Een activerende werkvorm is de manier waarop de docent vorm geeft aan de onderwijsleersituatie.
Activerende werkvormen zetten leerlingen actief aan het werk met de lestof, waarbij ze studievaardigheden ontwikkelen en waarbij gebruik wordt gemaakt van praktijksituaties.
Activerende werkvormen zijn in te delen in verschillende groepen, zoals instructievormen, interactievormen, discussievormen, opdrachtvormen, samenwerkingsvormen, schrijfopdrachten en spelvormen.
Posts tonen met het label didactische werkvormen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label didactische werkvormen. Alle posts tonen
vrijdag 25 oktober 2019
zaterdag 21 september 2019
Twaalf bouwstenen voor effectieve didactiek
De kernvraag van het boek Wijze lessen: twaalf bouwstenen
voor effectieve didactiek is: ‘Wat zijn effectieve lessen en hoe maak je die?’
Tim Surma en de andere auteurs geven uitleg bij twaalf
instructieprincipes. Ze verklaren vanuit wetenschappelijk onderzoek waarom die
principes werken en ze geven voorbeelden van toepassing van deze principes in
de klas.
1. Activeer relevante voorkennis
|
Wat je al weet, bepaalt wat en hoe snel je leert.
Herhaal op een actieve wijze de voorkennis die de leerling nodig heeft om de
nieuwe leerstof te begrijpen. Zo geef je meteen een kapstok om nieuwe leerstof te verbinden aan de eerder
geleerde leerstof en richting te geven aan het verdere verloop van je les. Nieuwe informatie
onthoud je immers beter wanneer ze kleeft aan voorkennis. Organiseer die nieuwe leerstof
ook binnen een abstract, algemeen en omvattend kader.
|
2. Geef duidelijke, gestructureerde en uitdagende
instructie
|
Besteed voldoende tijd aan duidelijke, gestructureerde
en uitdagende instructie. Als leerlingen niet begrijpen wat er geleerd moet worden, wordt leren lastig. Afgebakende lesfasen en doelen brengen structuur.
Uitdagende doelen en een snel lestempo in een warm leerklimaat motiveren je
leerlingen.
|
3. Gebruik voorbeelden
|
Op het moment dat leerlingen hun eerste stappen zetten
in het verwerven van nieuwe kennis of vaardigheden, is het effectief om te
werken met voorbeelden. Zo’n voorbeeld kan een uitgeschreven uitwerking van een oefening zijn, de
leraar die de nieuwe vaardigheid demonstreert, of concrete voorbeelden bij
een abstract begrip. Belangrijk daarbij is om de genomen stappen te verklaren, samen met de achterliggende
principes. Stimuleer leerlingen ook om voorbeelden zelf te proberen verklaren en te
vergelijken.
|
4. Combineer woord en beeld
|
Leerlingen slaan informatie die zowel via woorden als
beelden wordt gepresenteerd, gemakkelijker op dan wanneer alleen maar woorden
worden gebruikt. Dit principe is gebaseerd op het feit dat verbale en visuele informatie volgens
twee afzonderlijke (maar gelijktijdig werkende) processen in het werkgeheugen verwerkt worden
en vervolgens in het langetermijngeheugen geïntegreerd. Dat maakt het leren
minder belastend en effectiever.
|
5. Laat leerstof actief verwerken
|
Productieve strategieën verplichten de leerling om
leerstof actief te herkneden. De leerling creëert een nieuw bijproduct, zoals
een verklaring, een samenvatting of een schema.
Daardoor onthoudt die meer dan door de leerstof op een
meer passieve wijze te ‘consumeren’
door bijvoorbeeld alleen maar te herlezen. Actief
verwerken kan individueel maar ook in
samenwerking. Belangrijk is om deze strategieën op het
juiste moment te gebruiken en om ze ook aan te leren.
|
6. Zoek manieren om te achterhalen of de hele klas het
begrepen heeft
|
Als je wilt dat je leerlingen leren, is het van groot
belang dat leerlingen betrokken blijven.
Leerlingen haken soms af omdat de leerstof bijvoorbeeld
te moeilijk is of zij de aangereikte
oefeningen te moeilijk of te gemakkelijk vinden. Om dit
te voorkomen is het nodig om met grote regelmaat na te gaan of je leerlingen hebben
begrepen en onthouden wat je beoogt
met je uitleg, opdracht en begeleiding. Dit kan door
goede vragen te stellen, opdrachten met
voldoende moeilijkheid aan te bieden en activiteiten in
te zetten om informatie te verzamelen van de hele klas.
|
7. Ondersteun bij moeilijke opdrachten
|
Leerlingen begeleiden is een belangrijk kenmerk van
goed les geven. Wanneer leerlingen
opdrachten nog niet zelfstandig aan kunnen, is
tijdelijke, individuele en aanpasbare steun van
de leraar noodzakelijk. Dat proces wordt ook wel
scaffolding genoemd. Naarmate de leerling
bekwamer wordt, vermindert de ondersteuning van de
leraar.
|
8. Spreid oefening met leerstof in de tijd
|
Wanneer je met nieuwe leerstof gaat oefenen, werkt het
voor het onthouden van de leerstof
beter als je de oefeningen spreidt in de tijd over
meerdere kortere oefensessies dan als je de
leermomenten in één lange oefensessie concentreert.
|
9. Zorg voor afwisseling in oefentypes
|
Tijdens het oefenen is afwisseling vaak aan te raden.
Door te variëren in oefeningtypen en
leerstofonderdelen kunnen leerlingen leren om
verschillende oplossingsstrategieën te
gebruiken. Daarnaast doet verandering van spijs ook
eten!
|
10. Gebruik toetsing als leer- en oefenstrategie
|
We denken vaak na over hoe we leerstof in de hoofden
van onze leerlingen kunnen krijgen.
Minstens even belangrijk is om de leerstof ook uit het
geheugen te krijgen. Leerlingen laten
oefenen om actief informatie op te halen uit hun
geheugen versterkt hun geheugen in vergelijking met passievere technieken,
zoals herlezen. Leerlingen onthouden daardoor de leerstof
beter én langer.
|
11. Geef feedback die leerlingen aan het denken zet
|
Feedback is een van de krachtigste interventies om het
leren van leerlingen te bevorderen. Het doel van feedback is om informatie te
geven over waar leerlingen staan en ze houvast te geven bij het behalen van
de leerdoelen. Het organiseren van effectieve feedback is echter complex. Als
de feedback de leerlingen niet aan het denken zet en in actie brengt, is
feedback ineffectief. Dan is eerst iets anders nodig.
|
12. Leer je leerlingen effectief leren
|
Als leraar kun je de voorgaande elf bouwstenen
gebruiken om je lessen effectiever, efficiënter en aangenamer te maken, maar
er zijn ook veel handvatten die leerlingen helpen om zélf hun leren op een
efficiënte, effectieve en aangename wijze te organiseren. Leer je leerlingen
hoe ze hun eigen leren kunnen plannen, monitoren, evalueren en bijsturen en
welke leerstrategieën ze het beste kunnen gebruiken wanneer ze zelfstandig
aan het studeren zijn.
|
Het boek ‘Wijze lessen: 12 bouwstenen voor effectieve
didactiek’, is gratis te downloaden via de volgende link: http://www.wijzelessen.nu
[ Bron: https://www.ou.nl/web/wijze-lessen/home ]
[ Bron: https://www.ou.nl/web/wijze-lessen/home ]
Labels:
didactiek,
didactische werkvormen,
vakdidactiek,
voorkennis,
werkvormen
dinsdag 23 juni 2015
Een goede les.
In de onderstaande
tekst staan 10 vragen als voorbereiding voor een goede les. De sleutelvragen
zetten de docent ertoe aan, voorafgaande aan het lesgeven, de belangrijkste
aspecten hiervan te overwegen en in een verantwoorde relatie tot elkaar te
brengen.
De sleutelvragen
luiden:
- Welke leerdoelen heeft de docent op het oog? (m.a.w. met welke leerstof doet de docent een beroep op welke leerprocessen)
- Welk begingedrag (voorkennis, vaardigheden en houdingen) bezitten de leerlingen gelet op de beoogde leerdoelen?
- Hoe differentieer de docent? (m.a.w. hoe speel ik in op de verschillen bij leerlingen)
- Welke werkvormen en groeperingsvormen gebruik de docent?
- Welke leermiddelen zet de docent in?
- Welke didactische volgorde brengt de docent aan?
- Hoe en wanneer bepaalt de docent de leerresultaten?
- Hoe faseert de docent de les wat de tijd betreft?
- Hoe motiveert de docent de leerlingen zoveel mogelijk?
- Hoe zorgt de docent voor een goede sfeer in de klas?
Een verdere uitwerking van een goede les:
De docent als professional
|
De docent straalt passie voor
zijn/haar vak uit. De docent is een vakman/vakvrouw.
|
Zelfstandigheid
|
De docent zet leerlingen een deel
van de les zelfstandig aan het werk. Zorgt ervoor dat er stevig gewerkt wordt
tijdens de zelfstandige werkentijd.
|
Oplossingsgericht
|
Docent stimuleert leerlingen om
zelf op zoek te gaan naar oplossingen.
|
Werkvormen
|
Past minimaal 3 verschillende
didactische werkvormen en
groeperingsvormen toe binnen
een les. Maakt gebruik van gevarieerde opdrachten.
|
Denkvragen
|
Stelt denkvragen aan de
leerlingen.
|
Differentiëren
|
De docent is alert op de
leerbehoefte van de individuele leerlingen. Docent verkent het startpunt van
de leerlingen. Weet (o.a. op basis van een RTTI analyse) wat de speciale
leerbehoeften van de individuele leerlingen zijn. Differentieer tijdens de
verschillende fasen van de les en geeft gedifferentieerde instructie tijdens
de les.
De docent weet wie de sterke
leerlingen in de groep zijn. Zorgt ervoor dat zij extra uitgedaagd worden en
weet welk deel van de verwerking relevant voor hen is.
|
Leerstrategieën
|
Heeft aandacht voor het toepassen
van verschillende leerstrategieën, passend bij de verschillende typen
maakwerk en leerwerk.
|
Voorkennis
|
De docent laat voorkennis ophalen
en samenvatten.
|
Leertijd
|
De les bevat een hoog aandeel
echte leertijd.
|
Voorbeelden
|
De docent geeft heldere,
herkenbare en actuele voorbeelden.
|
RTTI
|
De docent weet op basis van een
RTTI analyse wat de speciale leerbehoeften van de individuele leerlingen
zijn. De docent geeft op basis van de RTTI gegevens feedback aan de leerling.
|
Feedback/evaluatie
|
De docent bespreekt het (huis)werk
en eventuele moeilijkheden. De docent geeft leerlingen feedback op de
kwaliteit van hun werk en op de wijze waarop er gewerkt is. De docent
evalueert / checkt of het doel van de les door alle leerlingen is bereikt.
Gewenst gedrag van leerlingen wordt benoemd en beloond middels positieve
feedback (complimenten).
|
Verwachtingen
|
De docent geeft expliciet blijk
van hoge verwachtingen. Docent spreekt deze positieve verwachtingen uit naar
leerlingen over wat zij aankunnen.
|
Vijf rollen van de docent
|
De docent vervult in zijn/haar
lessen vijf verschillende rollen. De docent is gastheer, presentator,
didacticus, pedagoog en afsluiter.
|
Eigen verantwoordelijkheid
|
De docent laat de leerlingen delen
in verantwoordelijkheden.
|
Omgeving en tijd
|
De les start op tijd en het lesuur
is zorgvuldig ingedeeld en goed benut.
De (pedagogische) werkomgeving
voldoet aan de eisen op gebied van ordelijkheid en netheid en veiligheid. De
leraar houdt tijdig en continue de studievorderingen, de absentie en het
huiswerk bij en deze staan bijtijds in Magister.
|
Aandacht
|
De docent verwelkomt de
leerlingen, geeft persoonlijke aandacht en attendeert preventief evt.
problemen. De docent kent de namen van de leerlingen.
|
Structuur
|
De docent start duidelijk de les,
heeft en houdt de aandacht van de leerlingen en presenteert het onderwerp. De
leraar vertelt bij aanvang de lesdoelen, structuur en inhoud van de les en
noteert deze op het bord.
|
Leergerichtheid
|
De docent zorgt voor orde (goed
klassenmanagement) en een veilige sfeer in de klas, een leergerichtheid bij
leerlingen. De docent zorgt voor een juist pedagogisch klimaat, waarbij
ongewenst gedrag volgens afgesproken regel wordt gecorrigeerd. Geeft de
leerling de kans om het gedrag te herstellen. De docent handhaaft de orde in
de klas en er is zichtbaar een open, goede leraar-leerling(-en)-relatie.
|
Labels:
didactische werkvormen,
differentiëren,
les,
lesgeven,
werkvormen
zaterdag 22 november 2014
Didactische werkvormen
Een didactische werkvorm is de manier waarop de docent de onderwijsleersituatie vormgeeft. Didactische werkvormen zijn gedragingen van docenten, zoals het geven van instructie en opdrachten, of het laten samenwerken van de kinderen.
Een belangrijke vraag daarbij is: wil je als leerkracht zelf veel de leiding, of wil je dat de kinderen actief leren? Het is belangrijk dat de leerkracht veel didactische werkvormen tot zijn beschikking heeft, want dan kan hij per situatie bekijken welke werkvorm het meest geschikt is.
Bij het kiezen voor een didactische werkvorm is het belangrijk dat de docent zich afvraagt welke vorm in deze situatie het meest geschikt is. Een rijke leeromgeving waarin de leerlingen actief leren vraagt om andere werkvormen dan een les met geleide interacties.
Voorbeelden van didactische werkvormen zijn: vertellen, uitleggen, demonstreren, vragen stellen, beurten geven, opdrachten geven en het laten samenwerken van de leerlingen.
De didactische werkvorm moet aansluiten bij het lesonderwerp en rekening houden met de verschillen tussen de leerlingen. Bij het kiezen voor een didactische werkvorm moet een leerkracht ook letten op de beginsituatie, de groeperingsvorm, de leeractiviteit en de leerstijl van de kinderen.
Didactische werkvormen zijn in te delen in vijf categorieën:
1 - Instructievormen
Deze didactische werkvorm wordt door de docent gestuurd. De docent staat letterlijk in het centrum van het onderwijskundig gebeuren. Meestal ligt het accent meer op de leerstof dan op de leerling, maar ondanks dat kan de leerling erg actief zijn. Deze vormen zijn geschikt voor het doorgeven van informatie of het inleiden in een nieuw onderwerp.
Voorbeelden zijn:
2 - Interactievormen
Hierbij kunnen leerlingen kennis, ervaringen en vragen met elkaar uitwisselen (leerlingen in partnerschap, zelfstandig individueel of in een groep). Deze vormen zijn geschikt om kinderen te leren overleggen, actief te luisteren, een mening te vormen, de leerstof te verwerken en zich open te stellen voor de ander.
Voorbeelden zijn:
3 - Opdrachtvormen
Leerlingen krijgen taken, die ze vervolgens zelfstandig of met anderen uitvoeren (taakgericht). Deze kunnen leerlingen zichzelf opleggen en/of ze kunnen door de docent opgedragen worden. Het gaat hierbij niet alleen om het product, maar ook om het proces. Leerlingen leren hierbij samenwerken, informatie zoeken, verwerken en presenteren. Ook wordt een beroep gedaan op zelfstandigheid en verantwoordelijkheid.
Voorbeelden zijn:
4 - Samenwerkingsvormen
Ook wel coöperatief leren. De leerlingen werken samen aan een gezamenlijk doel. De groepssamenstelling kan gebaseerd zijn op interesse, ontwikkelingsniveau, vorderingen of het sociogram.
Voorbeelden zijn:
5 - Spelvormen
Bij spelvormen gaat het om ervaringsleren vanuit een spelsituatie. Hierbij is er onderscheid tussen vrij en geleid spel.
Voorbeelden zijn:
Een belangrijke vraag daarbij is: wil je als leerkracht zelf veel de leiding, of wil je dat de kinderen actief leren? Het is belangrijk dat de leerkracht veel didactische werkvormen tot zijn beschikking heeft, want dan kan hij per situatie bekijken welke werkvorm het meest geschikt is.
Bij het kiezen voor een didactische werkvorm is het belangrijk dat de docent zich afvraagt welke vorm in deze situatie het meest geschikt is. Een rijke leeromgeving waarin de leerlingen actief leren vraagt om andere werkvormen dan een les met geleide interacties.
Voorbeelden van didactische werkvormen zijn: vertellen, uitleggen, demonstreren, vragen stellen, beurten geven, opdrachten geven en het laten samenwerken van de leerlingen.
De didactische werkvorm moet aansluiten bij het lesonderwerp en rekening houden met de verschillen tussen de leerlingen. Bij het kiezen voor een didactische werkvorm moet een leerkracht ook letten op de beginsituatie, de groeperingsvorm, de leeractiviteit en de leerstijl van de kinderen.
Didactische werkvormen zijn in te delen in vijf categorieën:
1 - Instructievormen
Deze didactische werkvorm wordt door de docent gestuurd. De docent staat letterlijk in het centrum van het onderwijskundig gebeuren. Meestal ligt het accent meer op de leerstof dan op de leerling, maar ondanks dat kan de leerling erg actief zijn. Deze vormen zijn geschikt voor het doorgeven van informatie of het inleiden in een nieuw onderwerp.
Voorbeelden zijn:
- doceren,
- vertellen,
- voorlezen,
- demonstreren of
- een dvd / YouTube-film / PowerPoint-presentatie vertonen.
2 - Interactievormen
Hierbij kunnen leerlingen kennis, ervaringen en vragen met elkaar uitwisselen (leerlingen in partnerschap, zelfstandig individueel of in een groep). Deze vormen zijn geschikt om kinderen te leren overleggen, actief te luisteren, een mening te vormen, de leerstof te verwerken en zich open te stellen voor de ander.
Voorbeelden zijn:
- klassengesprek,
- kringgesprek,
- vragen stellen,
- allerlei discussievormen of
- het houden van een interview of enquête.
3 - Opdrachtvormen
Leerlingen krijgen taken, die ze vervolgens zelfstandig of met anderen uitvoeren (taakgericht). Deze kunnen leerlingen zichzelf opleggen en/of ze kunnen door de docent opgedragen worden. Het gaat hierbij niet alleen om het product, maar ook om het proces. Leerlingen leren hierbij samenwerken, informatie zoeken, verwerken en presenteren. Ook wordt een beroep gedaan op zelfstandigheid en verantwoordelijkheid.
Voorbeelden zijn:
- huiswerk,
- het schrijven teksten,
- foto's / film / cartoons maken en gebruiken of
- het maken van een affiche / collage.
4 - Samenwerkingsvormen
Ook wel coöperatief leren. De leerlingen werken samen aan een gezamenlijk doel. De groepssamenstelling kan gebaseerd zijn op interesse, ontwikkelingsniveau, vorderingen of het sociogram.
Voorbeelden zijn:
- samen leren,
- groepswerk of
- projectwerk.
5 - Spelvormen
Bij spelvormen gaat het om ervaringsleren vanuit een spelsituatie. Hierbij is er onderscheid tussen vrij en geleid spel.
Voorbeelden zijn:
- educatieve leerspelen (zoals kwartet, wat zou er gebeuren-spel),
- een rollenspel,
- simulatiespel of
- dramatiseren.
Abonneren op:
Posts (Atom)
