Posts tonen met het label leermotivatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label leermotivatie. Alle posts tonen

dinsdag 11 februari 2020

De verwachtingstheorie van Vroom

Victor Vroom is een Canadese hoogleraar psychologie. Vroom werkte hoofdzakelijk aan de Expectancy Theory of Motivation, in het Nederlands de verwachtingstheorie.


Volgens de verwachtingstheorie van Victor Vroom zijn drie factoren van invloed op iemands motivatie:

1 - verwachting,
2 - beloning en
3 - waarde.

Deze drie factoren bepalen ze de motivatie van een leerling. Als één van de drie laag is, is de motivatie ook laag.


De verwachting:
De motivatie neemt toe als een leerling verwacht dat een bepaalde actie tot succes zal leiden.
Bijvoorbeeld, als een leerling verwacht dat hij/zij een beter cijfer zal halen (het succes) voor een bepaald vak als hij/zij oplet in de les (de actie), dan is de leerling ook gemotiveerd om dat te doen.

De beloning:
De beloning is voor de leerling vaak het succes waar hij/zij naar streeft. M.a.w. levert het gedrag een beloning op.
Een leerling is bijvoorbeeld meer gemotiveerd om huiswerk te maken als de docent het beoordeelt met een cijfer.

De waarde van de beloning:
De waarde die de leerling hecht aan de beloning en de te leveren (leer)prestatie.
Als leerlingen veel waarde hechten aan het leren van bepaalde leerstof of het behalen van een hoog cijfer, neemt de motivatie toe.


Om leerlingen daadwerkelijk te motiveren is het volgens Victor Vroom noodzakelijk dat ze geloven dat:

- er een positieve verband is tussen inspanning en prestatie;
- een gunstige prestatie zal resulteren in een gewenste beloning;
- de beloning een belangrijke behoefte tevreden zal stellen;
- de wens om de behoefte tevreden te stellen is groot genoeg om het de moeite waard te maken.

Is één van de bovengenoemde factoren niet aanwezig, dan ontbreekt de motivatie van een leerling om een bepaald doel na te streven.

woensdag 10 april 2019

Zelfgestuurd leren

Zelfgestuurd leren houdt in dat de leerling zelfstandig en met zin voor verantwoordelijkheid de sturing voor de leerprocessen in handen neemt. Maar leren is niet vrijblijvend. Leerlingen moeten voortdurend waakhond spelen over hun eigen leerproces. Ze bewaken hun eigen leerproces en reflecteren over hun aanpak. “Ben ik goed bezig?” is een vraag die nooit veraf is.

Om zijn eigen leerproces te sturen moet een leerling beschikken over verschillende leerstrategieën. Metacognitieve kennis en vaardigheden, cognitieve vaardigheden, organisatie vaardigheden, motivatie  en zelfreflectie zijn daarbij de nieuwe ordewoorden. Het zelfregulerend leren c.q. het effectiever leren met leerstrategieën wordt uitgebreid beschreven in het boek ‘Effectiever leren met leerstrategieën’ van sociaal psycholoog Pieternel Dijkstra.

Leerlingen begeleiden is dus, net als opvoeden, geleidelijk loslaten en de leerling zelf controle geven over het leerproces. Zicht verwerven op de eigen competenties moet mogelijk worden in de leersituatie.

Een leerling dient te beschikken over verschillende leerstrategieën om zijn eigen leerproces te sturen moet. Uit onderzoek blijkt namelijk dat leerlingen aanzienlijk beter presteren als ze leerstrategieën inzetten in hun leerproces. Leerstrategieën zijn concrete manieren van leren die leerlingen bewust kunnen inzetten om het leren zo soepel mogelijk te laten verlopen – ze leren hen ‘hoe’ ze moeten en kunnen leren. Leerstrategieën zet een leerling actief en bewust in. Denk bijvoorbeeld aan het plannen van een opdracht, het terugkijken op fouten en het verbinden van zelfbedachte voorbeelden aan de leerstof. Dat vereist allemaal een actieve, bewuste inspanning. Elke keer weer moet de leerling een afweging maken: Wat ga ik doen? Welke leerstrategie kan ik nu het best inzetten?

De vragen
De lijst van vragen is ingedeeld in vier categorieën;
A - motivatie,
B - zelfregulatie vooraf,
C - zelfregulatie tijdens het
D - leerproces en zelfregulatie na het leerproces.


A - Motivatie:
1
Ik vind het belangrijk dat ik tijdens de les steeds beter wordt in bepaalde opdrachten.
2
Ik vind het belangrijk dat ik goed kan presteren tijdens de les.
3
Ik vind het belangrijk om tijdens de les zoveel mogelijk dingen te leren.
4
Ik denk dat ik opdrachten tijdens de les succesvol kan maken.
5
Ik vind veel opdrachten tijdens de les leuk om te doen.
6
Wanneer een opdracht niet goed ging, wil ik het opnieuw proberen.
7
Ik heb er vertrouwen in dat ik mijn doelen voor de les kan bereiken.
8
Wanneer ik een opdracht tijdens de les niet leuk vind, doe ik wel goed mijn best.
9
Tijdens de les leer ik vaardigheden die ik buiten de les kan gebruiken.
10
Wanneer ik een opdracht niet leuk vind, probeer ik manieren te bedenken om het voor mezelf leuker te maken.


B - Zelfregulatie vooraf:
1
Voor ik een opdracht ga maken, denk ik na over wat mijn doel voor die opdracht is.
2
Voor ik een opdracht ga maken, denk ik na over hoe ik het ga doen.
3
Voor ik een opdracht ga doen, denk ik na over wat ik al over die opdracht  weet en wat ik al kan.
4
Voor ik een opdracht ga maken, denk ik na over de stappen die ik ga nemen om mijn doel te halen.
5
Voor ik een opdracht ga maken, denk ik na over wat de vorige keer dat ik die opdracht deed minder goed ging.


C - Zelfregulatie tijdens het leerproces:
1
Terwijl ik met een opdracht bezig ben, denk ik na over hoe goed ik het doe.
2
Als ik terwijl ik met een opdracht bezig ben en merk dat het niet lukt, denk ik na over hoe ik die opdracht anders kan doen.

Terwijl ik met een opdracht bezig ben, concentreer ik me helemaal.
3
Terwijl ik met een opdracht bezig ben, denk ik na over wat ik nog moet doen om mijn doel te halen.
4
Terwijl ik met een opdracht bezig ben, controleer ik of ik die goed uitvoer.
5
Terwijl ik met een opdracht bezig ben, probeer ik een beeld te vormen van de lesstof.
6
Terwijl ik met een opdracht bezig ben, benoem ik in mijn hoofd de stappen die ik moet nemen om de opdracht te maken.
7
Terwijl ik met een opdracht bezig ben, probeer ik uit te vinden waarom het goed of juist minder goed gaat.


D - Zelfregulatie na het leerproces:
1
Als ik nadat ik een opdracht gemaakt heb niet tevreden ben, denk ik na over hoe ik die opdracht de volgende keer anders kan doen.
2
Als het maken van een opdracht niet goed ging, denk ik na over hoe dat kwam.
3
Nadat ik een opdracht gemaakt heb, bepaal ik of ik tevreden ben.
4
Nadat ik een opdracht gemaakt heb, denk ik na over wat goed en wat minder goed ging.
5
Nadat ik een opdracht gemaakt heb, bekijk ik of ik mijn doel gehaald heb.

Bij elk van de vragen kan de leerlingen de volgende opties invullen; (1) bijna nooit, (2) soms, (3) vaak en (4) bijna altijd.

zaterdag 9 juni 2018

Hoe kun je een voor leerlingen stimulerende en motiverende leeromgeving ontwerpen?

Hoe kun je differentiëren m.b.t. de motivatie?

In de Self-Determination Theory (SDT) leggen Deci & Ryan uit dat er drie belangrijke pijlers zijn om tot intrinsieke motivatie te komen. Deze drie pijlers, of psychologische voorwaarden, zijn competentie, autonomie en relatie.

Een omgeving waarin aan de drie essentiële behoeften wordt tegemoet gekomen
waarbij een leerling
1) zich competent kan voelen,
2) het gevoel heeft keuzes te mogen maken en
3) een goede relatie met de klas en leraar voelt.

Een drietal kenmerken van die omgeving blijken daarvoor essentieel, te weten:
1) structuur,
2) stimulering en ondersteuning van autonomie, én
3) betrokkenheid (Skinner & Belmont, 1993; Reeve, 2002; Connell & Wellborn, 1991).

Voorbeelden van elk van deze drie kenmerken zijn:

Structuur:

De behoefte van personen, van leerlingen om grip te hebben op hun omgeving, om die omgeving te begrijpen. Zich competent voelen is dan vooral het gevoel hebben dat je iets kunt of beheerst, weet wat er van je wordt verwacht en waar je aan toe bent. Ook gaat het om het gevoel, de waarneming, dat je weet hoe met anderen in je omgeving om te gaan; 

Competentie (vaak opgevat als structuur waarbij er heldere doelen en verwachtingen worden gesteld aan leerlingen waardoor zij beter in staat zijn een leeractiviteit uit te voeren / competent voelen / vraag: waar was dit kind goed in?). Leren verloopt makkelijker als de leerling voelt dat hij/zij vooruitgaat en competenter wordt. (Ik kan iets, ik heb succeservaringen, ik kan zelf het verschil maken). 

Structuur is informatie die een leerling krijgt over wat er van hem/haar wordt verwacht in een les. Bijvoorbeeld door:

-Te vertellen over hoe de les eruit ziet en welke leerstof aan bod komt,

-Aan te geven wat er van leerlingen wordt verwacht en hoe ze dat kunnen bereiken,

-Werkwijzen die worden ingezet toe te lichten,

-Duidelijke instructie/uitleg te geven en oplossingswijzen voor te doen,

-Te checken wat leerlingen zelf al weten,

-Leerlingen te laten reflecteren op wat ze hebben geleerd,

-Zich responsief, vragend op te stellen naar leerlingen,

Stimuleren en ondersteunen van autonoom gedrag:

De behoefte van leerlingen om controle te hebben over en invloed te kunnen uitoefenen op hun omgeving. De behoefte om autonoom te kunnen handelen. Zich autonoom voelen heeft te maken met het gevoel hebben dat je mag kiezen, dat je iets zelf kunt bepalen, zelf zaken kunt/mag reguleren; 


Autonomie (vaak opgevat als keuzevrijheid / zelf doen / vraag: waarin werd het kind belemmerd?) Leren verloopt makkelijker als veel autonomie / psychologische vrijheid wordt aangeboden. (Zelf in handen hebben, geen hulpeloosheid, mezelf mogen zijn, niet faken). 

Autonomie is de mate waarin een leerling het gevoel heeft zelf keuzes te mogen maken en hierin te worden ondersteund, bijvoorbeeld door:
-Leerlingen ruimte te geven opdrachten op hun eigen manier te maken,

-Waar mogelijk aan te sluiten bij eigen interesses van leerlingen,

-Een actieve leerhouding te stimuleren,

-Leerlingen altijd (de mogelijkheid tot) ondersteuning te geven bij
het uitvoeren van (zelf gekozen) opdrachten,

-Leerlingen aan te moedigen in groepen naar eigen keuze te werken,

-Leerlingen uit te nodigen kritisch en creatief na te denken over opdrachten,

Betrokkenheid naar leerlingen te tonen:

De behoefte van een persoon, een leerling bij de groep te horen en vervolgens het gevoel dat je erbij hoort, dat dit jouw klas is, en dat een ander, zoals bijvoorbeeld de leraar op jou betrokken is, dat je mag zijn wie je bent. 


Relatie (vaak opgevat als het uiten van waardering voor de leerling / samen met anderen / vraag: wat had dit kind nodig?). Leren verloopt makkelijker als de leerling gesteund door anderen = ervaren van warmte en een hechte band (Ik kan rekenen op anderen, ik ben niet alleen, ik krijg erkenning). 
-Te laten merken het leuk te vinden aan alle leerlingen van de klas les te mogen geven,

-Op de hoogte te zijn van bijzondere gebeurtenissen van leerlingen,

-Te weten wat voor een leerling belangrijk is,

-Interesses van leerlingen kennen,

-Aandacht te hebben voor alle leerlingen in de klas,

-Namen van leerlingen kennen,

-Leerlingen te vertrouwen op hun inzet.


Docenten die hierin een goede balans weten te creëren en daarmee aan alle drie de basisbehoeften van leerlingen tegemoet komen zullen bij hun leerlingen meer taakbetrokkenheid en eigenaarschap van het leren ‘betrokkenheid’ realiseren. En voor leerlingen een stimulerende  en motiverende leeromgeving te scheppen.

woensdag 25 november 2015

Hoe verbeter je de motivatie van een leerling?

Door het motivatiecontinuüm van Deci & Ryan wordt duidelijk dat motivatie meer is dan alleen de uitersten van totaal niet gemotiveerd zijn (amotivatie) en juist heel erg gemotiveerd zijn  (intrinsieke motivatie) om iets te doen. In de Self-Determination Theory (SDT) leggen Deci & Ryan uit dat er drie belangrijke pijlers zijn om tot intrinsieke motivatie te komen. Deze drie pijlers, of psychologische voorwaarden, zijn:


Competentie

De behoefte van personen, van leerlingen om grip te hebben op hun omgeving, om die omgeving te begrijpen. Zich competent voelen is dan vooral het gevoel hebben dat je iets kunt of beheerst, weet wat er van je wordt verwacht en waar je aan toe bent. Ook gaat het om het gevoel, de waarneming, dat je weet hoe met anderen in je omgeving om te gaan;


Competentie (vaak opgevat als structuur waarbij er heldere doelen en verwachtingen worden gesteld aan leerlingen waardoor zij beter in staat zijn een leeractiviteit uit te voeren / competent voelen / vraag: waar was dit kind goed in?). Leren verloopt makkelijker als de leerling voelt dat hij/zij vooruitgaat en competenter wordt. (Ik kan iets, ik heb succeservaringen, ik kan zelf het verschil maken).





Structuur: informatie die een leerling krijgt over wat er van hem/haar wordt verwacht in een les. Bijvoorbeeld door:

•Te vertellen over hoe de les eruit ziet,
•en welke leerstof aan bod komt,
•Aan te geven wat er van leerlingen wordt verwacht,
•en hoe ze dat kunnen bereiken,
•Werkwijzen die worden ingezet toe te lichten,
•Duidelijke instructie/uitleg te geven en oplossingswijzen voor te doen,
•Te checken wat leerlingen zelf al weten,
•Leerlingen te laten reflecteren op wat ze hebben geleerd,
•Zich responsief, vragend op te stellen naar leerlingen,


Autonomie

De behoefte van leerlingen om controle te hebben over en invloed te kunnen uitoefenen op hun omgeving. De behoefte om autonoom te kunnen handelen. Zich autonoom voelen heeft te maken met het gevoel hebben dat je mag kiezen, dat je iets zelf kunt bepalen, zelf zaken kunt/mag reguleren;


Autonomie (vaak opgevat als keuzevrijheid / zelf doen / vraag: waarin werd het kind belemmerd?) Leren verloopt makkelijker als veel autonomie / psychologische vrijheid wordt aangeboden. (Zelf in handen hebben, geen hulpeloosheid, mezelf mogen zijn, niet faken).





Stimuleren en ondersteunen van autonoom gedrag: de mate waarin een leerling het gevoel heeft zelf keuzes te mogen maken en hierin te worden ondersteund, bijvoorbeeld door:

•Leerlingen ruimte te geven opdrachten op hun eigen manier te maken,
•Waar mogelijk aan te sluiten bij eigen interesses van leerlingen,
•Een actieve leerhouding te stimuleren,
•Leerlingen altijd (de mogelijkheid tot) ondersteuning te geven bij
het uitvoeren van (zelf gekozen) opdrachten,
•Leerlingen aan te moedigen in groepen naar eigen keuze te werken,
•Leerlingen uit te nodigen kritisch en creatief na te denken over opdrachten,



Relatie

De behoefte van een persoon, een leerling bij de groep te horen en vervolgens het gevoel dat je erbij hoort, dat dit jouw klas is, en dat een ander, zoals bijvoorbeeld de leraar op jou betrokken is, dat je mag zijn wie je bent.


Relatie (vaak opgevat als het uiten van waardering voor de leerling / samen met anderen / vraag: wat had dit kind nodig?). Leren verloopt makkelijker als de leerling gesteund door anderen = ervaren van warmte en een hechte band (Ik kan rekenen op anderen, ik ben niet alleen, ik krijg erkenning).




Betrokkenheid op leerlingen te tonen, bijvoorbeeld door:

•Te laten merken het leuk te vinden aan alle leerlingen van de klas les te mogen geven,
•Op de hoogte te zijn van bijzondere gebeurtenissen van leerlingen,
•Te weten wat voor een leerling belangrijk is,
•Interesses van leerlingen kennen,
•Aandacht te hebben voor alle leerlingen in de klas,
•Namen van leerlingen kennen,
•Leerlingen te vertrouwen op hun inzet.

Leraren die hierin een goede balans weten te creëren en daarmee aan alle drie de basisbehoeften van leerlingen tegemoet komen zullen bij hun leerlingen meer taakbetrokkenheid en eigenaarschap van het leren (engagement) realiseren.

woensdag 16 september 2015

Hoe leerkrachten hun leerlingen kunnen motiveren

Berichten in de media wezen weer op het gebrek aan motivatie bij Nederlandse leerlingen. Hierin worden de leerkrachten vaak aangewezen als degenen die de leerlingen moeten motiveren of gemotiveerd moeten houden. Veel docenten worstelen met de vraag wat ze hieraan kunnen doen. NWO-promovendus Arnout Prince deed hier onderzoek naar.

Uit eerdere studies blijkt dat de motivatie van scholieren afneemt op de middelbare school, vooral op het vmbo. Prince onderzocht hoe deze afnemende motivatie van middelbare scholieren terug te dringen is. Hij toetste de effecten van verschillende interventies bij leerlingen uit de eerste en tweede klas van het vmbo.

Arnout Prince concludeert dat het langdurige positieve effecten op de motivatie van leerlingen heeft als leerkrachten samenwerken om een zo goed mogelijke pedagogische interactie met leerlingen te bewerkstelligen en als die leerkrachten daarin gesteund worden door onder meer de schooldirectie.

Prince testte twee interventiemethoden onder VMBO-leerkrachten. Een combinatie van het aanleren van leerstrategieën met het optimaliseren van de pedagogische relatie tussen de leerkracht en de leerling bleek een positief effect te hebben op de motivatie van de leerlingen. 
In de meta-analyse van John Hattie wordt benadrukt dat effectief leren in de eerste plaats draait om de leeractiviteiten die onder regie van de docent plaatsvinden.

[ bron: http://www.nwo.nl/actueel/nieuws/2014/magw/hoe-leerkrachten-hun-leerlingen-kunnen-motiveren.html ]

Zo motiveer je leerlingen:

Iedere docent krijgt er een keer mee te maken: ongemotiveerde leerlingen. Of je nou lesgeeft aan leerlingen van het vmbo, het gymnasium, speciaal onderwijs of zelfs volwassenenonderwijs, iedereen heeft wel eens last van motivatieproblemen.

Maar wat is motivatie? Als we de literatuur erop naslaan dan kunnen we leren dat er meerdere vormen van motivatie zijn. En dit bepaalt de mate waarin iemand betrokken is bij een les / activiteit.


Het ergens wel/niet voor gemotiveerd zijn kan verschillen van totaal niet gemotiveerd (a-motivatie), via externe motivatie tot zeer gemotiveerd en geïnteresseerd (intrinsieke motivatie) (Deci & Ryan, 2002).


Bij intrinsieke motivatie is er sprake van een ideale situatie: je doet iets omdat het jouw interesse heeft, omdat je je er goed bij voelt of omdat het iets is wat jij wilt. Het is jouw keuze en je kunt ermee aan de gang zoals jij dat wilt. Dit is een vorm van motivatie die in het onderwijs soms moeilijk te bereiken is, maar waar we wel naar streven. In het onderwijs spelen vooral vormen van externe motivatie een rol: ofwel een leraar, leerling gaat over tot actie onder invloed van de (leer/werk) omgeving. Een omgeving die, in het geval van de leerling, wordt ingericht door de leraar.


Vragen die we ons zelf in dit verband kunnen stellen zijn: wanneer ben ik zelf gemotiveerd om iets te gaan doen en wat heb ik zelf eigenlijk nodig om gemotiveerd te raken? Word ik bijvoorbeeld getriggerd door een ander, of heeft het ook te maken met iets dat ik zelf wil? Wat wil ik eigenlijk en welk doel heb ik voor ogen? Hoe belangrijk is het voor mij en wat verwacht ik te bereiken?


Om vervolgens deze vragen ook eens vanuit het perspectief van de ander, de leraar of de leerling te stellen. En als we er vanuit gaan dat het verkrijgen van intrinsieke motivatie in een schoolse leeromgeving een illusie is, dan speelt de leraar als degene die de leeromgeving inricht voor de leerlingen, een cruciale rol voor het verkrijgen van een vorm van (externe) motivatie bij leerlingen. En ook de schoolleider voor de leraren.


Motivatie is een voorwaarde voor leren. ‘Iets willen bereiken', ‘enthousiast zijn' en ‘er voor gaan' geven aan dat een leerling gemotiveerd is. In grote lijnen zijn er twee manieren om een leerling te motiveren:

I. Persoonsgericht stimuleren, dat wil zeggen gericht op hoe de leerling zich voelt.


Om de leerling te kunnen stimuleren voor de opleiding of het werk moet de leerling zich eerst prettig voelen. De leerling moet zelfvertrouwen hebben, maar ook de sfeer op het werk moet goed zijn. Als docent kun je hiervoor zorgen door een goede relatie met de leerling op te bouwen en door een prettige werksfeer te scheppen.


II. Taak/opdrachtgericht stimuleren, dat wil zeggen gericht op de taken die je aan de leerling geeft.


Taakgericht stimuleren doe je door de opdrachten en het werk te laten aansluiten bij het niveau en de interesse van de leerling. Geef de leerling zoveel mogelijk interessante en uitdagende klussen. Niet té moeilijk, want daar wordt een leerling onzeker van. Maar zeker ook niet te makkelijk.



Het motiveren van leerlingen is een belangrijk onderdeel van het onderwijsvak. We geven 15 manieren om de leerlingen te motiveren:


1. Geef leerlingen complimenten. 
Doe dit telkens als ze iets goed doen, iets groots of iets kleins.

2. Wees creatief. 
Denk niet dat iets niet kan maar pas je wensen aan bij de mogelijkheden. Voor elk vak is er een open les te verzinnen, een onverwachte activiteit, een excursie. Laat leerlingen je hier bij helpen.

3. Wees ´besmettelijk´ enthousiast.
Laat zien dat je enthousiast bent over een onderwerp. Enthousiast maakt enthousiast. Een docent die uitstraalt dat hij een prachtig vak heeft, die in alles laat zien dat hij vanaf het eerste tot het laatste uur zin heeft om leerlingen te inspireren, komt tot succesvolle ontmoetingen. Enthousiasme is niet alleen een vriendelijke houding, maar ook een zichtbare motivatie. Laat merken dat je je inspant om een les aantrekkelijk te maken. Gebruik geschikte, concrete voorbeelden bij je uitleg.

4. Geef positieve feedback.
We zijn als mens erg geneigd de ander van feedback te voorzien als dingen niet goed gaan. Andersom werkt vaak beter. Geef daarom ook feedback als je motivatie ziet. Laat een groep merken dat je dat waardeert. Realiseer je bovendien dat feedback op inzet zeker zo belangrijk is als feedback op resultaat.

5. Maak verbinding met de interessewereld.
In een motiverende les komen regelmatig elementen voorbij die verbonden zijn met de interessewereld van de leerlingen. Vraag wat leerlingen bezighoudt en bekijk tijdens je lesvoorbereiding hoe je daar gebruik van kunt maken.

6. Geef leerlingen invloed / controle.
Een leerling die het gevoel heeft dat hij invloed heeft op het proces, is doorgaans eerder te motiveren. Vanuit invloed neemt een leerling een besluit vanuit zichzelf en de neiging om aan dat besluit gehoor te geven is groot. Uiteraard is voor dit punt een succesvol proces bij punt 1 noodzakelijk. Vraag ze welke onderwerpen ze het meest interessant vinden, waar ze meer van willen weten, welke methodes hen het best bevallen. Bespreek de resultaten en hoe deze in te voeren in de les. Voer ze ook in.

7. Verwacht kwaliteit. 
Zet een hoge, maar haalbare standaard. Vertel leerlingen wat je van ze verwacht, op de korte en op de langere termijn. Vier het als de doelen zijn bereikt.

8. Maak gebruik van de wereld om je heen.
Een les die zich alleen richt op de inhoud van het schoolboek, is niet eenvoudig tot een motiverende les te vertalen. Wat verbindt zijn (persoonlijke) verhalen, voorbeelden, korte filmpjes, krantenberichten, maar ook informatie afkomstig van social media. Een motiverende les is opgebouwd uit diverse van ‘afdelingen’ (verhaal, theorie, opdracht, filmpje, uitwisseling, subgroep, et cetera).
Betrek het leven van leerlingen in je lessen. Leerlingen zijn meer betrokken als zij het verband zien tussen lessen en het echte leven. Zoek geschikte voorbeelden uit het nieuws, muziek, families, hun hobby’s.

9. Wees grenzeloos nieuwsgierig.
Onze grootste vijand in het geval van dreigende demotivatie, is dat we de leerling uit gaan leggen waarom motivatie verstandiger is. Deze aanpak is of kansloos of werkt met een beperkte houdbaarheid. Veel succesvoller is je zoektocht naar het verhaal achter demotivatie. Een motiverende leerkracht leert niet alleen aan leerlingen, maar leert vooral ook van leerlingen. Met als prachtig bijkomend resultaat dat je wijsheid toeneemt als je nieuwsgierig kunt en durft te zijn.

10. Creëer open lessen. 
Wijs een aantal lessen aan die door de leerlingen gevuld mogen worden met betrekking tot vorm en inhoud. Dit kan zijn een spel, video, presentaties. Hierdoor worden leerlingen geactiveerd en, medeverantwoordelijk. Dit zou als beloning voor goede en actieve leerlingen gebruikt kunnen worden.

11. Beloon positief gedrag buiten de klas. 
Activeer leerlingen om bij te dragen aan de school en de gemeenschap door dit te benoemen en te belonen. Hulp bij Open Dagen, steunles aan jongere leerlingen, activiteiten in (sport)verenigingen, organisatie van of bijdrage aan goede-doelen activiteiten, vrijwilligerswerk. Laat ze hier ook over vertellen.

12. Stel jezelf de vraag: wat zou ik van deze les gevonden hebben?
We zijn in de drukte van een schoolweek erg snel geneigd om te geloven dat wat we doen helemaal te gek is. Dat is een begrijpelijke vergissing. Je kunt jezelf trainen dit te voorkomen, door regelmatig jezelf te af te vragen wat je van de les zou vinden als je leerling was. Reageer je hier gematigd op, stel dan een volgende vraag: wat zou je als leerling nodig hebben om enthousiaster te worden?

13. Varieer.
Gebruik (zoveel mogelijk) verschillende methoden en stijlen om zoveel mogelijk leerlingen te bereiken. Lezen, luisteren, kijken, doen. Boek, video, activiteit.

14. Zorg voor een veilige groep
Een gemotiveerde werkhouding ontstaat bij een goed contact. Om leerlingen en groepen te motiveren, moet er sprake zijn van een ontmoeting, waarbij leerlingen ontdekken dat ze zichzelf mogen zijn. Hoe veiliger de groep, hoe beter de leerhouding. In het handboek Positieve groepsvorming (Bakker & Mijland, 2009) lees je hoe je een positieve bijdrage kunt leveren aan het vormen van een positieve groep.

15. Hou verbeteringen bij. 
Herinner leerlingen er aan dat zij zich constant aan het verbeteren zijn, ook al lijken de stapjes soms klein. Laat ze dit zien door gegevens door het jaar heen te vergelijken. Geef ze vertrouwen. Gebruik hiervoor eventueel ook zelf-evaluatie formulieren.


Professor John Hattie, gerenommeerd onderwijswetenschapper uit Nieuw-Zeeland, geeft daarvoor veel waardevolle aanwijzingen, gebaseerd op een omvangrijke database met onderzoeksgegevens van over de hele wereld. De uitkomsten van zijn meta-analyses laten u op een andere manier kijken naar uw onderwijs, professionele ontwikkeling en opbrengsten.

Zijn belangrijkste adviezen voor leraren zijn:

  • Kijk naar je lesgeven door ogen van de leerling.
  • Help leerlingen hun eigen leraar te worden.



Over het motiveren van pubers - psychologe Martine Delfos

Als je je kind wilt laten lopen, moet het vuur aan’

Scholen en ouderverenigingen krijgen regelmatig wanhopige ouders aan de lijn waarvan het kind met geen mogelijkheid vooruit is te branden. Taken in het gezin en het huiswerk worden verwaarloosd, ondanks alle ernstige gesprekken, ruzies en begeleiding thuis en op school. Het regent dan ook onvoldoendes. Zelfs het perspectief van zittenblijven, of – nog erger – verwijdering van school verhoogt de inzet niet.



‘Ziet mijn kind dan niet dat het mis gaat? Denkt hij dan niet aan zijn toekomst?’ Volgens psychologe Marine Delfos dringen ouders met deze vragen niet door tot de kern. ‘Ouders hebben vaak de neiging om hun puber te willen overtuigen met argumenten. Ze zeggen bijvoorbeeld: “Als je je huiswerk niet doet, haal je nooit je diploma en krijg je later geen werk”. Dat weet je kind zelf ook wel en is alleen maar slaapverwekkend voor hem. Bovendien, wie argumenteert, zegt niet wat hij of zij werkelijk vindt en voelt. Daarnaast kunnen argumenten altijd worden weersproken. Ze lokken uit tot competitie. Pubers voelen die speelruimte. De verleiding is voor hen dan erg groot om daar gebruik van te maken’. 

Gaan staan 
‘Jongeren hebben vaak niet in de gaten hoe kwetsbaar ouders in hun liefde voor hun kind kunnen zijn. Ze zien hun ouders als de sterke partij waartegen zij mogen opboksen. Soms maken ze er zelfs een sport van. Met argumenteren verlies je altijd, omdat je kind wil winnen en zich niet wil laten kennen. Ouders moeten daarom gaan staan voor wat ze werkelijk vinden, denken en voelen. Zeg dat je puber iets écht moet doen, ook al heeft hij geen zin. Daar gaat gezag van uit. Veel ouders vinden dat heel eng. Ze willen vermijden dat hun kind hen niet meer aardig vindt, of ze vrezen een heftige, ongehoorzame of brutale reactie. In wezen zijn ze bang om de liefde van hun kind te verliezen. Die angst is begrijpelijk, maar ongegrond. Ook al word je kind boos, hij of zij beseft maar al te goed dat ouders onvervangbaar zijn. Blijven staan is dus het devies. Niet soebatten! Dat betekent overigens niet dat je geen moeite hoeft te doen om je mening uit te leggen. Uitleggen is namelijk iets anders dan argumenteren. Je maakt je standpunt dan (via Ik-boodschappen) duidelijk zonder de discussie aan te gaan. Daarna hoef jezelf niet meer eindeloos te herhalen als je kind je mening al kent’. hersens aan ‘Een ander nadeel van “preken” door ouders is dat de hersenen van pubers hiermee als het ware in de uitstand worden gezet. Ze luisteren niet bewust naar je en wachten rustig af tot de storm is gaan liggen. Beter is het daarom om die hersenen in de “aanstand” te zetten. Dat kun je doen door ze vragen voor te leggen in de trant van: “Ik begrijp niets van je gedrag, je haalt de ene na de andere onvoldoende terwijl je veel beter kunt. Dat weet je zelf ook wel. Wil je dan niet overgaan en bij je vrienden in de klas blijven?”. Of: “Ik denk dat je later er spijt van zult krijgen als je je diploma niet haalt. Stel je nu eens voor dat ik daar gelijk in krijg …?”. Ook je kind eens zijn neus durven laten stoten door hem of haar verantwoordelijkheden te geven, kan soms wonderen doen. Het is dan wel belangrijk dat je daarbij een beredeneerd risico neemt, zodat er geen ernstige, blijvende gevolgen kunnen optreden. Verder is van belang dat je kind weet dat je hem of haar niet in de steek laat, maar juist vertrouwen geeft. Dit kun je doen door bijvoorbeeld te zeggen: “Ik heb het gevoel dat je vindt dat ik zeur. Ik doe dat om je te beschermen, maar je vindt dat kennelijk niet nodig. Zullen we een testje doen of je het echt zelf kunt? Oké, dan houd ik nu op met zeuren”. Je kind weet dan van tevoren dat de bal bij hem ligt. Door deze benadering is de kans groter dat je kind zich inderdaad gaat afvragen: “Waarom doe ik eigenlijk zo gek?” Verwacht echter niet dat hij of zij dat zal toegeven. Het voorhouden van een spiegel wekt bij pubers veelal diepe schaamtegevoelens op’. risico’s ‘Die schaamte speelt vooral bij jongens als er sprake is van competitie. Er is in hun beleving niets erger dan falen in iets waar je werkelijk je best voor hebt gedaan. Huiswerk leren is al niet “cool”, maar een onvoldoende halen voor huiswerk dat is geleerd, is wel het toppunt van sukkeligheid. Door je huiswerk niet te doen, voorkom je dus een afgang. Het slechte cijfer is dan immers verklaarbaar en geen gevolg van persoonlijke zwakheden. De werking van dit mechanisme kan moeilijk worden overschat. Dat geldt overigens ook voor de verslavende werking van de computer. De spanning en de uitdaging van de virtuele wereld van de games kunnen pubers helemaal opzuigen. Ouders moeten daar beslist grenzen aan stellen en als dat niet lukt professionele hulp gaan zoeken’. vuur aanwakkeren ‘Meestal correspondeert het gebrek aan inzet, met de dwarse jaren in de puberteit. Dat is globaal van 14 tot en met 16 jaar. Je kind groeit er meestal overheen. Pubers maken in die leeftijd een enorme ontwikkeling door en er gaat verschrikkelijk veel door hun hoofd, ook al denk je dat ze niets doen. Zelf deed ik vroeger ook nooit mijn huiswerk en ben ik meerdere malen blijven zitten. Daar heb ik nu nog wel eens spijt van, maar ik heb toen wel allerlei andere nuttige dingen gedaan die ik niet had willen missen, zoals het lezen van heel veel boeken. Dat roept de vraag op of je puber echt tot niets komt, of dat dat alleen maar zo lijkt. Het wordt namelijk pas echt vervelend als je kind steeds aan zijn huiswerk moet denken, dat vervolgens toch niet doet, maar zijn tijd ook niet op een andere, zinvolle manier besteedt. Vooral het hebben van contact met vrienden is van groot belang voor pubers. Door die contacten slepen ze elkaar vaak door de moeilijke fase heen. Verder kan het helpen om je te herinneren wat je kind fascineerde als keuter of jong kind. Als ouder weet je waar je kind warm voor loopt. Dat is kennelijk wat je kind moet gaan doen. Niet hoe jij wilt dat je kind moet zijn, moet zijn of haar ontwikkeling bepalen, maar wie je kind ís. Daarmee wakker je het heilige vuur in hem of haar aan’. 

[ bron : http://www.mdelfos.nl/2008-NKO-puber.pdf ]

donderdag 3 september 2015

Ability beliefs and subjective task values

Items used to assess children’s ability beliefs and subjective task values:


Ability beliefs Items

1. How good in math are you?
(not at all good - very good)

2. If you were to list all the students in your class from the worst to the best in math, where would you put yourself?
(one of the worst - one of the best)

3. Some kids are better in one subject than in another. For example, you might be better in math than in reading. Compared to most of your other school subjects, how good are you in math?
(a lot worse in math than in other subjects - a lot better in math than in other subjects)


Expectancy items

4. How well do you expect to do in math this year?
(not at all - well very well)

5. How good would you be at learning something new in math?
(not at all - good very good)


Usefulness, importance and Interest Items

1. Some things that you learn in school help you do things better outside of class, that is, they are useful. For example, learning about plants might help you grow a garden. In general, how useful is what you learn in math?
(not at all useful - very useful)

2. Compared to most of your other activities, how useful is what you learn in math?
(not at all useful - very useful)

3. For me, being good in math is
(not at all important - very important)

4. Compared to most of your other activities, how important is it for you to be good at math?
(not at all important - very important)

5. In general, I find working on math assignments
(very boring - very interesting)

6. How much do you like doing math?
(not at all - very much)

[ bron: http://acmd615.pbworks.com/f/ExpectancyValueTheory.pdf ]