woensdag 16 september 2015

Over het motiveren van pubers - psychologe Martine Delfos

Als je je kind wilt laten lopen, moet het vuur aan’

Scholen en ouderverenigingen krijgen regelmatig wanhopige ouders aan de lijn waarvan het kind met geen mogelijkheid vooruit is te branden. Taken in het gezin en het huiswerk worden verwaarloosd, ondanks alle ernstige gesprekken, ruzies en begeleiding thuis en op school. Het regent dan ook onvoldoendes. Zelfs het perspectief van zittenblijven, of – nog erger – verwijdering van school verhoogt de inzet niet.



‘Ziet mijn kind dan niet dat het mis gaat? Denkt hij dan niet aan zijn toekomst?’ Volgens psychologe Marine Delfos dringen ouders met deze vragen niet door tot de kern. ‘Ouders hebben vaak de neiging om hun puber te willen overtuigen met argumenten. Ze zeggen bijvoorbeeld: “Als je je huiswerk niet doet, haal je nooit je diploma en krijg je later geen werk”. Dat weet je kind zelf ook wel en is alleen maar slaapverwekkend voor hem. Bovendien, wie argumenteert, zegt niet wat hij of zij werkelijk vindt en voelt. Daarnaast kunnen argumenten altijd worden weersproken. Ze lokken uit tot competitie. Pubers voelen die speelruimte. De verleiding is voor hen dan erg groot om daar gebruik van te maken’. 

Gaan staan 
‘Jongeren hebben vaak niet in de gaten hoe kwetsbaar ouders in hun liefde voor hun kind kunnen zijn. Ze zien hun ouders als de sterke partij waartegen zij mogen opboksen. Soms maken ze er zelfs een sport van. Met argumenteren verlies je altijd, omdat je kind wil winnen en zich niet wil laten kennen. Ouders moeten daarom gaan staan voor wat ze werkelijk vinden, denken en voelen. Zeg dat je puber iets écht moet doen, ook al heeft hij geen zin. Daar gaat gezag van uit. Veel ouders vinden dat heel eng. Ze willen vermijden dat hun kind hen niet meer aardig vindt, of ze vrezen een heftige, ongehoorzame of brutale reactie. In wezen zijn ze bang om de liefde van hun kind te verliezen. Die angst is begrijpelijk, maar ongegrond. Ook al word je kind boos, hij of zij beseft maar al te goed dat ouders onvervangbaar zijn. Blijven staan is dus het devies. Niet soebatten! Dat betekent overigens niet dat je geen moeite hoeft te doen om je mening uit te leggen. Uitleggen is namelijk iets anders dan argumenteren. Je maakt je standpunt dan (via Ik-boodschappen) duidelijk zonder de discussie aan te gaan. Daarna hoef jezelf niet meer eindeloos te herhalen als je kind je mening al kent’. hersens aan ‘Een ander nadeel van “preken” door ouders is dat de hersenen van pubers hiermee als het ware in de uitstand worden gezet. Ze luisteren niet bewust naar je en wachten rustig af tot de storm is gaan liggen. Beter is het daarom om die hersenen in de “aanstand” te zetten. Dat kun je doen door ze vragen voor te leggen in de trant van: “Ik begrijp niets van je gedrag, je haalt de ene na de andere onvoldoende terwijl je veel beter kunt. Dat weet je zelf ook wel. Wil je dan niet overgaan en bij je vrienden in de klas blijven?”. Of: “Ik denk dat je later er spijt van zult krijgen als je je diploma niet haalt. Stel je nu eens voor dat ik daar gelijk in krijg …?”. Ook je kind eens zijn neus durven laten stoten door hem of haar verantwoordelijkheden te geven, kan soms wonderen doen. Het is dan wel belangrijk dat je daarbij een beredeneerd risico neemt, zodat er geen ernstige, blijvende gevolgen kunnen optreden. Verder is van belang dat je kind weet dat je hem of haar niet in de steek laat, maar juist vertrouwen geeft. Dit kun je doen door bijvoorbeeld te zeggen: “Ik heb het gevoel dat je vindt dat ik zeur. Ik doe dat om je te beschermen, maar je vindt dat kennelijk niet nodig. Zullen we een testje doen of je het echt zelf kunt? Oké, dan houd ik nu op met zeuren”. Je kind weet dan van tevoren dat de bal bij hem ligt. Door deze benadering is de kans groter dat je kind zich inderdaad gaat afvragen: “Waarom doe ik eigenlijk zo gek?” Verwacht echter niet dat hij of zij dat zal toegeven. Het voorhouden van een spiegel wekt bij pubers veelal diepe schaamtegevoelens op’. risico’s ‘Die schaamte speelt vooral bij jongens als er sprake is van competitie. Er is in hun beleving niets erger dan falen in iets waar je werkelijk je best voor hebt gedaan. Huiswerk leren is al niet “cool”, maar een onvoldoende halen voor huiswerk dat is geleerd, is wel het toppunt van sukkeligheid. Door je huiswerk niet te doen, voorkom je dus een afgang. Het slechte cijfer is dan immers verklaarbaar en geen gevolg van persoonlijke zwakheden. De werking van dit mechanisme kan moeilijk worden overschat. Dat geldt overigens ook voor de verslavende werking van de computer. De spanning en de uitdaging van de virtuele wereld van de games kunnen pubers helemaal opzuigen. Ouders moeten daar beslist grenzen aan stellen en als dat niet lukt professionele hulp gaan zoeken’. vuur aanwakkeren ‘Meestal correspondeert het gebrek aan inzet, met de dwarse jaren in de puberteit. Dat is globaal van 14 tot en met 16 jaar. Je kind groeit er meestal overheen. Pubers maken in die leeftijd een enorme ontwikkeling door en er gaat verschrikkelijk veel door hun hoofd, ook al denk je dat ze niets doen. Zelf deed ik vroeger ook nooit mijn huiswerk en ben ik meerdere malen blijven zitten. Daar heb ik nu nog wel eens spijt van, maar ik heb toen wel allerlei andere nuttige dingen gedaan die ik niet had willen missen, zoals het lezen van heel veel boeken. Dat roept de vraag op of je puber echt tot niets komt, of dat dat alleen maar zo lijkt. Het wordt namelijk pas echt vervelend als je kind steeds aan zijn huiswerk moet denken, dat vervolgens toch niet doet, maar zijn tijd ook niet op een andere, zinvolle manier besteedt. Vooral het hebben van contact met vrienden is van groot belang voor pubers. Door die contacten slepen ze elkaar vaak door de moeilijke fase heen. Verder kan het helpen om je te herinneren wat je kind fascineerde als keuter of jong kind. Als ouder weet je waar je kind warm voor loopt. Dat is kennelijk wat je kind moet gaan doen. Niet hoe jij wilt dat je kind moet zijn, moet zijn of haar ontwikkeling bepalen, maar wie je kind ís. Daarmee wakker je het heilige vuur in hem of haar aan’. 

[ bron : http://www.mdelfos.nl/2008-NKO-puber.pdf ]

zondag 13 september 2015

Effectief leren met een positieve beleving

In het artikel "Perceived structure and achievement goals as predictors of students' self-regulated learning and affect and the mediating role of competence need satisfaction, Learning and Individual Differences (2012) van de onderzoekers Athanasios Mouratidis (universiteit van Leuven), Maarten Vansteenkiste (universiteit van Gent), Aikaterini Michou (Bilkent Universiteit Turkije) en Willy Lens (universiteit van Leuven) onderzochten zij: 
  • de mate waarin ervaren structuur en het type doelen effectieve leerstrategieën van leerlingen zou kunnen verklaren. 
  • Daarnaast onderzochten ze wat het effect van de ervaren mate van structuur en het type doel was op de beleving van de leerlingen. 

Ze onderzochten daarbij zowel de verschillen tussen leerlingen uit dezelfde klas als tussen leerlingen uit verschillende klassen.

Waarom is het belangrijk om te kijken naar het effect van structuur en persoonlijke doelen op leerstrategieën en schoolprestaties? De basisbehoefte aan competentie is de reden daarvoor. Ervaren structuur is namelijk gerelateerd aan een gevoel van competentie. En het soort doel dat de leerling heeft is ook gerelateerd is aan een gevoel van competentie. Het onderzoek naar de rol van structuur op de ervaren competentie is nog beperkt en de relatie tussen de ervaren structuur en het soort doel is al helemaal beperkt. Dus: welke relatie is er tussen het ervaren van structuur in de klas in combinatie met het type doel van de leerling en de leerstrategie, beleving en prestaties van de leerling?

Een aantal hypotheses van de onderzoekers waren deze:
  • Leerlingen die hun docent ervaren als iemand die structuur aanreikt, gebruiken effectievere leerstrategieën en hebben een positievere beleving, waarschijnlijk omdat hun behoefte aan competentie wordt vervuld
  • Leerdoelen en performance-approach doelen zijn een positieve predictor van effectieve leerstrategieën en positieve beleving en performance-vermijddoelen zijn een negatieve predictor.
  • Leerdoelen zijn een sterkere positieve predictor voor effectieve leerstrategieën en positieve beleving dan prestatiedoelen, omdat leerdoelen inherent gerelateerd zijn aan intrinsieke motivatie en interesse.
  • Leerlingen in een hoog gestructureerd klassenklimaat ontwikkelen effectievere leerstrategieën dan leerlingen in een laag gestructureerd klassenklimaat


De uitkomsten uit hun onderzoek waren deze:

  • Als leerlingen ervaren dat er structuur is in de les, dan biedt dit drie voordelen: er is een positieve relatie tussen ervaren structuur en motivatie om te leren, er is een positieve relatie tussen ervaren structuur en een actieve betrokkenheid bij de les, er is een positieve relatie tussen ervaren structuur en diepgaand leren. Dit effect treedt op omdat een ervaren structuur de basisbehoefte aan competentie vervult. Dit effect treedt met name op wanneer de structuur op een autonomie-ondersteunende manier wordt aangereikt (dus bijvoorbeeld met uitleg van de rationale en erkenning voor het perspectief van de student).

  • Leerlingen die leerdoelen hebben en in mindere mate leerlingen die performance-approach doelen hebben leren diepgaander en hebben positievere gevoelens over het leren, dan studenten die prestatievermijddoelen hebben. Je leert diepgaander en plezieriger wanneer je doel bijvoorbeeld is om goed Duits te leren spreken, dan wanneer je doel is een slecht cijfer te omzeilen.

  • Wanneer de leerling een goede mate van structuur ervaart in de klas, terwijl die leerling een vermijdingsdoel heeft (vermijden om een laag cijfer te halen), wordt het negatieve effecten op de kwaliteit van het leren en op de beleving gedempt. Dus hoewel het zo is dat een prestatievermijddoel minder goede leerstrategieën tot gevolg heeft dan een leerdoel en ook gepaard gaat met minder positieve beleving, kan het bieden van structuur die negatieve effecten deels opheffen. Dat komt omdat mensen zich competenter voelen als er structuur wordt aangereikt.


Kortom: docenten die structuur aanreiken helpen leerlingen en diepgaand te leren en positieve gevoelens te hebben over het leren. Zeker wanneer ze daarbij leerdoelen aanreiken in plaats van prestatievermijddoelen en wanneer ze geen competitie-element inbrengen in de klas.

[  bron: http://progressiegerichtwerken.com/effectief-leren-met-een-positieve-beleving/ ]

Leerstrategieën als motor achter betere schoolprestaties

Leerstrategieën zijn concrete manieren van leren die leerlingen bewust kunnen inzetten om het leren zo soepel mogelijk te laten verlopen – ze leren hen ‘hoe’ ze moeten en kunnen leren. Uit vele wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat leerlingen aanzienlijk beter presteren als ze leerstrategieën inzetten in hun leerproces. Met name prestaties op het vlak van schrijven, rekenen, begrijpend lezen, wiskunde en natuurvakken (zoals biologie) verbeteren als leerlingen beter gebruikmaken van leerstrategieën.

Verwar leerstrategieën niet met studievaardigheden, die leerlingen vaak automatisch of onbewust uitvoeren. Studievaardigheden zijn bijvoorbeeld een kaart leren lezen of iets opzoeken op internet. In het begin kost dat wel moeite, maar naarmate leerlingen het vaker doen, gaat het steeds meer vanzelf. Leerstrategieën zet een leerling daarentegen actief en bewust in. Denk bijvoorbeeld aan het plannen van een opdracht, het terugkijken op fouten en het verbinden van zelfbedachte voorbeelden aan de leerstof. Dat vereist allemaal een actieve, bewuste inspanning. Elke keer weer moet de leerling een afweging maken: Wat ga ik doen? Welke leerstrategie kan ik nu het best inzetten?

Uit wetenschappelijk onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt dat er 14 leerstrategieën kunnen worden onderscheiden die allemaal bijdragen aan betere schoolprestaties (zie de onderstaande tabel).

Leerstrategie

Omschrijving

Overzien

Het inzetten van kennis over leren en hoe je dat het best kunt doen.

Jezelf kennen

Het inzetten van kennis je over jezelf hebt als het gaat om leren. Je hebt inzicht in je zwakke en sterke punten met betrekking tot school en weet hoe jij het best leert.

Vooruitkijken

Het plannen van leerwerk in termen van taken, tijd en prioriteiten.

Bijhouden

Het nagaan en bijhouden van de voortgang in het leren tijdens een leertaak.

Terugkijken

Het terugkijken op de leertaak en het leerproces en daaruit een conclusie of les trekken.

Herhalen

Het letterlijk herhalen van leerstof.

Verdiepen

Actief iets doen met de leerstof en erover nadenken.

Structureren

Het inperken en organiseren van informatie in de vorm van geschreven tekst of visuele weergaven.

Jezelf organiseren

Het in goede banen leiden van de eigen inspanningen ten behoeve van het leren.

Omgeving organiseren

Het creëren van een leeromgeving waarin optimaal geleerd kan worden.

Anderen organiseren

Het beïnvloeden van anderen zodat je van hen krijgt wat je nodig hebt om goed te kunnen leren.

Jezelf vertrouwen

Het hebben of krijgen van vertrouwen in het eigen kunnen om een leertaak tot een succes te brengen en dat zelfvertrouwen   gebruiken om jezelf te motiveren.

Het nut zien

Het verkrijgen van inzicht in de waarde van leerstof en dat gebruiken om jezelf te motiveren.

Jezelf motiveren

Het aanboren van de eigen (intrinsieke) motivatie voor leren.



Meer weten?

Wil je weten hoe je deze leerstrategieën kunt trainen en stimuleren bij leerlingen? Lees dan het boek: ‘Effectiever leren met leerstrategieën’ van sociaal psycholoog Pieternel Dijkstra (uitgeverij Boom, ISBN 9789089535269) en/of neem contact op met AOB-Compaz. Dr. Pieternel Dijkstra is sociaal psycholoog. Ze werkt als psycholoog, docent, wetenschappelijk onderzoeker, adviseur, lector en auteur. Zie www.pieterneldijkstra.nl


[ bron: http://www.aobcompaz.nl/4798 ]

zaterdag 5 september 2015

Jongensgedrag moet niet geproblematiseerd worden - Angela Crott

Vroeger werden jongens gezien als mannen-in-wording, hun drang tot lawaai, actie en gelding werd voor lief genomen. Tegenwoordig zijn diezelfde eigenschappen een probleem, met name op school. ‘Niet de jongens maar de opvoeders zijn veranderd’, stelt Angela Crott na bestudering van jongens-opvoedingsboeken van 1882 tot 2005.




Uitzending van Zembla - etiketkinderen

Jongens doen het in het onderwijs minder goed dan meisjes en vanaf de jaren negentig neemt het aantal jongens dat vanwege ‘abnormale’ lawaaierigheid en beweeglijkheid met ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) wordt gediagnosticeerd, toe. Wat is er aan de hand met de jongen als ‘opvoedeling’? Is er eigenlijk wel wat met hem aan de hand? Om met het eind te beginnen: nee, met jongens is niks aan de hand. Zij zijn wezenlijk hetzelfde gebleven; jongens hebben altijd een drang tot lawaai, actie, exploratie en gelding gehad.

Na bestudering van jongensopvoedingsboeken door de jaren heen, blijkt dat de in deze boeken genoemde zielseigenschappen van de jongen, ook de eigenschappen zijn die door volwassenen als storend worden ervaren en daarmee om opvoedkundige interventie vragen. Als jongenskenners laten de schrijvers van de opvoedingsboeken onafhankelijk van elkaar zien dat deze eigenschappen – die ik tot het universele jongenskarakter zou willen rekenen – door alle maatschappelijke ontwikkelingen van de twintigste eeuw heen hetzelfde zijn gebleven. Dit betreft niet alleen de hoogmoed van de jongen (te vertalen in geldingsdrang) en zijn baldadigheid, gekoppeld aan lawaaierigheid en beweeglijkheid, maar ook zijn ledigheid/luiheid en zijn verlegenheid/zwijgzaamheid.

Wat wel door de tijd verandert, is de waardering voor dergelijke ‘jongenseigenschappen’ – wat weer een gevolg is van veranderingen in de samenleving. Twee van de belangrijkste ontwikkelingen die de waardering hebben doen veranderen zijn de onderwijsexpansie en de opkomst van het feminisme. De school heeft zich gedurende de twintigste eeuw weinig van natuurlijk jongensgedrag aangetrokken en de vrouwenbeweging houdt er vanaf 1970 nog minder rekening mee.

Zonder diploma van school was tot in de jaren zestig geen probleem
Tussen 1900 en 1945 was de jongen de held – de ‘erfprins des hemels’ werd hij in een van de bronnen genoemd – en dat past bij de hiërarchische samenleving van die tijd. Mannen werkten, vrouwen ondersteunden hen en vaders stonden aan het hoofd van het gezin. Dat was het voorland voor de jongen; zijn grootste streven was een man worden. Dat jongens wel eens een grote mond hadden, was bijzaak. De opvoedingsliteratuur van deze periode tilt ook niet enorm zwaar aan het hebben van een diploma. Het is menig auteur duidelijk dat veel jongens ‘ideale schooleigenschappen’ missen als concentratievermogen, gehoorzaamheid en stil kunnen blijven zitten. Als een jongen zonder diploma de school verlaat, is hij geen mislukkeling.

Tot ver in de jaren vijftig en ook nog in de jaren zestig heeft de jongen er niet echt last van dat hij belangrijke schooleigenschappen  ontbeert. Omdat een middelbare schooldiploma nog niet per se noodzakelijk is, kan hij het zich permitteren school al snel voor gezien te houden. Ook met een paar jaar middelbare school kan hij de gemeenschap van dienst zijn. Met de invoering van de Mammoetwet in 1968 is dit niet meer mogelijk. Naast een verplicht diploma komen er meer verplichte jaren algemeen onderwijs, ook voor de jongen in het beroepsonderwijs. Daarmee is het jongensenthousiasme voor de sterk praktijkgerichte ambachtsschool/lts verleden tijd. Daarbovenop krijgt de jongen het meisje als klasgenote. In tegenstelling tot hem blijkt zij wel over de juiste schooleigenschappen te beschikken.

Anders dan menigeen aannam, wordt de jongen echter niet geïnspireerd door deze vrouwelijke ijver. Zijn schoolmoeheid valt nog meer op met de creatie van onderwijsfabrieken en de invoering van onderwijsvernieuwingen in de jaren negentig, die hetzelfde oogmerk hebben als de Mammoetwet: het verhogen van het diplomarendement. Evenmin als deze wet slagen ze daarin.

Jongensagressie moet onderdrukt, wordt het idee
Vanaf de jaren tachtig ondervindt de jongen zowel thuis als op school de invloed van de, in de jaren zeventig ingezette, vrouwenemancipatie. Neemt thuis de ouderlijke aandacht voor hem af, op school neemt de aandacht voor hem juist toe. De afnemende ouderlijke aandacht is te wijten aan twee ontwikkelingen: de toename van het aantal werkende moeders waardoor steeds meer kinderen naar de kinderopvang gaan, en de groei van het aantal echtscheidingen waardoor de vader meestal het ouderlijk huis verlaat. De toenemende aandacht die de jongen op school krijgt, is in eerste instantie gericht op het afleren van zijn overlast gevende jongensgedrag. Dit seksespecifieke gedrag moet geneutraliseerd worden.

Dat dit mogelijk zou zijn, wordt ingegeven door de in deze tijd in zwang zijnde nurture-theorie waar de vrouwenemancipatie op meelift: het is de omgeving die van een jongen een jongen en van een meisje een meisje maakt, en het is ook de omgeving die dit seksespecifieke gedrag kan afleren. Zo moet zijn jongensagressie worden ingetoomd, net als zijn hoogmoedige geldingsdrang. Want waarom zou hij beter zijn dan meisjes?

Met het vrijgeven van de vrouwelijke seksualiteit in de jaren zeventig, raakt de jongen niet alleen zijn eeuwenoude rol als beschermer van de kuisheid van het meisje kwijt, maar komt hij ook als jonger evenbeeld van de mannelijke onderdrukker in beeld. Hij wordt een agressor, wiens agressief (seksueel) gedrag moet worden afgeleerd. Tussen 1980 en 2005 wordt daarom de sekseneutrale opvoeding populair en jongens mogen zich steeds minder jongensachtig gedragen.

Boys will be boys
De eis dat jongens zich moeten gaan gedragen als meisjes, kan gezien worden als de genadeslag voor de jongen. Hiermee wordt de vrouwenemancipatie de druppel die de emmer doet overlopen. Zeker in combinatie met het gegroeide belang van een goede opleiding en de jongenseigenschappen die daar slecht bij aansluiten (lawaai, een overdaad aan lichamelijke energie, ongehoorzaamheid). Dit wordt zelfs als een dusdanig probleem gezien dat jongens er voor worden gemedicaliseerd. ADHD, in de betekenis van Alle Dagen Heel Druk, is gedrag dat op school heel slecht uitkomt. Pillen daartegen schelen enorm in de onrust in de klas. Het is een constante in de geschiedenis van het Medisch Opvoedkundig Bureau (MOB) dat het aantal jongens voor wiens (school)gedrag bij hen wordt aangeklopt – en die daarbij grote kans lopen op de diagnose neurasthenie, Minimal Brain Dysfunction (MBD) of ADHD – meer dan tweemaal zo groot is als het aantal meisjes.

In plaats van jongensgedrag te problematiseren, en de jongens te medicaliseren, wil ik pleiten voor meer begrip en waardering voor jongensgedrag. Als jongens moeilijk schools kunnen leren, moet je ze dan iedere keer vragen om reflecties op hun eigen gedrag te schrijven en portfolio’s in te leveren? Er moeten toch ook onderwijsvormen te bedenken zijn die meer inspelen op hun fysieke energie, hun durf en nieuwsgierigheid. Denk aan de ambachtsschool, het schooltype waar jongens het altijd goed hebben gedaan en de enige school die positief besproken wordt in de bronnen.

Als er nu gesproken wordt over kenniseconomie, dan gaat het niet over deze vorm van kennis. Die verdient meer waardering, zodat  ouders hun zonen daar weer met trots naar toe laten gaan.

Angela Crott is voormalig onderwijzeres. Zij is in december 2011 gepromoveerd met haar proefschrift: ‘Van hoop des vaderlands naar ADHD’er. Het beeld van de jongen in opvoedingsliteratuur (1882-2005)’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

[ bron: http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/01/11/jongensgedrag-moet-niet-geproblematiseerd/ ]

vrijdag 4 september 2015

Jongens

Historica Angela Crott publiceerde een boek waarin ze honderd jaar opvoedingsliteratuur analyseerde. 

Jongens hebben het moeilijk: ze halen lagere cijfers dan meisjes, haken eerder af op school, en volgen een opleiding op een lager niveau. Ook hebben steeds meer jongens ADHD, en ritalin wordt schrikbarend vaak voorgeschreven. Maar volgens historica Angela Crott is er met de jongens van tegenwoordig niets aan de hand, en bestaat ADHD niet.

Aan de hand van honderd jaar opvoedingsliteratuur en haar eigen ervaring als onderwijzeres en moeder van twee zoons, schetst Crott onze veranderende samenleving, die typisch jongensgedrag steeds minder waardeert. 

Jongens hebben geen probleem, wij hebben een probleem met jongens. De eisen die ouders, school en de maatschappij aan jongens stellen doen hun geen goed. Wat hebben jongens wel nodig? Later naar de crèche, stevig ouderlijk gezag, korter en gescheiden onderwijs, en meer begrip voor jongenseigenschappen. 


Angela Crott (1955) is oud-onderwijzeres, historica en moeder van twee zoons. In 2011 promoveerde ze aan de Radboud Universiteit Nijmegen op het proefschrift 'Van hoop des vaderlands naar ADHD'er. Het beeld van de jongen in opvoedingsliteratuur (1882-2005). 

http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/91316/91316.pdf

http://www.ru.nl/@832494/hoop-des-vaderlands/

Hoe is door de decennia heen de beeldvorming over jongens en jongensgedrag veranderd?

Vier jongenseigenschappen worden in de 171 boeken die ze bestudeerde steeds weer genoemd:

1. Baldadigheid of kattenkwaad;

2. Hoogmoed of grootspraak;

3. Ledigheid of luiheid;

4. Zwijgzaamheid of verlegenheid

Het zijn lastige eigenschappen voor de opvoeder en de maatschappij. Zo wordt jongensachtig gedrag vaak ervaren als problematisch gedrag. Crott ziet ook trends in het denken over jongens:

- Tot 1970 overheerst het ‘boys will be boys’-discours: Jongens zijn nu eenmaal jongens.

- Na 1970 komt hier het ‘failing school’-discours bij: het ligt aan de school.

- En vanaf 1980 het ‘poor boys’-discours: het komt door de vele vrouwen, ofwel de feminisering van het onderwijs.

- Anno 2013 zoeken we antwoorden in een combinatie van deze driediscoursen, in combinatie met nieuwe inzichten in hersenontwikkelingen verschillen in leerstijlen tussen jongens en meisjes.


‘Jongensachtige’ leerstijl:
‘Meisjesachtige’ leerstijl:
• ‘Trial and error’ of onderzoekend (proberen en zien waar het schip strandt)

Jongens zijn soms al begonnen zonder dat je ze alles uitgelegd hebt. Dit is kan zowel heel onhandig zijn als zeer assertief. Het kan ook leiden tot een zeer creatieve uitkomst. Geef soms ruimte aan dit onderzoek, maar wees ook wat strenger als dat dat niet gewenst is.

• Stap voor stap, met duidelijke instructie


Meisjes hebben de neiging alles stapsgewijs aan te willen pakken. Ook
willen ze graag alle informatie hebben voordat ze aan de slag
kunnen/willen. Probeer hier dus bewust een keuze in te maken. Soms wil
je ze namelijk ook wel uitdagen om het onderzoek aan te gaan.

• Uitdaging zoeken

Jongens hebben de neiging om nieuwe dingen te willen proberen en lijken sneller verveeld. Zorg dus voor de nodige afwisseling. Zorg wel dat je een veilige plek biedt waar ze zich veilig voelen als er iets mis gegaan is. Stimuleer de uitdaging en wees een vangnet bij teleurstellingen.

• Veiligheid

Meisjes leren beter in een bekende situatie waar ze weten wat er van
ze verwacht wordt. Bouw dus een goede band en vertrouwen op voordat je
ze in het diepe gooit.
• Competitie zoeken 

Ook de strijd aangaan met zichzelf (vergelijken met eerdere prestaties) kan gezien worden als competitie. Blijf jongens uitdagen meer uit zichzelf te halen.

• Samenwerken

Meisjes werken over het algemeen liever samen dan jongens. Daag beide
uit om met samenwerkopdrachten, maar ook met opdrachten die alleen
uitgevoerd moeten worden.

• Behoefte aan directe feedback

Jongens willen graag tijdens de opdracht weten of ze het goed doen of niet. Probeer ze dus ook te sturen tijdens het proces en de leeropbrengst schiet omhoog. Een open deur, maar doe dit wel
opbouwend!

• ‘Wat vind je er zelf van’ feedback

In tegenstelling tot de directe feedback bij de jongens, vinden
meisjes het fijn om er zelf over na te denken en een nieuwe keuze te
maken aan de hand van reflectie. Wacht dus vaker af en praat er na de
tijd samen nog eens over. Leren gegarandeerd!



Henno Oldenbeuving van YoungWorks, geeft de volgende adviezen:

1. Ontwikkel feeling voor sekseverschillen binnen de school

Práát over het onderwerp ‘sekseverschillen en onderwijs’. Accepteer dat de jongens in de klas zich anders kunnen gedragen en probeer dat ook anders te duiden.

2. Wees verwachtingsvol naar jongens

Elke leerling wil gezien worden en niet alleen bekeken. Bij jongens is die behoefte aan bevestiging en vertrouwen dat het beter kan nog groter. Geef aan dat je er vertrouwen in hebt dat er met een andere aanpak meer in de leerling zit en dat je daar natuurlijk bij wilt helpen.

3. Heb begrip voor beweeglijkheid

Jongens willen meer bewegen (dingen aanraken, wiebelen) en dat is goed voor ze. Zo breken stresshormonen als adrenaline af. Dat vindt een leraar misschien lastig en op de vraag ‘waarom ze bewegen’ hebben de jongens geen antwoord! ‘Uh, gewoon’. Maar ergernis en boze reacties versterken enkel de stress. Gebruik regelmatig actieve lesvormen waarbij staan en bewegen is toegestaan.

4. Bied duidelijke grenzen, maar mét ruimte voor experiment

Een klas vol volgzame leerlingen is niet realistisch. Pubers, en vooral jongens, moeten grenzen opzoeken om te groeien en te zoeken. De grote mond vraagt zeker om een correctie, een grens, maar wel eentje met een glimlach in gedachte, ferm en duidelijk.

5. Dwing jongens niet in het verkeerde format

In de hersenontwikkeling lopen jongens gemiddeld 1,5 jaar achter op meiden. Houd hier rekening mee. Geef jongens binnen het onderwijs meer afwisseling (kortere aandachtsboog). Faseer de taken en geef meer feedback in korte intervallen. Verleng gradueel zodat ze vaardigheden als ‘uitstel van bevrediging’, ‘plannen’ en ‘organiseren’ geleidelijk leren. Jongens zijn ook minder talig dan meisjes. Stimuleer hun taalgevoel door voortdurende uitdaging en oefening; duidelijke directe feedback en herfrasering. Geef korte en heldere aanwijzingen.

6. Als ‘t klaar is is ‘t klaar

De frustratieboog loopt bij jongens vaak anders dan bij meisjes. Veel jongens kunnen in korte tijd heel boos of opgewonden raken. Ze gaan dan met deuren slaan of worden brutaal. Zo’n uitval kan ook net zo
snel weer verdwijnen. Vraag niet om een gedragsverandering op de piek van zo’n fase maar gun jongens een time-out. Bespreek het voorval op een later moment en maak afspraken. En dan is het kláár. Neem dat
woord ‘klaar’ ook heel serieus en geef jongens zo vertrouwen dat je weer op warme voet verder kan.

7. Probeer afgang te voorkomen

Jongens zijn heel gevoelig voor hun plek in de groep. Falen ervaren ze als gezichtsverlies. Probeer een publieke afgang daarom te voorkomen; dit geeft alleen maar weerstand en kan een ‘schoolallergie’ veroorzaken. En dan winnen andere interesses als voetbal en vrienden het uiteindelijk van school.

8. Intrinsieke motivatie extra belangrijk

Veel jongens zijn op zoek naar stimulerende beelden van mannelijkheid: Wat kan ik, wat wil, wat kan ik willen? Breng ze in contact met mannelijke rolmodellen en bespreek wat ze motiveert. Help ze met kiezen, nu en later in hun onderwijscarrière.


donderdag 3 september 2015

Doeltaal voertaal

Om de gespreksvaardigheid van leerlingen te stimuleren is het belangrijk dat de docent zoveel mogelijk de doeltaal als voertaal in de klas gebruikt. Nu is dit vaak makkelijker gezegd dan gedaan en stranden pogingen daartoe vaak in de loop van het schooljaar. Om docenten te helpen hier toch op een realistische manier mee aan de slag te gaan, worden enkele praktische tips gegeven voor het gebruik van de doeltaal als voertaal in de klas. De tips worden beschreven aan de hand van het principe van het stellen van SMART-doelen: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.

Dit uit het managementjargon afkomstige principe kan helpen het gebruik van de doeltaal in de les langer vol te houden en langzaam uit te bouwen.

Specifiek
Zoals hiervoor geconstateerd, beginnen veel docenten het schooljaar met het voornemen de doeltaal meer te gebruiken: “Dit jaar ga ik echt meer de doeltaal gebruiken in de les.” Dit is hoe dan ook een loffelijk streven. Na verloop van tijd merken ze echter dat het gebruik terugloopt. Hoe veel meer zijn ze de doeltaal gaan gebruiken doen? En hoezeer is het gebruik weer afgenomen? Dat zijn vragen die niet makkelijk te beantwoorden zijn.
Door een specifiek doel te formuleren, is het makkelijker te beoordelen of je je doel bereikt hebt en zo niet, waar het dan misgegaan is. Een mogelijk specifiek doel aan het begin van het schooljaar kan zijn: ‘Dit jaar verwijs ik in mijn brugklassen elke start van de les naar de lijst met klassentaal.’

Meetbaar
“Ik ga elke les ten minste 50% van de tijd in de doeltaal lesgeven.” Dit lijkt een heel meetbaar doel, maar dat is het niet. Als een les van vijftig minuten bestaat uit een introductie, een instructie, zelfstandig werken, evaluatie en afronding, hoeveel tijd is een docent dan aan het lesgeven in de doeltaal? Volgens het genoemde voornemen, zou hij 25 minuten moeten lesgeven in de doeltaal. Zo lang is hij waarschijnlijk niet eens aan het woord, dus een dergelijk doel is moeilijk meetbaar.
Beter meetbaar zijn de volgende voornemens: ‘Drie klassikale momenten geheel in de doeltaal doen.’ Of: ‘De begeleiding van het zelfstandig werken alleen in de doeltaal doen.’

Acceptabel
Het begin van het schooljaar is een goed moment om in de klassen (weer) aan te kondigen dat in de lessen zoveel mogelijk de doeltaal gebezigd wordt. De docent mag van zijn leerlingen ook verwachten dat zij hem aanspreken in de doeltaal. Hij dient er hierbij wel voor te zorgen dat zijn voornemens voor zichzelf en zijn leerlingen acceptabel blijven. Leerlingen zeggen in enquêtes veel te leren van lessen in de doeltaal. De docent moet hen hierbij echter wel een veilige omgeving bieden. Fouten maken mag. De docent kan bijvoorbeeld met zijn leerlingen afspreken dat hij hun vragen in de doeltaal gewoon beantwoordt, ook al zijn ze ongrammaticaal geformuleerd. Hij kan afspreken de correcties aan het einde van het lesuur nog even door te nemen. Dan zijn de fouten en correcties niet meer persoonsgebonden en zullen de leerlingen zich minder geremd voelen de doeltaal te spreken.

Realistisch
“Mijn voornemen is dit jaar in de bovenbouw alleen nog maar in de doeltaal les te geven.” Dit streven lijkt realistisch. Bovenbouwklassen hebben immers al aardig wat bagage en zijn redelijk taalvaardig, zo mag men verwachten. Toch is het geen realistisch voornemen. Van bijna niets naar alles, is niet alleen voor de leerlingen een veel te grote overgang (zelfs als gaat het om de bovenbouw), maar ook voor de docent zelf.
De doelstelling ‘de eerste 10 minuten van de les geheel in de doeltaal’ is realistischer dan ‘alles behalve grammatica in de doeltaal’.

Tijdgebonden
Veel talendocenten zijn het er over eens dat ze niet van hun leerlingen kunnen verlangen dat de gehele les vanaf het eerste begin volledig in de doeltaal is. Toch is het wel belangrijk om te proberen het doeltaalgebruik uit te bouwen. Dat kan door, met de leerlingen, evaluatiemomenten in te lassen. Wanneer docent en leerlingen met elkaar afspreken dat leerlinge  de eerste maand nog mogen spieken op visuele hulpmiddelen met klassentaal (posters, vocabulairelijsten, kaarten), dan kunnen ze ook afspreken dat zij na een maand bekijken hoe dat gaat.
Vervolgens maken ze een nieuwe afspraak voor de volgende maand en bouwt de docent zo het doeltaalgebruik uit.

Bij alle doelen die de docent volgens de SMART-principes op dit gebied formuleert, is het prettig om deze in de sectie te bespreken. Wanneer de sectiecollega’s regelmatig bij elkaar informeren hoe het met de SMART-doelen gaat, kunnen ze elkaar helpen zich er aan te houden of de doelen aan te scherpen.

We zetten de SMART-doelen uit deze paragraaf nogmaals op een rijtje (geformuleerd in de ik-persoon, te weten de docent):

 1. Dit jaar gebruik ik in mijn brugklassen consequent de lijst met klassentaal.
 2. De klassikale momenten doe ik geheel in de doeltaal. Of: de begeleiding van het zelfstandig werken doe ik alleen in de doeltaal.
 3. Ik corrigeer leerlingen niet persoonlijk, maar aan het einde bespreek ik de correcties klassikaal.
 4. Ik doe de ontvangst en introductie van de les in de doeltaal.
 5. Ik sta in de eerste maand ‘spieken’ door de leerlingen toe. Daarna bekijken we hoe het gaat en stel ik mezelf een nieuw doel.

Andere tips voor doeltaalgebruik volgens SMART-principes zijn:
  • elke eerste les na het weekend vertellen drie leerlingen in de doeltaal wat ze dat weekend gedaan hebben,
  • elke les na het weekend vertel ik in de doeltaal wat ik gedaan heb,
  • elke maand bekijk ik per klas welk doel ik mezelf en hen stel voor de komende maand,
  • elke les doe ik de introductie en evaluatie in de doeltaal,
  • bij zelfstandig werken mogen de leerlingen alleen vragen stellen in de doeltaal,
  • ik spreek met de leerlingen af dat ik een antwoord nog eens parafraseer in de doeltaal en pas wanneer het dan nog niet begrepen wordt over stap naar het Nederlands (dus twee keer doeltaal, dan pas Nederlands),
  • ik nodig een collega uit het eerste kwartier van mijn les bij te wonen en me een tip te geven wat betreft mijn doeltaalgebruik,
  • ik nodig een collega uit het laatste kwartier van mijn les bij te wonen en me een tip te geven wat betreft mijn doeltaalgebruik,
  • in de sectievergadering spreken we ten minste vijftien minuten de doeltaal,
  • de eerste les bespreek ik met mijn leerlingen hoe ik ervoor zorg dat de uitleg iedereen duidelijk is,
  • Ik vraag twee collega’s van andere mvt-secties of ze een tip hebben wat betreft doeltaalgebruik,
  • de eerste les vraag ik de leerlingen te bedenken welke taaluitingen ze verwachten nodig te hebben in de doeltaal.

Kortom, het is belangrijk klein te beginnen, aangezien dat tot een grotere motivatie bij de leerlingen en bij de docent zelf leidt. Vervolgens kan de docent het doeltaalgebruik geleidelijk uitbouwen.

[ bron:  http://www.cps.nl/l/library/download/urn:uuid:562e608b-5abd-4e99-aced-8a05fb3d2feb/speakerbox.pdf?format=save_to_disk ]

Ability beliefs and subjective task values

Items used to assess children’s ability beliefs and subjective task values:


Ability beliefs Items

1. How good in math are you?
(not at all good - very good)

2. If you were to list all the students in your class from the worst to the best in math, where would you put yourself?
(one of the worst - one of the best)

3. Some kids are better in one subject than in another. For example, you might be better in math than in reading. Compared to most of your other school subjects, how good are you in math?
(a lot worse in math than in other subjects - a lot better in math than in other subjects)


Expectancy items

4. How well do you expect to do in math this year?
(not at all - well very well)

5. How good would you be at learning something new in math?
(not at all - good very good)


Usefulness, importance and Interest Items

1. Some things that you learn in school help you do things better outside of class, that is, they are useful. For example, learning about plants might help you grow a garden. In general, how useful is what you learn in math?
(not at all useful - very useful)

2. Compared to most of your other activities, how useful is what you learn in math?
(not at all useful - very useful)

3. For me, being good in math is
(not at all important - very important)

4. Compared to most of your other activities, how important is it for you to be good at math?
(not at all important - very important)

5. In general, I find working on math assignments
(very boring - very interesting)

6. How much do you like doing math?
(not at all - very much)

[ bron: http://acmd615.pbworks.com/f/ExpectancyValueTheory.pdf ]