woensdag 9 maart 2016

De vijf frustraties van teamwork - Patrick Lencioni

Patrick Lencioni is een Amerikaanse managementconsultant, auteur en keynote speaker.




Lencioni beschrijft in zijn boek 'De vijf frustraties van teamwork' de essentie van de samenwerking in een team. Dat doet hij aan de hand van een verhaal, waarin een CEO een team moet leiden dat onderling zo in conflict is geraakt dat het de hele organisatie negatief beïnvloedt.



Tijdens het verhaal manifesteren zich vijf grote frustraties waarmee teamleden worstelen, frustraties die de samenwerking saboteren:
  • gebrek aan vertrouwen,
  • angst voor confrontatie,
  • gebrek aan betrokkenheid,
  • afschuiven van verantwoordelijkheid en
  • niet-resultaatgericht werken.



Trust is knowing that when a team member does push you, they're doing it because they care about the team.”


“Remember teamwork begins by building trust. And the only way to do that is to overcome our need for invulnerability.”


Great teams do not hold back with one another. They are unafraid to air their dirty laundry. They admit their mistakes, their weaknesses, and their concerns without fear of reprisal.” 




De verleiding
Teamwork
De uitdaging

5 - voor eigen target gaan



4 - populair willen zijn


3 - aan eigen zekerheid vasthouden

2 - harmonie zoeken


1 – onkwetsbaar willen zijn


5 - gezamenlijk resultaat



4 - verantwoordelijkheid


3 - betrokkenheid


2 - confrontatie


1 - vertrouwen

5 - concentreren op het gezamenlijk resultaat


4 - elkaar ter 
verantwoording roepen

3 - steunen en opvolgen van besluiten

2 - aangaan van confrontaties


1 - onthullen


Bij de verschillende fases van teamwork-model van Lencioni staat een samenvatting over wat bevorderend en wat belemmerend is.

1 - Vertrouwen

In teams waarin vertrouwen ontbreekt zullen de teamleden vaak:


In een team waarin vertrouwen heerst, zullen de teamleden meestal:

- zwakheden en fouten voor elkaar verbergen.
- Aarzelen bij het vragen van hulp of het geven van opbouwende feedback.
- aarzelen hulp aan te bieden buiten het terrein waarvoor ze verantwoordelijk zijn.
- meteen met conclusies klaar staan over de intenties en neigingen van anderen, zonder dat ze proberen daarover eerst duidelijkheid te krijgen.
- er niet in slagen vaardigheden en ervaringen bij anderen te herkennen en daarvan gebruik te maken.
- tijd en energie verspillen bij hun pogingen hun doelen te realiseren.
- een afkeer van vergaderingen hebben en altijd wel een reden om iets niet samen te doen.

- hun zwakheden en fouten toegeven.
- hulp durven te vragen.
- vragen en inbreng van anderen accepteren op het terrein waarvoor ze zelf verantwoordelijk zijn.
- elkaar het voordeel van de twijfel gunnen voordat ze tot een negatieve gevolgtrekking komen.
- risico’s nemen bij het aanbieden van feedback en hulp.
- de vaardigheden en ervaringen van anderen waarderen en benutten.
- tijd en energie steken in belangrijke zaken, niet in politieke spelletjes.
- verontschuldigingen aanbieden en accepteren en dit zonder aarzelen.
- uitzien naar vergaderingen en andere gelegenheden om als groep te kunnen optreden.


De rol van de teamleider m.b.t. het aspect vertrouwen:

Om het vertrouwen van een groep te bevorderen, kan een teamleider bijvoorbeeld stimuleren dat men beter met elkaar kennis maakt. Dit kan door in een groepsgesprek elk teamlid zijn/haar persoonlijke geschiedenis te vertellen. Door gemakkelijke en onschuldige informatie krijgen teamleden al een band met elkaar, waardoor er meer empathie en wederzijds begrip ontstaat.


2 - Confrontaties

In een team dat bang is voor confrontaties, zullen de teamleden vaker:


In een team waar teamleden de confrontatie aangaan:

- vergaderingen vervelend vinden.
- situaties creëren waarin persoonlijke aanvallen gedijen.
- controversiële onderwerpen negeren die van doorslaggevend belang zijn voor het succes van het team.
- Er niet in slagen te profiteren van de standpunten en perspectieven van de teamleden.
- tijd en energie verspillen met het ophouden van de schijn en met interpersoonlijk risico management.


- wordt levendig en boeiend vergaderd.
- worden de ideeën van alle teamleden aangeboord en profiteert iedereen daarvan.
- worden echte problemen snel opgelost.
- zijn de politieke activiteiten beperkt.
- worden kritieke onderwerpen op tafel gelegd.

De rol van de teamleider bij confrontaties:

Bij conflicten moet de groepsleider zich terughoudend opstellen. Oplossingen zouden de kans moeten krijgen om op een natuurlijke wijze te ontstaan. 
Probeer verder te herkennen wanneer iemand zich onprettig voelt bij het ontstaan van een conflict en herinner hem/haar eraan dat het conflict noodzakelijk is om door te groeien.




3 - Betrokkenheid

In een team dat niet als eenheid optreedt zullen de teamleden vaker:


Een team dat als eenheid optreedt:

- onduidelijkheid creëren over de richting en de prioriteiten in het team.
- Kansen zien verdwijnen vanwege de niet aflatende analyse en onnodige vertraging.
- gebrek aan vertrouwen en angst voor mislukkingen ervaren.
- keer op keer op discussies en beslissingen terugkomen.
- achteraf op kritiek terugkomen, zonder de teamleden waarover het gaat.


- Schept duidelijkheid over de richting en prioriteiten.
- Verenigt het hele team rond gemeenschappelijke doelstellingen.
- Ontwikkelt het vermogen om van fouten te leren
- Profiteert van kansen voordat de concurrentie dat doet.
- Handelt zonder aarzeling.
- Verandert zonder aarzeling of schuldgevoelens van richting.



De rol van de teamleider bij het aspect betrokkenheid:

De groepsleider moet vertrouwen op het team en zich gemakkelijk voelen bij het vooruitzicht dat het team een besluit neemt dat uiteindelijk verkeerd kan zijn. Daarnaast kan het goed werken om aan het eind van een vergadering een besluitenlijst te noteren. Hierdoor krijgen de teamleden direct zwart op wit te zien waartoe zij besluiten en waarvoor hun betrokkenheid wordt verwacht. Dit kan onduidelijkheid voorkomen.



4 - Verantwoordelijkheid

In een team dat verantwoordelijkheid mijdt zullen teamleden vaker:


In een team dat elkaar aanspreekt zullen de teamleden meestal:

- wrok tussen teamleden creëren met onderling verschillende prestatiemaatstaven. `
- middelmatigheid aanmoedigen.
- deadlines en belangrijke afspraken ontlopen.
- de teamleider onnodig belasten daar hij de enige bron van discipline wordt.

- er voor zorgen dat collega’s die slecht presteren zich aangespoord voelen beter hun best te doen.
- potentiële problemen snel signaleren door zonder aarzelen de benadering van en collega ter discussie te stelen.
- bevorderen dat collega’s die dezelfde hoge maatstaven aanleggen elkaar respecteren.
- buitensporige bureaucratie vermijden i.v.m. prestatiemanagement en corrigerende maatregelen.


De rol van de teamleider m.b.t. het aanspreken op verantwoordelijkheden:

Als groepsleider moet je stimuleren dat iedereen zijn eigen verantwoordelijkheden neemt door te wijzen op een gemeenschappelijke teamverantwoordelijkheid. Een handig middel om verantwoordelijkheid te vergroten is het publiceren van doelstellingen en maatstaven waarop iedereen kan worden aangesproken. Ook kan het helpen om een beloning te bieden voor prestaties van het hele team in plaats van aan individuele leden. Verder is het zinvol om regelmatig voortgangsgesprekken te hebben en gedragsafspraken te maken.



5 - Gezamenlijk resultaat

Een team waarbij resultaten niet op de 1e plaats komen:


Een team dat zich concentreert op de collectieve resultaten:

- Stagneert en slaagt er niet in zich te ontwikkelen.
- Slaagt er zelden in de concurrentie achter zich te laten.
- Raakt prestatiegerichte werknemers kwijt.
- Moedigt teamleden aan zich te focussen op eigen loopbaan en individuele doelstellingen.
- Laat zich gemakkelijk afleiden.


- Houdt prestatiegerichte werknemers vast.
- Minimaliseert individualistisch gedrag.
- Geniet van successen en lijdt onder mislukkingen.
- Profiteert van individuen die eigen belang onderschikt maken aan teambelang.
- Zorgt ervoor niet te worden afgeleid.

De rol van de teamleider m.b.t. de focus op het eindresultaat:

De teamleider moet het goede voorbeeld geven en voorop staan bij het centraal stellen van de resultaten. Als hij/zij dit niet doet, kunnen andere teamleden het gedrag overnemen. 
Wat tevens kan helpen is om resultaten publiekelijk te maken. Teams doelstellingen publiekelijk willen laten vaststellen werken met meer passie aan het bereiken van resultaten.


 [bron: http://www.tweeofmeer.nl/files/lencioni_uitleg_mei_2010.pdf]

zondag 6 maart 2016

Het puberbrein: tegendraads en gek op risico’s - Eveline Crone

Prof. dr. Eveline Crone, hoogleraar Neurocognitieve Ontwikkelingspsychologie en leider van het Brain and Development Laboratorium van de Rijks Universiteit Leiden.

Waarom doe je de dingen die je doet? Ga je met de bus of de fiets naar school, bewaar je een geheim of verklap je het, ga je leren voor een proefwerk of voor de buis hangen? Het zijn keuzen die ergens in de hersenen zichtbaar zouden moeten zijn, menen psychologen die zich met gedrag en hersenen bezig houden. Het meten van verschillen in activiteit in diverse hersengebieden zou een tipje kunnen oplichten van de sluier die over dat proces van keuzen maken ligt. In het Brain and Development Laboratorium van de Leidse Universiteit worden veel experimenten gedaan bij kinderen en jongeren van zes tot vijfentwintig jaar. Bijvoorbeeld om te achterhalen welke hersengebieden met elkaar concurreren als er een keuze moet worden gemaakt. De meest gebruikte methode daarvoor is fMRI, waarmee plaatsen met zuurstofrijk bloed kunnen worden gemeten: een teken dat de cellen in het omliggende weefsel actief zijn. Jongeren vinden het vaak heel leuk om mee te doen aan dit type onderzoek. Ze krijgen zo een kijkje in de wereld van de wetenschap en kunnen zien hoe het in een onderzoekslab toegaat. Het onderzoek vindt vooral plaats in de weekeinden in de 3 Tesla MRIscanner van het Leids Universitair Medisch Centrum.

Vroegste herinneringen 
De hersenen veranderen voortdurend. Hoewel er aanvankelijk een periode is van een groeispurt in de vroege jeugd, is er vanaf een jaar of acht tot ongeveer vijfentwintig jaar een gestage opbouw en afbraak waarbij het brein wordt ‘bijgeschaafd’. Af en toe zijn er zelfs nog groeispurtjes waar te nemen. Zelfs tot op hoge leeftijd kunnen de hersenen veranderen, zij het niet meer zo drastisch als op jonge leeftijd. Sommige gebieden worden dan actiever en sommige minder actief, maar in het algemeen neemt het hersenvolume na het 25ste levensjaar wel gestaag af. De hersenen worden verdeeld in de grijze en de witte stof. In de grijze stof bevinden zich de kernen van de hersencellen, in de witte stof de uitlopers van de neuronen die de verbindingen vormen. Sommigen vergelijken de grijze stof met telefoons en huiscentrales, en de witte stof met de telefoondraden. In het eerste kwart van ons leven − tot 20, 25 jaar − rijpen de hersengebieden. Iets wat zijn weerslag vindt in meer onderlinge verbindingen tussen de neuronen en tussen verschillende hersengebieden onderling. Dat rijpen gaat niet voor alle gebieden even snel. Gebieden die hebben te maken met functies als zien en ruiken rijpen heel snel. Taalgebieden ontwikkelen zich veel langzamer. Pas op twee- tot driejarige leeftijd gaan kinderen zinnetjes maken. Het lange-termijn geheugen ontwikkelt zich pas vanaf een jaar of vier. Veel mensen hebben dan ook nauwelijks (bewuste) herinnering aan gebeurtenissen van voor die tijd. Misschien is daar een evolutionaire reden voor omdat ook deze gebieden evolutionair jonger zijn dan de gebieden die met ruiken, zien en horen te maken hebben. Opvallend en onbegrepen is dat het begrijpen en spreken van taal, een evolutionair jonge vaardigheid, zich toch al relatief vroeg ontwikkelt. 

Steeds meer controle 
De evolutionair jongste gebieden, die liggen in de buitenste gekronkelde laag van het brein − de cortex − rijpen het langzaamst. Daar zetelen functies die te maken hebben met gecontroleerd en intelligent gedrag. De frontale cortex, ongeveer een derde van de hersenschors aan de voorkant van het brein, kent een − tweede − groeispurt in het laatste deel van de jeugd − van 10 tot 20 jaar. Die frontale cortex werkt samen met allerlei andere gebieden in de hersenen, waaronder ook gebieden die meer aan de zij- en achterkant van het brein liggen. Zulke subgebieden zijn betrokken bij uiteenlopende functies als het actief opslaan in het geheugen, de remming van gedrag, het overzien van consequenties en het afwegen van belangen op korte en lange termijn. Zulke ‘hogere’ vaardigheden hangen in sterke mate af van de samenwerking tussen verschillende hersengebieden. 

Naarmate je ouder wordt, nemen vaardigheden op het gebied van cognitieve controle toe, zoals het plannen van taken. Die diverse controletaken ontwikkelen zich op een verschillend tijdstip, in een verschillend tempo en met verschillende verbindingen. Het onderdrukken van motorische acties bijvoorbeeld, zoals nodig is voor het remmen voor een rood stoplicht, ontwikkelt zich eerder dan meer complexe vormen van cognitieve controle, zoals het filteren van irrelevante informatie. Op achtjarige leeftijd is het nog lastig op tijd voor een rood licht te remmen, met twaalf jaar is dat meestal geen probleem meer. Een kind van acht jaar is niet altijd even goed in staat niet relevante informatie te scheiden van relevante en dat gaat flink vooruit tot het zestiende levensjaar. Die ontwikkeling in functie valt terug te zien in de structurele en functionele ontwikkeling in de hersenen van gebieden in de prefrontale cortex en de pariëtale kwabben die meer in het midden van de hersenschors zitten. 

Irrationeel puberbrein 
Het vooruitzicht op beloning en straf is een andere functie van de hersenen die zich relatief laat ontwikkelt. Hoe handel je als je een kleine kans op een grote winst moet afwegen tegen een grote kans op een kleine winst? In de praktijk zien we vaak dat juist pubers veel risico’s nemen en dingen uitproberen. De cortex en een subcorticaal (net onder de cortex gelegen) gebied zijn betrokken bij een risicovolle beslissing. Dat heeft te maken met een emotie die ‘piekgevoeligheid’ wordt genoemd en een relatie heeft met drift en begeerte. De wat dieper gelegen kern in de hersenen, de nucleus accumbens, speelt daarin een rol en blijkt vooral in de puberteit actiever. Wellicht onder invloed van hormoonveranderingen tijdens de adolescentie. Pubers zijn in het algemeen gevoelig voor beloning in brede zin: geld, sociale beloning, aantrekkelijke gezichten. Pubers kiezen, als ze een daarop toegespitste taak krijgen, vaker voor risico’s. De conclusie is dat het gedrag van kinderen en adolescenten sterker wordt gedreven door begeerte (de nucleus accumbens is daarbij betrokken), dan door controle-systemen in de frontale hersenschors. Men denkt dat een toename van cognitieve controle leidt tot een verbetering van het vermogen beslissingen te nemen en daardoor tot een afname van risicovol gedrag. De langzaam ontwikkelende cognitieve controle van adolescenten is waarschijnlijk de reden dat adolescenten vaak niet-optimale keuzen maken en de reden voor hun dikwijls impulsieve en schijnbaar irrationele gedrag. Ook een ander hersengebied dat onderdeel is van de frontale cortex − de mediale prefontale cortex − rijpt laat, pas in de puberteit. Dat gebied is betrokken bij het besef dat anderen anders over sommige situaties denken dan jij. Daarvoor zijn verbindingen belangrijk tussen hersengebieden die informatie geven over het eigen perspectief, en gebieden die het perspectief van de ander geven. Dat proces verbetert zich nog in de late adolescentie, dus wel tot 16-17 jaar. Het uit zich doordat kinderen in die leeftijd anders functioneren in een groep dan als ze tien jaar zijn. Adolescenten denken vaak over een imaginary audience − een bedacht publiek door wie ze beoordeeld worden. Hierdoor realiseren jongeren zich dat anderen een mening over hen hebben en zoeken ze manieren om hiermee om te gaan. Het is mogelijk dat dit imaginary audience ook te maken heeft met de rijping van deze mediale frontale hersengebieden, maar dat moeten onderzoekers nog uitzoeken.

Het brein als een goede fles wijn 
We spreken al te gemakkelijk over het rijpen van de hersenen. Alsof het een vrucht of een goede fles wijn betreft. De rijping van het brein is echter een aanzienlijk complexer geheel. Zij uit zich niet alleen in het dikker (of dunner) worden van bepaalde gebieden. Er vinden ook opvallende verschuivingen plaats in de verbindingen tussen diverse gebieden. We hebben al gezien dat bepaalde verbindingen die weinig gebruikt worden, worden teruggesnoeid. En dat andere verbindingen die veel worden gebruikt, een versterking krijgen in de vorm van een extra goede elektrische isolatie − de myelinisering − waardoor prikkels sneller worden doorgegeven. De reactiesnelheid van de hersenen neemt daardoor toe, zoals het verschil tussen een gewone telefoonlijn en een ADSLlijn. Het gevolg daarvan is dat sommige verbanden in de hersenen aanzienlijk sneller worden gelegd en zelfs geautomatiseerd. Een fenomeen dat typisch is voor jongeren in ontwikkeling. De grote veranderingen tijdens en vlak na de puberteit lijken de ‘jaren des onderscheids’ in te leiden en ze maken steeds duidelijker dat ontwikkelingen in gedrag niet los staan van de morfologische ontwikkeling van het brein.

[Bron: http://www.biomaatschappij.nl/wp-content/uploads/2013/03/Brein-in-beeld.pdf]

Toetsen als leerinstrument

Informatie ophalen uit je geheugen
Toetsen worden van oudsher gebruikt om te evalueren wat iemand weet of kan. Zo meten we hoe goed een student de leerstof beheerst aan het einde van een onderwijsonderdeel.

Vanuit de cognitieve leerpsychologie weten we inmiddels dat toetsen ook het leren zelf kunnen versterken. Dit is het zogeheten testing effect.

Testing effect
Het testing effect is een cognitief psychologisch fenomeen dat langzamerhand zijn weg vindt naar de onderwijspraktijk. Het effect is het gemakkelijkst uit te leggen aan de hand van een voorbeeld.

Stel je voor: je bestudeert de acht stappen van een bepaalde procedure met als doel deze stappen te onthouden. Nadat je deze stappen een tijdje bestudeerd hebt leg je ze weg om ze later nog eens te bestuderen.

Beter zou zijn om de procedure weg te leggen en even later te proberen de acht stappen uit je geheugen op te halen - jezelf te testen dus. Deze oefening zal je geheugen voor die acht stappen waarschijnlijk meer versterken dan het nogmaals bestuderen van de acht stappen.

Veel studenten hebben overigens de neiging om te kiezen voor herstuderen, zelfs als ze weten dat testen beter werkt.

Onderzoek naar het testing effect
Het testing effect is al vaak experimenteel onderzocht. In deze experimenten krijgen proefpersonen bijvoorbeeld een lijst woordparen Swahili - Engels te leren. Daarna krijgt de ene helft van de proefpersonen (de testgroep) een toets over die woordparen, en de andere helft bestudeert de woordparen nogmaals (de herstudiegroep).

Het blijkt dat direct na afloop de geheugenprestaties op een test voor beide groepen meestal gelijk zijn. Echter: als beide groepen na een week nog een toets krijgen, scoort de testgroep vaak aanzienlijk beter dan de herstudiegroep.

Testen heeft dus vooral op de langere termijn een positief effect op onze geheugenprestaties.

Het testing effect is niet alleen onderzocht in gecontroleerde experimentele opzetten, maar ook in de onderwijspraktijk. Zo werden er toetsen gegeven na colleges over kunstgeschiedenis, quizzen gedaan in lessen natuurkunde en kregen studenten een formatieve toets na een leesopdracht binnen het domein van de sociale wetenschappen. In alle gevallen werd een voordeel van testen ten opzichte van herstuderen gevonden.

Randvoorwaarden
De randvoorwaarden van het effect zijn ook onderzocht. Zo profiteren we minder of soms helemaal niet van het ophalen van informatie die al veel samenhang van zichzelf heeft. Denk hierbij aan een studietekst met heel veel structuuraanduiders.

Het testing effect is eveneens niet gevonden bij het maken van bepaalde probleemoplostaken.

Ook weten we dat het verstandig is om inhoudelijke feedback te geven na een toets. Het effect is dan sterker en eventuele onjuist herinnerde informatie wordt gecorrigeerd.

Tevens geldt dat hoe meer inspanning het kost om iets op te halen uit je geheugen, hoe meer je beloond wordt voor die moeite: het geheugen wordt extra versterkt. Dit betekent dat je de informatie in de toekomst gemakkelijker kunt ophalen uit je geheugen.

Hierdoor kun je ook weer gemakkelijker nieuwe dingen leren, omdat nieuwe informatie beter gekoppeld kan worden aan de door toetsing versterkte geheugensporen in ons langetermijngeheugen.

Tot slot zijn er aanwijzingen dat juist de wat zwakkere studenten meer profijt hebben van deze leerstrategie dan de studenten die toch al goed presteren.

Verklaring voor het testing effect
Een toets vraagt iets van de lerende. De toets vraagt bijvoorbeeld om kennis op te halen uit het geheugen. Juist dit proces van informatie ophalen uit ons geheugen zorgt ervoor dat ons geheugen voor die betreffende informatie versterkt wordt. Zo kun je dus langer profiteren van wat je geleerd hebt.

Hoe dit proces precies werkt weten we tot op de dag van vandaag niet zeker. Dat het proces de geheugensporen kán versterken, staat echter vast.

Toepassing van het testing effect
Docenten en studenten kunnen hun voordeel doen met deze bevindingen.

Docenten zouden standaard hun les kunnen beginnen met een korte quiz over de lesstof van vorige week of over de stof die studenten moesten doornemen ter voorbereiding van de les.

Het is niet zo dat er altijd formele toetsmomenten moeten worden ingelast hiervoor. Het gaat immers om het proces van het ophalen van informatie uit het geheugen.

Allerlei toetsvormen kunnen dit proces in meerdere of mindere mate uitlokken. Zo kun je een meerkeuzetoets gebruiken maar ook een toets met open vragen. In het laatste geval zullen de studenten waarschijnlijk meer moeite moeten doen om de informatie op te halen uit hun geheugen en zal het effect sterker zijn.

Studenten zouden tijdens het studeren - in plaats van samenvattingen te maken - hun tijd beter kunnen besteden aan het actief herinneren wat ze zojuist hebben gelezen. Als ze dan merken dat ze het nog niet zo goed weten, heeft herstuderen juist een versterkend effect. Dit heet test-potentiated learning.

Maar zelfs zonder herstuderen wordt het geheugen versterkt. Studenten zouden ook zelf toetsvragen kunnen bedenken tijdens het studeren. Als afsluiting van een studiemoment proberen ze dan deze vragen te beantwoorden - zonder te spieken!

[bron: http://lic.avans.nl/service.lic/publicaties/testing-effect]

Martin Seligman - The new era of positive psychology

Martin Seligman talks about the new era of positive psychology.



When I was president of the American Psychological Association, they tried to media-train me, and an encounter I had with CNN summarizes what I'm going to be talking about today, which is the eleventh reason to be optimistic. The editor of Discover told us 10 of them, I'm going to give you the eleventh.

So they came to me -- CNN -- and they said, "Professor Seligman, would you tell us about the state of psychology today? We'd like to interview you about that." And I said, "Great." And she said, "But this is CNN, so you only get a sound bite." So I said, "Well, how many words do I get?" And she said, "Well, one."


And cameras rolled, and she said, "Professor Seligman, what is the state of psychology today?" "Good."


"Cut. Cut. That won't do. We'd really better give you a longer sound bite." "Well, how many words do I get this time?" "I think, well, you get two. Doctor Seligman, what is the state of psychology today?" "Not good."

"Look, Doctor Seligman, we can see you're really not comfortable in this medium. We'd better give you a real sound bite. This time you can have three words. Professor Seligman, what is the state of psychology today?" "Not good enough." And that's what I'm going to be talking about.

I want to say why psychology was good, why it was not good and how it may become, in the next 10 years, good enough. And by parallel summary, I want to say the same thing about technology, about entertainment and design, because I think the issues are very similar.

So, why was psychology good? Well, for more than 60 years, psychology worked within the disease model. Ten years ago, when I was on an airplane and I introduced myself to my seatmate, and told them what I did, they'd move away from me. And because, quite rightly, they were saying psychology is about finding what's wrong with you. Spot the loony. And now, when I tell people what I do, they move toward me.

And what was good about psychology, about the 30 billion dollar investment NIMH made, about working in the disease model, about what you mean by psychology, is that, 60 years ago, none of the disorders were treatable -- it was entirely smoke and mirrors. And now, 14 of the disorders are treatable, two of them actually curable.

And the other thing that happened is that a science developed, a science of mental illness. That we found out that we could take fuzzy concepts -- like depression, alcoholism -- and measure them with rigor. That we could create a classification of the mental illnesses. That we could understand the causality of the mental illnesses. We could look across time at the same people -- people, for example, who were genetically vulnerable to schizophrenia -- and ask what the contribution of mothering, of genetics are, and we could isolate third variables by doing experiments on the mental illnesses.

And best of all, we were able, in the last 50 years, to invent drug treatments and psychological treatments. And then we were able to test them rigorously, in random assignment, placebo controlled designs, throw out the things that didn't work, keep the things that actively did.

And the conclusion of that is that psychology and psychiatry, over the last 60 years, can actually claim that we can make miserable people less miserable. And I think that's terrific. I'm proud of it. But what was not good, the consequences of that were three things.

The first was moral, that psychologists and psychiatrists became victimologists, pathologizers, that our view of human nature was that if you were in trouble, bricks fell on you. And we forgot that people made choices and decisions. We forgot responsibility. That was the first cost.

The second cost was that we forgot about you people. We forgot about improving normal lives. We forgot about a mission to make relatively untroubled people happier, more fulfilled, more productive. And "genius," "high-talent," became a dirty word. No one works on that.

And the third problem about the disease model is, in our rush to do something about people in trouble, in our rush to do something about repairing damage, it never occurred to us to develop interventions to make people happier, positive interventions.

So that was not good. And so, that's what led people like Nancy Etcoff, Dan Gilbert, Mike Csikszentmihalyi and myself to work in something I call positive psychology, which has three aims. The first is that psychology should be just as concerned with human strength as it is with weakness. It should be just as concerned with building strength as with repairing damage. It should be interested in the best things in life. And it should be just as concerned with making the lives of normal people fulfilling, and with genius, with nurturing high talent.

So in the last 10 years and the hope for the future, we've seen the beginnings of a science of positive psychology, a science of what makes life worth living. It turns out that we can measure different forms of happiness. And any of you, for free, can go to that website and take the entire panoply of tests of happiness. You can ask, how do you stack up for positive emotion, for meaning, for flow, against literally tens of thousands of other people? We created the opposite of the diagnostic manual of the insanities: a classification of the strengths and virtues that looks at the sex ratio, how they're defined, how to diagnose them, what builds them and what gets in their way. We found that we could discover the causation of the positive states, the relationship between left hemispheric activity and right hemispheric activity as a cause of happiness.

I've spent my life working on extremely miserable people, and I've asked the question, how do extremely miserable people differ from the rest of you? And starting about six years ago, we asked about extremely happy people. And how do they differ from the rest of us? And it turns out there's one way. They're not more religious, they're not in better shape, they don't have more money, they're not better looking, they don't have more good events and fewer bad events. The one way in which they differ: they're extremely social. They don't sit in seminars on Saturday morning. (Laughter) They don't spend time alone. Each of them is in a romantic relationship and each has a rich repertoire of friends.

But watch out here. This is merely correlational data, not causal, and it's about happiness in the first Hollywood sense I'm going to talk about: happiness of ebullience and giggling and good cheer. And I'm going to suggest to you that's not nearly enough, in just a moment. We found we could begin to look at interventions over the centuries, from the Buddha to Tony Robbins. About 120 interventions have been proposed that allegedly make people happy. And we find that we've been able to manualize many of them, and we actually carry out random assignment efficacy and effectiveness studies. That is, which ones actually make people lastingly happier? In a couple of minutes, I'll tell you about some of those results.

But the upshot of this is that the mission I want psychology to have, in addition to its mission of curing the mentally ill, and in addition to its mission of making miserable people less miserable, is can psychology actually make people happier? And to ask that question -- happy is not a word I use very much -- we've had to break it down into what I think is askable about happy. And I believe there are three different -- and I call them different because different interventions build them, it's possible to have one rather than the other -- three different happy lives. The first happy life is the pleasant life. This is a life in which you have as much positive emotion as you possibly can, and the skills to amplify it. The second is a life of engagement -- a life in your work, your parenting, your love, your leisure, time stops for you. That's what Aristotle was talking about. And third, the meaningful life. So I want to say a little bit about each of those lives and what we know about them.

The first life is the pleasant life and it's simply, as best we can find it, it's having as many of the pleasures as you can, as much positive emotion as you can, and learning the skills -- savoring, mindfulness -- that amplify them, that stretch them over time and space. But the pleasant life has three drawbacks, and it's why positive psychology is not happy-ology and why it doesn't end here.

The first drawback is that it turns out the pleasant life, your experience of positive emotion, is heritable, about 50 percent heritable, and, in fact, not very modifiable. So the different tricks that Matthieu [Ricard] and I and others know about increasing the amount of positive emotion in your life are 15 to 20 percent tricks, getting more of it. Second is that positive emotion habituates. It habituates rapidly, indeed. It's all like French vanilla ice cream, the first taste is a 100 percent; by the time you're down to the sixth taste, it's gone. And, as I said, it's not particularly malleable.

And this leads to the second life. And I have to tell you about my friend, Len, to talk about why positive psychology is more than positive emotion, more than building pleasure. In two of the three great arenas of life, by the time Len was 30, Len was enormously successful. The first arena was work. By the time he was 20, he was an options trader. By the time he was 25, he was a multimillionaire and the head of an options trading company. Second, in play -- he's a national champion bridge player. But in the third great arena of life, love, Len is an abysmal failure. And the reason he was, was that Len is a cold fish.

Len is an introvert. American women said to Len, when he dated them, "You're no fun. You don't have positive emotion. Get lost." And Len was wealthy enough to be able to afford a Park Avenue psychoanalyst, who for five years tried to find the sexual trauma that had somehow locked positive emotion inside of him. But it turned out there wasn't any sexual trauma. It turned out that -- Len grew up in Long Island and he played football and watched football, and played bridge -- Len is in the bottom five percent of what we call positive affectivities.

The question is, is Len unhappy? And I want to say not. Contrary to what psychology told us about the bottom 50 percent of the human race in positive affectivity, I think Len is one of the happiest people I know. He's not consigned to the hell of unhappiness and that's because Len, like most of you, is enormously capable of flow. When he walks onto the floor of the American Exchange at 9:30 in the morning, time stops for him. And it stops till the closing bell. When the first card is played, until 10 days later, the tournament is over, time stops for Len.

And this is indeed what Mike Csikszentmihalyi has been talking about, about flow. And it's distinct from pleasure in a very important way. Pleasure has raw feels: you know it's happening. It's thought and feeling. But what Mike told you yesterday -- during flow, you can't feel anything. You're one with the music. Time stops. You have intense concentration. And this is indeed the characteristic of what we think of as the good life. And we think there's a recipe for it, and it's knowing what your highest strengths are. And again, there's a valid test of what your five highest strengths are. And then re-crafting your life to use them as much as you possibly can. Re-crafting your work, your love, your play, your friendship, your parenting.

Just one example. One person I worked with was a bagger at Genuardi's. Hated the job. She's working her way through college. Her highest strength was social intelligence, so she re-crafted bagging to make the encounter with her the social highlight of every customer's day. Now obviously she failed. But what she did was to take her highest strengths, and re-craft work to use them as much as possible. What you get out of that is not smiley-ness. You don't look like Debbie Reynolds. You don't giggle a lot. What you get is more absorption. So, that's the second path. The first path, positive emotion. The second path is eudaimonian flow.

And the third path is meaning. This is the most venerable of the happinesses, traditionally. And meaning, in this view, consists of -- very parallel to eudaimonia -- it consists of knowing what your highest strengths are, and using them to belong to and in the service of something larger than you are.

I mentioned that for all three kinds of lives, the pleasant life, the good life, the meaningful life, people are now hard at work on the question, are there things that lastingly change those lives? And the answer seems to be yes. And I'll just give you some samples of it. It's being done in a rigorous manner. It's being done in the same way that we test drugs to see what really works. So we do random assignment, placebo controlled, long-term studies of different interventions. And just to sample the kind of interventions that we find have an effect, when we teach people about the pleasant life, how to have more pleasure in your life, one of your assignments is to take the mindfulness skills, the savoring skills, and you're assigned to design a beautiful day. Next Saturday, set a day aside, design yourself a beautiful day, and use savoring and mindfulness to enhance those pleasures. And we can show in that way that the pleasant life is enhanced.

Gratitude visit. I want you all to do this with me now, if you would. Close your eyes. I'd like you to remember someone who did something enormously important that changed your life in a good direction, and who you never properly thanked. The person has to be alive. OK. Now, OK, you can open your eyes. I hope all of you have such a person. Your assignment, when you're learning the gratitude visit, is to write a 300-word testimonial to that person, call them on the phone in Phoenix, ask if you can visit, don't tell them why, show up at their door, you read the testimonial -- everyone weeps when this happens. And what happens is when we test people one week later, a month later, three months later, they're both happier and less depressed.

Another example is a strength date, in which we get couples to identify their highest strengths on the strengths test, and then to design an evening in which they both use their strengths, and we find this is a strengthener of relationships. And fun versus philanthropy. But it's so heartening to be in a group like this, in which so many of you have turned your lives to philanthropy. Well, my undergraduates and the people I work with haven't discovered this, so we actually have people do something altruistic and do something fun, and to contrast it. And what you find is when you do something fun, it has a square wave walk set. When you do something philanthropic to help another person, it lasts and it lasts. So those are examples of positive interventions.

So, the next to last thing I want to say is we're interested in how much life satisfaction people have. And this is really what you're about. And that's our target variable. And we ask the question as a function of the three different lives, how much life satisfaction do you get? So we ask -- and we've done this in 15 replications involving thousands of people -- to what extent does the pursuit of pleasure, the pursuit of positive emotion, the pleasant life, the pursuit of engagement, time stopping for you, and the pursuit of meaning contribute to life satisfaction?

And our results surprised us, but they were backward of what we thought. It turns out the pursuit of pleasure has almost no contribution to life satisfaction. The pursuit of meaning is the strongest. The pursuit of engagement is also very strong. Where pleasure matters is if you have both engagement and you have meaning, then pleasure's the whipped cream and the cherry. Which is to say, the full life -- the sum is greater than the parts, if you've got all three. Conversely, if you have none of the three, the empty life, the sum is less than the parts.

And what we're asking now is does the very same relationship, physical health, morbidity, how long you live and productivity, follow the same relationship? That is, in a corporation, is productivity a function of positive emotion, engagement and meaning? Is health a function of positive engagement, of pleasure, and of meaning in life? And there is reason to think the answer to both of those may well be yes.

So, Chris said that the last speaker had a chance to try to integrate what he heard, and so this was amazing for me. I've never been in a gathering like this. I've never seen speakers stretch beyond themselves so much, which was one of the remarkable things. But I found that the problems of psychology seemed to be parallel to the problems of technology, entertainment and design in the following way. We all know that technology, entertainment and design have been and can be used for destructive purposes. We also know that technology, entertainment and design can be used to relieve misery. And by the way, the distinction between relieving misery and building happiness is extremely important. I thought, when I first became a therapist 30 years ago, that if I was good enough to make someone not depressed, not anxious, not angry, that I'd make them happy. And I never found that. I found the best you could ever do was to get to zero. But they were empty.

And it turns out the skills of happiness, the skills of the pleasant life, the skills of engagement, the skills of meaning, are different from the skills of relieving misery. And so, the parallel thing holds with technology, entertainment and design, I believe. That is, it is possible for these three drivers of our world to increase happiness, to increase positive emotion, and that's typically how they've been used. But once you fractionate happiness the way I do -- not just positive emotion, that's not nearly enough -- there's flow in life, and there's meaning in life. As Laura Lee told us, design, and, I believe, entertainment and technology, can be used to increase meaning engagement in life as well.

So in conclusion, the eleventh reason for optimism, in addition to the space elevator, is that I think with technology, entertainment and design, we can actually increase the amount of tonnage of human happiness on the planet. And if technology can, in the next decade or two, increase the pleasant life, the good life and the meaningful life, it will be good enough. If entertainment can be diverted to also increase positive emotion, meaning, eudaimonia, it will be good enough. And if design can increase positive emotion, eudaimonia, and flow and meaning, what we're all doing together will become good enough. Thank you.

[bron: https://www.ted.com/talks/martin_seligman_on_the_state_of_psychology/transcript]

maandag 29 februari 2016

De kwaliteit van schoolleiders

De Inspectie van het Onderwijs heeft in de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar thema’s als professionalisering van leraren en de kwaliteit van bestuurlijk handelen. Schoolleiders bleven, ondanks hun belangrijke positie als verbindende schakel tussen besturen en leraren, onderbelicht. Daarom onderzocht de inspectie in 2013 de kwaliteit van schoolleiders in het basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs. Schoolleiders zijn in dit onderzoek degenen die hiërarchisch en functioneel leiding geven aan leraren en die door hun besturen verantwoordelijk zijn gesteld voor de kwaliteit van het personeel. 

Schoolleiders functioneren naar behoren. Ze hebben draagvlak in hun team, bouwen vertrouwen op, kennen hun omgeving en bevorderen professionalisering van hun leraren. Daarentegen hebben ze moeite met enkele andere aspecten van kwalitatief goed schoolleiderschap zoals het anticiperen op risico’s en dilemma’s, het oplossen van complexe problemen en het doelgericht gebruiken van gegevens om de school te verbeteren. Waarschijnlijk verklaart dit mede waarom de kwaliteitszorg op veel scholen al lange tijd stagneert. 

Dit onderzoek toont aan dat de kwaliteit van schoolleiders samenhangt met de kwaliteit van lessen op hun scholen: hoe beter de schoolleiders, hoe beter die lessen zijn. Het onderzoek toont ook aan dat besturen hierbij van belang zijn. Hoe sterker besturen de kwaliteit van scholen bewaken en stimuleren, hoe beter de schoolleiders zijn. Dit onderstreept het breed gedragen belang van investeren in de professionalisering van schoolleiders. Verbeteren van de kwaliteit van de schoolleider is dan ook niet alleen een taak voor schoolleiders zelf, maar besturen spelen eveneens een belangrijke rol. Besturen kunnen en moeten hun schoolleiders stimuleren en faciliteren in hun verdere professionalisering. 

We hebben in Nederland dus te maken met redelijk professionele schoolleiders, maar tegelijkertijd valt er nog veel te verbeteren aan de kwaliteit van het schoolleiderschap. Daarbij moeten we niet uit het oog verliezen dat schoolleiders vaak in moeilijke omstandigheden hun werk moeten doen en daardoor soms gedwongen zijn hun aandacht te richten op allerlei voorwaardenscheppende zaken die afleiden van de kern van hun eigenlijke taak. Het is dan ook van belang dat schoolleiders kunnen beschikken over voldoende ruimte en faciliteiten die hen in staat stellen hun leidende functie voldoende uit te voeren en hun kwaliteit verder te ontwikkelen. 

De inspectie zal de resultaten uit dit onderzoek gebruiken bij de vernieuwing van het toezicht, maar hoopt daarnaast dat besturen en schoolleiders en de betrokken organisaties, de resultaten zullen gebruiken om kritisch naar zichzelf te kijken en aanknopingspunten te zoeken om verdere verbetering van de kwaliteit van schoolleiders te stimuleren.

Inspectie van het Onderwijs - 2014

[bron : http://www.onderwijsinspectie.nl/binaries/content/assets/Documents+algemeen/2014/20140326-definitief-rapport-themaonderzoek-schoolleiding.pdf]

Zeven domeinen van schoolleiderschap - Waslander

Op grond van literatuuronderzoek heeft Sietske Waslander e.a. (2012) zeven domeinen van schoolleiderschap onderscheiden. 

Prof. dr. Sietske Waslander is hoogleraar Sturing van complexe onderwijs organisaties en vanaf september 2007 als Academic Director verbonden aan TIAS. Ze is gespecialiseerd in onderwijsvraagstukken, en doet met name onderzoek naar vraagstukken omtrent de inrichting van het onderwijsbestel, de inrichting van complexe onderwijsorganisaties en duurzaam vernieuwen.

De zeven domeinen van schoolleiderschap en hun kenmerken zijn: 

Domein 1: Visie en richting 
Domein 2: Curriculum en instructie 
Domein 3: Professionele ontwikkeling stimuleren 
Domein 4: Coherente organisatie 
Domein 5: Lerende organisatie 
Domein 6: Strategisch omgaan met omgeving 
Domein 7: Persoon van de leider 



Domein 1: Visie en richting 

Visie op leren en doceren ontwikkelen, deze delen en tot uitgangspunt maken voor alle beslissingen. 

Kenmerken: 
• Werken vanuit een gedeelde visie die mensen inspireert en motiveert 
• Visie op leren en doceren consequent doorvertalen naar alle aspecten van de organisatie 
• De organisatie richting geven voor de toekomst 

Domein 2: Curriculum en instructie 

Realiseren van optimale condities voor leren en doceren (o.a. fysieke omgeving; leermiddelen; tijdsbesteding). 

Kenmerken: 
• Onderwijsomstandigheden creëren waarin leerlingen optimaal toekomen aan leren en in voldoende mate effectieve instructie krijgen 
• Bijdragen aan het bepalen van leerdoelen voor alle leerlingen, en strategieën om die doelen te behalen 
• Zorgdragen aan een coherent en ‘rijk’ curriculum

Domein 3: Professionele ontwikkeling stimuleren 

Professionele ontwikkeling van individuele medewerkers stimuleren. 

Kenmerken: 
• Professionele dialoog voeren met individuele medewerkers 
• Individuele medewerkers gericht ruimte en mogelijkheden bieden om te leren en zich verder te ontwikkelen 
• Cultuur opbouwen waarin mensen kunnen en mogen leren 
• Dit alles verbonden met visie, en aansluitend op ontwikkeling van de organisatie als geheel 
• Stimuleren, evalueren en ontwikkelen 

Domein 4: Coherente organisatie 

Coherentie realiseren tussen alle beleidsterreinen binnen de organisatie. 

Kenmerken: 
• Kundig zijn op alle (relevante) beleidsterreinen binnen de organisatie (o.a. onderwijskundig beleid, kwaliteitsbeleid, HRM, financiën, huisvesting etc.) en in staat zijn expertise op waarde te schatten 
• Coherentie aanbrengen tussen de beleidsterreinen, gericht op het ondersteunen en stimuleren van leren en doceren 
• De verdeling en besteding van middelen baseren op de visie en doelen van de school 
• Zorgen dat de beheersmatige kant van de school op orde is 

Domein 5: Lerende organisatie 

Een proces van continue verbetering realiseren. 

Kenmerken: 
• Leerprocessen op individueel-, groeps- en organisatieniveau op elkaar afstemmen 
• Op elk niveau doorgaande leercycli faciliteren

Domein 6: Strategisch omgaan met omgeving 

De omgeving van de organisatie in kunnen zetten om de organisatiedoelen te realiseren. 

Kenmerken: 
• Productieve relaties met andere partijen realiseren en andere partijen weten te mobiliseren (o.a. ouders, scholen, overheden) 
• Inspelen op toekomstige ontwikkelingen 
• Beleid en regelgeving kunnen benutten om organisatiedoelen te realiseren 
• De organisatie zo nodig af kunnen schermen voor invloeden van buiten; optreden als filter, hitteschild e.d. 
• Naar buiten toe verantwoording afleggen over gevoerd beleid en gerealiseerde uitkomsten 

Domein 7: Persoon van de leider 

Beschikken over persoonlijke eigenschappen, kennis en vaardigheden om de rol van schoolleider effectief in te kunnen vullen. 

Kenmerken: 
• Integer, betrouwbaar en geloofwaardig handelen (rolmodel zijn) 
• Vermogen om wederzijds vertrouwen op te bouwen 
• Opereren vanuit sterke persoonlijke waarden en als de context daarom vraagt daar flexibel mee om te kunnen gaan 
• Open leerhouding demonstreren 
• Complexe problemen op kunnen lossen (incl. creativiteit) 


[bron : http://www.centrumvoornascholing.nl/fileadmin/user_upload/Afbeeldingen/Leiderschap/Beroepsprofiel-voor-schoolleiders-VO.pdf]