantonen en dat dus individuele keuze of gedrag steeds onvoorspelbaar zal blijven.

Desondanks schuift Tiemeijer een duale strategie naar voor, ten behoeve van beleidsmakers die een brug wil slaan tussen het benutten van bepaalde snelle, intuïtieve, onbewuste processen en het creëren van ruimte en tijd om bij het beslissen ook de tragere, rationele, beredeneerde route een goede kans te geven. Hij gaat daarbij ethische beschouwingen rond het gebruiken van technieken door de overheid om ‘gedrag te beïnvloeden’ niet uit de weg.

Het boek geeft nuttige achtergrondinformatie voor een beter begrip van het keuzegedrag van mensen. En uiteraard biedt het boek voldoende ruimte voor zelfreflectie over de totstandkoming van uw eigen beslissingen. Een ding is na dit boek wel zeker: de homo economicus in u is niet de enige die de keuze bepaalt.


Voorwaarden voor succesvolle interculturele communicatie


De eerste voorwaarde voor succesvolle interculturele communicatie is het inzicht dat wederzijds begrip uiteindelijk pas in de interactie zelf ontstaat. Dat betekent dat gespreksgenoten hun interpretatie van hetgeen gezegd, bedoeld of gedaan wordt, soms beter even kunnen uitstellen. Daarvoor is een mooi begrip bedacht: ‘ambiguïteitstolerantie’. Het betekent dat gespreksgenoten moeten leren omgaan met dubbelzinnigheden omdat vaak pas in de loop van een gesprek duidelijk wordt wat de ander precies bedoeld. Een beetje geduld voorkomt misverstanden.

De tweede voorwaarde voor succesvolle interculturele communicatie is het inzicht dat gespreksdeelnemers in interactie kunnen veranderen. Zij kunnen veranderen in hun culturele gebruiken, zoals het omgaan met cadeaus. Zij kunnen ook dankzij het contact meer inzicht krijgen in communicatieve signalen zoals intonatie, gespreksregels of taboes in de andere taal of cultuur. In het meest recente onderzoek is deze verandering van inzicht zelfs de kern van de definitie van interculturele communicatie: er is alleen sprake van interculturele communicatie wanneer minstens één van beide partijen zijn talige kennis verandert door het contact met de andere taal en cultuur.

[ Bron: http://www.taalcanon.nl/vragen/kan-interculturele-communicatie-succesvol-zijn/ ]

Hoe mensen in situaties van onzekerheid oordelen en beslissen


De  psychologen Amos Tversky en Daniel Kahneman onderzochten hoe mensen in situaties van onzekerheid oordelen en beslissen. Het soort situaties dus waarmee we in het dagelijkse leven geconfronteerd worden. Of we nu de kwaliteit van een product inschatten, het talent van een sollicitant beoordelen, of de evolutie van de markt voorspellen, meestal beschikken we over onvoldoende informatie, en kunnen we aan gebeurtenissen slechts een bepaalde graad van waarschijnlijkheid toekennen. Tversky en Kahneman constateerden dat mensen bij dit soort problemen niet de regels van de logica en de waarschijnlijkheidsleer toepassen, maar wel vuistregels of strategieën die het hen mogelijk maken op een eenvoudige manier een oplossing te vinden. Deze vuistregels – ‘heuristieken’ – zijn soms efficiënt, maar kunnen ons vaak ook op een dwaalspoor zetten, doordat we ze niet op de juiste manier of niet bij het juiste soort probleem toepassen.

Het denken in termen van representativiteit en stereotypes leidt soms tot intuïties die elke logica tarten. Een vaak geciteerd geval voor deze overschatting is het volgende voorbeeld van Tversky en Kahneman:

Zie hier een persoonsbeschrijving die door Tversky en Kahneman aan een aantal studenten werd voorgelegd. ‘Linda is 31 jaar oud, alleenstaand, openhartig en bijzonder schrander. Ze is afgestudeerd in de filosofie. Als studente was ze enorm begaan met rassendiscriminatie en sociale onrechtvaardigheid, en nam ze actief deel aan anti-nucleaire demonstraties.’ De studenten kregen de opdracht acht beweringen over mogelijke hobby’s en beroepen van Linda te rangschikken, van zeer waarschijnlijk naar zeer onwaarschijnlijk. Tot deze lijst behoorden onder meer:

A: Linda werkt op een bank.
B: Linda werkt op een bank en is actief in de vrouwenbeweging.

De meeste studenten vonden bewering B waarschijnlijker dan bewering A. De reden daarvoor moet niet ver worden gezocht. De persoonsbeschrijving van Linda stemt niet overeen met het profiel van een typische bankbediende, zodat de eigenschap ‘bankbediende’ onwaarschijnlijk wordt geacht. De mogelijkheid ‘feministische bankbediende’ daarentegen voldoet al heel wat meer aan de persoonsbeschrijving, en dus wordt daar een grotere kans aan toegekend. (1)

Nochtans is deze redenering een zinsbegoocheling. Uitspraak B kan onmogelijk waarschijnlijker zijn dan uitspraak A. Want de vrouwen die bankbediende én lid van de vrouwenbeweging zijn, vormen een deelgroep van de vrouwen die bankbediende zijn. Algemener geformuleerd is het dus zo dat de kansen dat X zich voordoet, altijd hoger liggen dan de kansen dat X en Y zich samen voordoen (als X en Y bijvoorbeeld elk een kans van 1 op 10 hebben en onafhankelijk zijn, dan is de kans dat beide zich voordoen slechts 1 op 100). Hier laten de meesten zich evenwel misleiden door de representativiteit.

Opmerkelijk in deze studie was dat studenten die een hogere opleiding in statistiek en kansrekening hadden genoten, het amper beter deden dan anderen: 85 procent van de ‘experts’ en 90 procent van de ‘naïeve’ studenten was hier uit de bocht gegaan. Eenzelfde soort uitglijder werd overigens ook bij concrete problemen uit diverse kennisdomeinen waargenomen. Zo toonde een vergelijkbare test aan dat heel wat artsen de aanwezigheid van twee symptomen (bijvoorbeeld migraine en braken) waarschijnlijker achten dan de aanwezigheid van een van de twee afzonderlijk.

[ Bron: http://www.kennislink.nl/publicaties/de-valkuilen-van-ons-denken ]

woensdag 7 mei 2014

Procescomplimenten zijn efficiënter dan eigenschapcomplimenten

Complimenteren is hedendaags vrij populair. Je hoor regelmatig mensen ervoor pleiten om veel te complimenteren. Maar complimenten zijn niet per definitie goed. In het boek Improving  Academic Achievement heeft Carol Dweck een hoofdstuk geschreven met als titel ‘Messages that motivate’. In dit hoofdstuk legt zij haar theorie over de fixed mindset en de growth mindset uit. Mensen met een fixed mindset zien intelligentie als een mind of meer vastliggende eigenschap: je hebt er een bepaalde mate van en er is niet veel dat je er aan kunt doen om het te veranderen. Mensen met een growth mindset zien intelligentie als ontwikkelbaar. Ze zien presteren vooral als een kwestie van inspanning. Carol Dweck heeft overtuigend aangetoond via veel experimenten dat het veel uitmaakt voor je functioneren en ontwikkeling wat voor mindset je hebt. De tabel hieronder laat deze verschillen zien.


Fixed mindset
Growth mindset
Wat wil de student bereiken?

Intelligent overkomen zelfs als dat ten koste gaat van leren en het aangaan van uitdagingen

Nieuwe dingen leren zelfs als die moeilijk of riskant zijn

Hoe wordt falen gezien?

Als een indicatie van een lage intelligentie

Als een indicatie van geringen inspanning of een slechte strategie

Hoe wordt inspanning gezien?

Als een indicatie van een lage intelligentie

Inspanning activeert en benut intelligentie

Kenmerken reactie na tegenslag of falen

Minder inspanning
Meer inspanning
Zelfondermijnende defensiviteit

Hoog: niet bereid om eigen onwetendheid onder ogen te zien en mislukking te riskeren

Laag: gretig om te leren en open voor feedback over fouten

Presenteren na tegenslag
Verslechterd
Gelijk of verbeterd

Het is zichtbaar dat de growth mindset aantrekkelijker is in veel opzichten. Vervolgens legt Carol Dweck uit wat voor rol docenten en ouders kunnen spelen bij het aanleren van een growth mindset bij kinderen. In het bijzonder gaat ze in op de rol van complimenten. Ze vergelijkt twee vormen van complimenteren: procescomplimenten en eigenschapcomplimenten.

Bij procescomplimenten prijs je het kind voor zijn of haar goed inspanning of effectieve strategie (“Je moet wel hard gewerkt hebben” of: “Je moet wel een goede aanpak gebruikt hebben”).

Bij eigenschapcomplimenten complimenteer je het kind met een eigenschap, een of anderen interne en vastliggende kwaliteit (“Je hebt het goed gedaan, je moet wel erg slim zijn”). De tabel hieronder toont verschillende effecten van deze twee stijlen van complimenteren.


Complimenteren over
eigenschappen
Complimenteren over
inspanning / strategie
Impact op hoe het kind de eigenschap ziet

Als onveranderbaar: of je bent ergens goed in of je bent dat niet

Als ontwikkelbaar: presteren is een kwestie van inspanning en/of effectieve strategieën

Tevredenheid na succes

Hoog

Hoog

Reactie op uitdagingen

Vermijding

Enthousiast

Tevredenheid na moeilijkheden of falen

Laag

Hoog

Volharding na moeilijkheden of falen

Laag

Hoog

Defensiviteit na moeilijkheden of falen (bijvoorbeeld liegen over de eigen prestaties)

Hoog

Laag

Presteren na moeilijkheden of falen
Verslechterd
Verbeterd

In het onderstaande schema geven we voorbeelden van de effecten op het denken, de gevoelens en op het gedrag. We gaan daarbij in op het geven van feedback vanuit een growth mindset, omdat juist op dit punt de kracht van de docent ligt om leerlingen te motiveren.

Voorbeeld

“Je bent erg slim”
“Dat heb je goed gedaan”
Effect op het denken.

Bevordert fixed mindset.

Bevordert growth mindset.

Effect op de gevoelens.

Bevordert gevoel van trots en tevredenheid.

Bevordert gevoel van trots en tevredenheid.

Effect op het gedrag.

Vermijden van uitdagingen.
Minder inspanning/inzet.
Minder doorzettingsvermogen.
Defensieve reactie op mislukkingen.

Uitdagingen oppakken.
Meer inspanning/inzet.
Meer doorzetten.
Leren van fouten.



[ Bron: http://www.schoolaanzet.nl/fileadmin/contentelementen/school_aan_zet/Training_Groei-mindset_docenten_kleiner.pdf]

dinsdag 6 mei 2014

Mindset bij leerlingen - vragenlijst en complimentenlijst

Vragenlijst om de mindset bij leerlingen te onderzoeken d.m.v. een aantal stellingen: 

Stellingen

1. Als ik voor een proefwerk van een nieuw vak een dikke onvoldoende heb gehaald, ga ik voor het volgende proefwerk niet zo veel meer doen.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


2. Ik ben geboren met een bepaalde hoeveelheid intelligentie en kan er weinig aan doen om die te veranderen.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


3. Ik vind het fijn als ik iets voor elkaar krijg wat me eerder niet lukte.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


4. Als mensen meer weten of kunnen dan ik, denk ik dat ze er harder voor gewerkt hebben.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


5. Ik kan wel nieuwe dingen leren, maar mijn basisintelligentie kan ik niet echt veranderen.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


6. Ik vind het fijn (niet erg) om kritiek te krijgen. Van fouten maken kan ik veel leren.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


7. Ik vind het fijn als ik iets snel af heb en het is goed.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


8. Er zijn vakken die ik gewoon niet kan.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


9. Als leerlingen een hoger cijfer halen dan ik, kan ik wat van ze leren, omdat ze het waarschijnlijk beter hebben aangepakt dan ik.  


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


10. Ik denk dat je als je talent hebt minder hard hoeft te werken.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


11. Ik vind het fijn als ik lang met een lastig onderwerp bezig ben en het uiteindelijk begin te begrijpen.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


12. Ik vind fouten maken helemaal niet leuk.  

1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


13. Ik ga graag een uitdaging aan.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


14. Ik stel vragen als ik iets niet begrijp.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


15. Ik vind het fijn om ergens beter in te zijn dan anderen.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


16. Ik denk dat je het talent voor bepaalde vakken meekrijgt van je vader en/of moeder.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


17. Ik denk regelmatig: “Dat kan ik niet. Dat is te moeilijk.”


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


18. Ik denk dat je je persoonlijkheid (hoe je bent) kunt veranderen.  

1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


19. Als ik mag kiezen, kies ik het liefste de gemakkelijkste opdracht.  

1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


20. Er zijn vakken/ is een vak waarin ik de beste ben.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij





Complimentenlijst

Onderstaande aandachtspuntenlijst kunnen docenten gebruiken om leerlingen heel gericht
complimenten te geven op gedragsaspecten die belangrijk zijn in de motivatie.

Verantwoordelijk (responsible)
Beginner
Gevorderde
Expert
Zelfstandig werken



Goede werkhouding en concentratie



Heeft de taak af



Helpt anderen bij het leren



Leidt anderen niet af



Doorzettingsvermogen (determined)



Doet dappere poging



Blijft positief



Gaat uitdaging aan



Zelf de oplossing gevonden



Geeft niet op, blijft betrokken



Vindingrijk (resourceful)



Toont eigen initiatief



Ziet creatieve/ alternatieve oplossingen



Heeft goede vragen gesteld



Gebruikt hulp van klasgenoten



Doordenkend (deeper thinker)



Geeft weldoordacht antwoord



Heeft goed plan van aanpak/ planning



Heeft feiten/ bewijs verzameld



Kan denkstappen goed verwoorden



Kan nieuw probleem oplossen



Zelfinzicht (reflective)



Gaat gemotiveerd aan de slag



Stelt vragen



Leert van fouten/ feedback



Reflecteert op eigen werk(houding)



Controleert gemaakt werk (volledigheid en kwaliteit)





[ Bron: http://www.schoolaanzet.nl/fileadmin/contentelementen/school_aan_zet/Leerlingen_materiaal_groei-mindset_kleiner.pdf ]