Posts tonen met het label onderpresteren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderpresteren. Alle posts tonen

maandag 1 februari 2021

Hoogbegaafde onderpresteerders

Onderpresteren wil zeggen dat de prestaties lager liggen dan op grond van de capaciteiten van de leerling verwacht wordt. Er is dus sprake van een discrepantie tussen aanleg en prestatie. Onderpresteren komt voor op alle niveaus. Een leerling die erg zwak presteert is dus ook een onderpresteerder. In onderstaande tabellen staan externe kenmerken waarmee men een hoogbegaafde onderpresteerder kan herkennen.


Kenmerken van hoogbegaafde onderpresteerders

Gebrek aan inzet en initiatief

Een gebrek aan inzet en het nemen van initiatief, zowel voor schoolse zaken, maar ook voor alledaagse bezigheden zoals bv. het ledigen van de afwasmachine, tafel zetten, kleren opruimen,…

 

Niet afgemaakt werk

Werk wordt veelal niet afgemaakt wegens het slecht ontwikkelde doorzettingsvermogen, waardoor overal half afgewerkte tekeningen, breiwerkjes, ongelezen boeken,… te vinden zijn.

 

Geen focus

Tijdens het werken zijn ze niet gefocust en letten ze niet goed op. Ze zijn ook snel afgeleid en hun concentratie vermindert.

 

Slechte werk- en studiegewoonten

Ze hebben slechte werk- en studiegewoonten, hebben een hekel aan memoriseren en automatiseren, gaan deze zaken vooral uitstellen of andere afleiding zoeken.

 

Reageren nauwelijks motivatietechnieken.

Ze reageren nauwelijks op normale motivatietechnieken. Belonen en straffen helpt dus helemaal niet, wellicht wel voor eventjes, maar snel daarna begint de miserie opnieuw.

 

Wisselende prestaties

Ze hebben wisselende prestaties en zijn meestal zelf hierover ontevreden, hoewel ze dit niet meteen zullen toegeven.

 

Geloven ook hun eigen leugens

Hierdoor gaan ze gaan liegen over school, over hun huiswerk, over gemaakte afspraken, maar vooral over hun prestaties. Ze kunnen zich soms verbazend goed uit hun eigen miserie kletsen. Ze liegen zichzelf en de anderen constant voor, geloven ook hun eigen leugens, maar raken er ten lange leste in verstrikt.

 

Leggen lat veel te hoog of veel te laag

Ze leggen hun lat ofwel veel te hoog (zie je wel, ik kan dat toch niet, dus waarom zou ik mij inspannen?) ofwel veel te laag (zelfs zonder zich in te spannen halen ze dan hun vooropgestelde doel, dus waarom moeite doen?).

 

Vertonen vermijdingsgedrag

Ze vermijden constant nieuwe uitdagingen, nieuwe leeractiviteiten. Het is dan ook zeer moeilijk om reeds onderpresterende hoogbegaafde leerlingen uitdaging in de klas te gaan geven. Meestal gaan zij vermijdingsgedrag vertonen omdat ze schrik hebben.

 

Faalangstig en perfectionistisch

Ze zijn meestal faalangstig en perfectionistisch. Deze angst kan een gevolg zijn van hun perfectionisme, maar kan evengoed een gevolg zijn van het onderpresteren zelf.

 

Op vele gebieden laten afweten, maar plots op één gebied intensief nieuwsgierig zijn

Leerkrachten kunnen ze herkennen wanneer ze het op vele gebieden laten afweten, maar plots op één gebied intensief nieuwsgierig zijn en er veel over weten en passie voor tonen.

 

Voelen zich machteloos

Ze hebben het gevoel de controle te verliezen over hun eigen leven. Ze voelen zich machteloos en worden geleefd. Sommigen gaan extreme controle houden over het weinige waar ze nog enigszins macht over hebben bv. niet meer willen eten.

 

Laag zelfbeeld

Ze hebben een laag zelfbeeld die ze verstoppen achter stoer, rebels of clownesk gedrag.

 


Karaktereigenschappen van hoogbegaafde onderpresteerders 

In de onderstaande tabel worden de interne karaktereigenschappen geschetst die dit uiterlijk gedrag veroorzaken.

Gebrek aan zelfdiscipline

Hebben een gebrek aan zelfdiscipline, nemen geen initiatief en zetten niet door.

Geen verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag

Nemen geen verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag en zijn ook bang voor gevoelens van persoonlijke verantwoordelijkheid.

Aangeleerde hulpeloosheid

Zijn afhankelijk in hun werk, vertonen karakteristieken van ‘aangeleerde hulpeloosheid’: ze hebben het gevoel dat ze geen invloed kunnen uitoefenen op de situatie waarin ze zich bevinden en gaan daardoor niets ondernemen, maar alles laten doen door een ander.

Externe locus of control

Ze hebben een externe locus of control: ze leggen alle schuld van hun falen bij een externe oorzaak i.p.v. bij zichzelf en wijten hun successen aan een gelukstreffer. Ze accepteren m.a.w. de verantwoordelijkheid voor slagen, maar niet voor falen.

Weinig zelfbeheersing

Ze hebben weinig zelfbeheersing. Hun emoties (verdriet, frustratie, pijn,…) ‘floepen’ eruit en kunnen ze niet goed onder controle houden.

Weinig reflecteren over hun leerproces.

Ze hebben weinig inzicht in zichzelf, weinig metacognitieve vaardigheden. Ze reflecteren weinig over hun leerproces.

 

donderdag 25 december 2014

Typen onderpresteerders in de klas

Op basis van onderzoek hebben wij een viertal door leraren te herkennen typen onderpresteerders beschreven:

De rebel
Het gedrag van de rebel kan variëren van clownesk tot agressief. In ieder geval weet deze leerling de aandacht op te eisen en de les regelmatig te verstoren. Hierbij wordt de confrontatie met de leraar niet uit de weg gegaan. Deze leerling maakt zijn huiswerk slecht en klaagt daarbij wellicht over de saaiheid van de opdrachten en/of lesstof.

De schaduw
Deze leerling presteert op het niveau van het gemiddelde van de klas, maar kan eigenlijk méér. Blinkt niet uit, valt niet op. Eigenlijk heb je als leraar niet in de gaten dat deze leerling in de les aanwezig is. Tijdens de les doet deze leerling verschillende dingen die niet tot de lesstof behoren en is hij makkelijk afgeleid. Toch worden opdrachten wel gemaakt. Vragen daarentegen, worden sporadisch of niet gesteld. De leerling heeft (wisselende) gespreksgenoten in de klas. 

De afhankelijke
Deze leerling vraagt door zijn afhankelijke opstelling veel aandacht. Hij stelt, voor het gevoel van de leraar, veel onnodige vragen en is perfectionistisch. Ingeleverd werk ziet er qua inhoud en verzorging goed uit, conform de afspraken. Toch lijkt de leerling zelden tevreden met het werk. Bij groepswerk kan deze leerling nog wel eens problemen geven of juist een zeer volgzame houding aannemen. Hij vertoont weerstand bij het doen van opdrachten waarbij het uitproberen van nieuwe kennis of vaardigheden gevraagd wordt. 

De ideale leerling
Van deze leerling wil elke leraar wel een klas vol hebben. De leerling maakt het werk netjes, is vlijtig, stelt vragen die passen bij de stof en er soms ruimer omheengaan. Hij stelt eigen doelen en werkt daarvoor. Dit is een kracht van deze leerling, maar tevens de bottleneck: de doelen die gesteld worden passen soms niet bij het te behalen ontwikkelingsperspectief en/of worden gesteld op basis van onvoldoende kennis van de mogelijkheden in onderwijs of maatschappij. Door de gestelde doelen wordt het ontwikkelingsperspectief niet of slechts ten dele behaald; de leerling heeft meer in z’n mars dan eruit komt.

Feedback

Goede, gerichte feedback van de leraar kan de prestaties van leerlingen verbeteren. Onderzoek toont aan dat gerichte en geregelde feedback de leeropbrengst significant verhoogt. In de begeleiding van leerlingen speelt effectieve feedback dus een belangrijke rol.

Uit meta-analyses van onderzoeken naar feedback (Hattie & Timperley, 2007) blijkt dat feedback die gerelateerd is aan de doelen meer effect heeft op leerlingen dan feedback die niet doelgerelateerd is. Daarbij is het van belang dat de doelen specifiek en uitdagend zijn.

Hattie & Timperley onderscheiden vier niveaus van feedback:
  • Het niveau van de taak (hoe goed is de taak begrepen en uitgevoerd).
  • Het niveau van het proces (dat nodig is om een taak te kunnen begrijpen en uitvoeren).
  • Het niveau van zelfregulatie (zelf monitoren en reguleren van acties).
  • Het ‘zelfniveau’ (persoonlijke evaluatie van de lerende over de lerende).

Van de vragen die leraren stellen, heeft negentig procent betrekking op het niveau van de taak. Leraren bespreken daarbij het wel of niet correct zijn van het antwoord, de ‘netheid’ van de uitwerking en het gedrag van de leerling. Taakfeedback heeft echter weinig effect op het leren. Daarom verdient het de voorkeur om vooral feedback te geven op het proces en de zelfregulatie van leerlingen. Deze vormen van feedback zijn zeer belangrijk voor een diepere verwerking en beheersing van taken.

Voor onderpresteerders is feedback op het (leer)proces zeer belangrijk, omdat dit inzicht geeft in de resultaten van hun eigen inspanningen. Ook kan de leraar duidelijk maken dat er wellicht meerdere/andere mogelijkheden te benutten zijn, waardoor een (nog) beter resultaat behaald kan worden.

Beter presteren kun je stimuleren - Cps ]

Onderpresteren: herkennen en aanpak

Hoe leraren onderpresteerders kunnen begeleiden

De definitie van onderpresteren is dat de leerling minder presteert dan op basis van zijn ontwikkelingsperspectief verwacht mag worden. 

Net als alle andere leerlingen, hebben ook onderpresteerders volgens Betts & Neihart (2010) behoefte aan uitdagingen. Maar zij kunnen bang zijn om buiten de bekende kaders te denken. Ze hebben dikwijls de neiging te kiezen voor veiligheid, ‘het zekere antwoord’.
Is hier sprake van een fixed mindset?

Het is de kunst deze leerlingen uit te dagen niet weer de platgetreden paden te betreden en hen te belonen voor ‘nieuw’ denken, voor frisse ideeën. De leraar coacht onderpresteerders hierbij en moedigt hen aan risico’s te nemen. De wijze waarop de leraar opdrachten in de les of als huiswerk opstelt en vormgeeft, speelt hierbij ook een belangrijke rol. Juist verfrissende en uitdagende opdrachten nodigen de leerling uit om (begeleid) risico’s te nemen.

Stappenplan

Rimm (1995) stelt dat het tegengaan van onderpresteren een samenspel is tussen de leerling, de ouders en de school. In het Trifocale Model beschrijft ze aan de hand van een stappenplan wat de school – in de persoon van de mentor of een andere leraar – kan doen om onderpresteren tegen te gaan.

Stap 1: assessment/diagnose
Voordat gestart kan worden met het aanpakken van het (vermeende) onderpresteren, moet eerst worden vastgesteld of de leerling inderdaad onderpresteert. Daartoe doorloopt de leerling een assessment, dat bestaat uit de volgende onderdelen:

  • individuele intelligentietest,
  • individuele talententest (om de sterke en zwakke punten in de basisvaardigheden van een leerling boven water te krijgen),
  • creativiteitstesten, observaties in de klas,
  • vergelijking van gedrag en schoolresultaten bij de verschillende vakken,
  • interview met de ouders.

Stap 2: communicatie
Communicatie tussen ouders en leraren is een belangrijke component in de begeleiding van de onderpresteerder. Ouders en leraren moeten in elk geval in gesprek gaan over de getoetste talenten en over de mogelijkheden en de uitingen van afhankelijkheid of dominantie van de leerling.

Stap 3: aanpassen van verwachtingen
Het is belangrijk voor onderpresterende leerlingen dat ouders en leraren in hun capaciteiten geloven, dat zij er oprecht van overtuigd zijn dat de leerlingen goede resultaten kunnen laten zien op school. De positieve verwachtingen van deze belangrijke anderen heeft de onderpresteerder nodig om meer in zijn eigen mogelijkheden te gaan geloven.

Stap 4: identificatie met rolmodel
Ouders en leraren moeten leerlingen aanmoedigen zich te identificeren met de juiste rolmodellen. Immers: juist pubers zoeken vaak een rolmodel in verband met hun zoektocht naar de eigen identiteit. Ze kijken daarbij niet altijd even kritisch. Het gevaar bestaat dat een onderpresterende leerling soms een rolmodel kiest met eigenschappen gelijk aan die van de onderpresteerder. In dat geval wordt deze persoon een sterk model voor onderpresteren.

Stap 5: aanvullen/verbeteren van ontbrekende vaardigheden
Onderpresteerders missen soms vaardigheden die nodig zijn om tot betere prestaties te komen. Het corrigeren van dergelijke ontbrekende vaardigheden moet zorgvuldig gebeuren, zodat:
  • Het om de tuin leiden van de leraar door de leerling wordt voorkomen. Onderpresteerders manipuleren de leraar soms door in te spelen op zijn gevoel of smoezen te gebruiken om toch hun zien te krijgen.
  • De leerling de relatie ervaart/voelt tussen resultaat en inzet. Het is essentieel dat de behaalde resultaten van de onderpresteerder op proces bekrachtigd worden/positief gewaardeerd worden door de leraar.

Stap 6: aanpassingen op school en thuis
Het is belangrijk dat er haalbare kortetermijndoelen worden gesteld, zodat de leerling snel succeservaringen opdoet, zowel thuis als op school.
Een kortetermijndoel wordt afgeleid van een langetermijndoel. Zo’n doel voor de korte termijn kan bijvoorbeeld zijn dat de leerling thuis het huiswerk maakt als voorbereiding op de les. De les/kennis beklijft dan beter en de leerling behaalt vervolgens een beter resultaat dan voorheen op de toets (lange termijn).

Onderwijsbehoeften van onderpresteerders
Onderpresteerde leerlingen hebben op school behoefte aan:

  • meer verdieping bij vakken/thema’s die ze interessant vinden,
  • acceptatie en waardering,
  • relatief veel autonomie,
  • mondelinge opdrachten,
  • individueel werk,
  • uitdagende, realistische, contextrijke opdrachten,
  • feedback op hun leerproces

[ Beter presteren kun je stimuleren - Cps ]

dinsdag 6 mei 2014

Onderpresteren

Onderpresteren 
Onderpresteren wil zeggen dat de prestaties (veel) lager liggen dan op grond van de capaciteiten van de leerling verwacht wordt. Er is dus sprake van een discrepantie tussen aanleg en prestatie. Onderpresteren komt voor op alle niveaus. Een gemiddelde leerling die erg zwak presteert is dus ook een onderpresteerder. 



    Hulpvragen 
    Welke hulpvragen kun je stellen om onderpresteerders te herkennen? 

    • Waar herken je ze aan? 
    • Wat zeggen ze? 
    • Hoe ga je nu met ze om? 
    • Welke verwachtingen heb je van ze? Waar blijkt dat uit?
    • Welke gedrag vertonen ze? In de les/ daarbuiten? 
    • Hoe reageren ze op feedback? 
    • Welke emoties neem je waar? 
    • Hoe reageert de omgeving op het leergedrag?
    • Hoe motiveer je ze? 
    • Wat doe je wel, wat beslist niet?
    • Welke oordelen kom je bij jezelf tegen over deze leerlingen?
    • Wanneer neig je tot afhaken of opgeven?


    Positieve kenmerken
    Vaak gaat het alleen over de negatieve kenmerken van onderpresteerders. Maar zij hebben zeker ook positieve kenmerken. Zoals:

    • Ze hebben ongewone interesses en een levendige verbeelding.
    • Ze lezen vaak veel in hun vrije tijd en hebben een grote feitenkennis.
    • Ze komen in een één-op-één-gesprek welbespraakt en intelligent naar voren.
    • Ze begrijpen en onthouden informatie goed als ze geïnteresseerd zijn.
    • Ze zijn gevoelig.
    • Ze hebben een grote ontdekkingsdrang en creativiteit.


    Negatieve kenmerken
    In het algemeen zijn de volgende zaken kenmerkend:

    • Ze leveren weinig inspanning en zijn niet gewend moeite te doen om succes te behalen.
    • Zij hebben geen of weinig doorzettingsvermogen en zelfdiscipline. Ze zijn moeilijk aan het werk te krijgen en vinden het lastig om een taak vol te houden.
    • Ze maken onnodige fouten. Er zit een neerwaartse lijn in hun prestaties.
    • Ze bereiden hun huiswerk niet of nauwelijks voor.
    • Ze hebben slechte leer/werkstrategieën en een hekel aan automatiseren.
    • Ze verzetten zich tegen autoriteit.
    • Ze zijn snel afgeleid en hebben een slechte concentratie. Ze hebben hun aandacht niet bij de les of zijn met andere dingen bezig.
    • Ze wijzen verantwoordelijkheid af en nemen geen verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag.
    • Ze hebben een sterke externe locus of control: ze zoeken de oorzaak van slechte resultaten buiten zichzelf.
    • Ze hebben een negatief zelfbeeld en zelfvertrouwen. Ze zijn zelf ook ontevreden over hun prestaties.



    Soorten onderpresteerders
    Er zijn twee soorten onderpresteerders: relatieve en absolute onderpresteerders. Bij relatief onderpresteren behaalt de leerling lagere scores dan op grond van zijn capaciteiten verwacht mag worden, maar ze liggen nog wel op het klassenniveau. Dit is vaak het geval bij kinderen die niet erg willen opvallen. Het komt vooral voor bij meisjes. Bij absoluut onderpresteren behaalt de leerling resultaten die zelfs onder het klassenniveau liggen. Dit komt vooral voor bij jongens.


    Beeld van leren
    Onderpresteerders hebben een verwrongen idee van wat leren inhoudt. Het beeld van leren hoort te zijn: Iets wat ik nog niet weet of kan, dat ga ik oefenen, zodat ik het daarna (beter) beheers. In de gedachten van onderpresteerders is dit verandert in: Iets wat ik al weet en kan, nog vele malen herhalen, zonder dat het iets toevoegt aan mijn beheersing.
    Oorzaken

    Er kunnen verschillende oorzaken zijn waarom kinderen gaan onderpresteren. Bijvoorbeeld:

    • Een gebrek aan uitdaging, bijvoorbeeld als een leerling lange tijd onder zijn niveau werkt en geen faalervaringen heeft. Dit zorgt voor verveling.
    • Een gebrek aan motivatie. Dit kan het gevolg zijn van te weinig uitdaging in de taken, maar het kan ook aan de leerling zelf of aan de thuisomgeving liggen. Vaak is er sprake van een combinatie.
    • Aanpassingsgedrag. Als een leerling niet wil opvallen tussen zijn leeftijdsgenoten, dan kan onderpresteren als verdedigingsmechanisme ingezet worden, om geen uitzondering te zijn en geaccepteerd te worden door de groep. Ze willen geen jaloezie en proberen daarom onzichtbaar te zijn.
    • Een slechte leer/werkstrategie.
    • Emotionele problemen.



    Gevolgen
    Vaak krijgen onderpresteerders een verkeerd of negatief zelfbeeld. Het kind ervaart dat het niet aan de verwachtingen voldoet. Hij voelt zich een "loser", omdat hij anderen teleurstelt. Ouders, kind en school moeten een actieve rol spelen om dit zelfbeeld te verbeteren. Onderpresteerders kunnen depressief, perfectionistisch of faalangstig worden. Sommigen ontwikkelen angsten en krijgen buikklachten. Ze kunnen in een sociaal isolement terechtkomen.
    Begeleiding op school

    De basis voor de oplossing is een goede relatie met de leerling. Onderpresteerders hebben begeleiding nodig om te leren leren. Verder moet de leerkracht ervoor zorgen dat de leerling merkt:

    • Dat hij/zij er net zo goed mag zijn.
    • Dat het de leerkracht veel kan schelen wat hij/zij doet en hoe.
    • Dat er andere kinderen zijn met wie hij/zij de competentie kan delen en meten.
    • Dat de eigen activiteit aansluit bij wat het kind nog wil en moet leren.


    Als een onderpresteerder helemaal vastgelopen is, kan het zinvol zijn om dit te doorbreken door de leerling tijdelijk uit de klas te halen. Geef de leerling een coach, iemand uit het team. Laat de leerling twee weken kiezen welke vakken hij wil volgen in welke klas, zodat hij weer leerplezier krijgt. Laat de leerling dan langzamerhand teruggaan naar de klas met meer verrijking en ruimte voor eigen onderwerpen.


    Verrijkingstof
    Verrijking voor onderpresteerders kan op de volgende manieren:

    • Leren leren. Dit kan door een studievaardighedentraining en door vreemde talen, zoals Spaans.
    • Leren denken. Dit kan door het aanbieden van denksport en programmeren.
    • Leren leven. Dit kan een sociale vaardighedentraining zijn, maar hier valt ook expressie, muzikale vorming en filosofie onder.
    • Spelletjes, zoals Set, Rush hour, Rubik’s snake en Transposer. Hierbij kunnen de kinderen een strategie ontwikkeling.


    Do’s
    Een aantal tips voor de docent:

    • Leg uit waarom ze iets moeten leren.
    • Probeer hun denkstrategie te koppelen aan een gangbare strategie.
    • Wissel procesfeedback af met productfeedback.
    • Bemoedig de poging en het proces meer dan het resultaat. Als de leerling leert om zich ergens voor in te spannen en door te zetten, dan is er een basis gelegd.
    • Beschrijf bij positieve feedback wat je goed vindt.
    • Leer de leerling fouten durven maken.
    • Wissel veiligheid en ondersteuning af met terughoudendheid en aanmoediging om fouten te maken.
    • Beloon inspanning.
    • Train metacognitieve vaardigheden. Dit verschaft inzicht en werkt indirect.
    • Geef hen aangepaste activiteiten, waarbij ze ook contact hebben met ontwikkelingsgelijken.

    Maar het belangrijkste is preventie. Voorkomen is altijd beter dan genezen.


    Don’ts
    Er zijn ook een aantal dingen die de docent beter niet kan doen.

    • Kijk niet alleen naar het resultaat kijken, maar juist naar het proces.
    • Zeg niet: ‘Wat ben je slim!’. Op het moment dat een poging of taak mislukt, denkt de leerling dan dat hij niet meer slim genoeg is. Het gaat om de inzet.
    • Straffen heeft weinig zin. Onderpresteerders zoeken de oorzaak van de slechte prestaties buiten zichzelf, dus dan heeft straffen niet het gewenste effect.
    • Omkopen. Onderpresteerders hebben de neiging om de beloning te verkleinen en ze vinden vaak wel een goede reden om toch niet aan de slag te gaan. Omkopen doet bovendien geen beroep op de intrinsieke motivatie.

    [ bron: http://wij-leren.nl/artikel-onderpresteren.php ]
    [ bron: http://www.schoolaanzet.nl/fileadmin/contentelementen/school_aan_zet/Training_Groei-mindset_docenten_kleiner.pdf ]

    woensdag 5 februari 2014

    Onderpresteren


    Onderpresteren 
    Onderpresteren wil zeggen dat de prestaties (veel) lager liggen dan op grond van de capaciteiten van de leerling verwacht wordt. Er is dus sprake van een discrepantie tussen aanleg en prestatie. Onderpresteren komt voor op alle niveaus. Een gemiddelde leerling die erg zwak presteert is dus ook een onderpresteerder. 


    Positieve kenmerken
    Vaak gaat het alleen over de negatieve kenmerken van onderpresteerders. Maar zij hebben zeker ook positieve kenmerken. Zoals:

    • Ze hebben ongewone interesses en een levendige verbeelding.
    • Ze lezen vaak veel in hun vrije tijd en hebben een grote feitenkennis.
    • Ze komen in een één-op-één-gesprek welbespraakt en intelligent naar voren.
    • Ze begrijpen en onthouden informatie goed als ze geïnteresseerd zijn.
    • Ze zijn gevoelig.
    • Ze hebben een grote ontdekkingsdrang en creativiteit.


    Negatieve kenmerken
    In het algemeen zijn de volgende zaken kenmerkend:

    • Ze leveren weinig inspanning en zijn niet gewend moeite te doen om succes te behalen.
    • Zij hebben geen of weinig doorzettingsvermogen en zelfdiscipline. Ze zijn moeilijk aan het werk te krijgen en vinden het lastig om een taak vol te houden.
    • Ze maken onnodige fouten. Er zit een neerwaartse lijn in hun prestaties.
    • Ze bereiden hun huiswerk niet of nauwelijks voor.
    • Ze hebben slechte leer/werkstrategieën en een hekel aan automatiseren.
    • Ze verzetten zich tegen autoriteit.
    • Ze zijn snel afgeleid en hebben een slechte concentratie. Ze hebben hun aandacht niet bij de les of zijn met andere dingen bezig.
    • Ze wijzen verantwoordelijkheid af en nemen geen verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag.
    • Ze hebben een sterke externe locus of control: ze zoeken de oorzaak van slechte resultaten buiten zichzelf.
    • Ze hebben een negatief zelfbeeld en zelfvertrouwen. Ze zijn zelf ook ontevreden over hun prestaties.



    Soorten onderpresteerders
    Er zijn twee soorten onderpresteerders: relatieve en absolute onderpresteerders. Bij relatief onderpresteren behaalt de leerling lagere scores dan op grond van zijn capaciteiten verwacht mag worden, maar ze liggen nog wel op het klassenniveau. Dit is vaak het geval bij kinderen die niet erg willen opvallen. Het komt vooral voor bij meisjes. Bij absoluut onderpresteren behaalt de leerling resultaten die zelfs onder het klassenniveau liggen. Dit komt vooral voor bij jongens.


    Beeld van leren
    Onderpresteerders hebben een verwrongen idee van wat leren inhoudt. Het beeld van leren hoort te zijn: Iets wat ik nog niet weet of kan, dat ga ik oefenen, zodat ik het daarna (beter) beheers. In de gedachten van onderpresteerders is dit verandert in: Iets wat ik al weet en kan, nog vele malen herhalen, zonder dat het iets toevoegt aan mijn beheersing.
    Oorzaken

    Er kunnen verschillende oorzaken zijn waarom kinderen gaan onderpresteren. Bijvoorbeeld:

    • Een gebrek aan uitdaging, bijvoorbeeld als een leerling lange tijd onder zijn niveau werkt en geen faalervaringen heeft. Dit zorgt voor verveling.
    • Een gebrek aan motivatie. Dit kan het gevolg zijn van te weinig uitdaging in de taken, maar het kan ook aan de leerling zelf of aan de thuisomgeving liggen. Vaak is er sprake van een combinatie.
    • Aanpassingsgedrag. Als een leerling niet wil opvallen tussen zijn leeftijdsgenoten, dan kan onderpresteren als verdedigingsmechanisme ingezet worden, om geen uitzondering te zijn en geaccepteerd te worden door de groep. Ze willen geen jaloezie en proberen daarom onzichtbaar te zijn.
    • Een slechte leer/werkstrategie.
    • Emotionele problemen.



    Gevolgen
    Vaak krijgen onderpresteerders een verkeerd of negatief zelfbeeld. Het kind ervaart dat het niet aan de verwachtingen voldoet. Hij voelt zich een "loser", omdat hij anderen teleurstelt. Ouders, kind en school moeten een actieve rol spelen om dit zelfbeeld te verbeteren. Onderpresteerders kunnen depressief, perfectionistisch of faalangstig worden. Sommigen ontwikkelen angsten en krijgen buikklachten. Ze kunnen in een sociaal isolement terechtkomen.
    Begeleiding op school

    De basis voor de oplossing is een goede relatie met de leerling. Onderpresteerders hebben begeleiding nodig om te leren leren. Verder moet de leerkracht ervoor zorgen dat de leerling merkt:

    • Dat hij/zij er net zo goed mag zijn.
    • Dat het de leerkracht veel kan schelen wat hij/zij doet en hoe.
    • Dat er andere kinderen zijn met wie hij/zij de competentie kan delen en meten.
    • Dat de eigen activiteit aansluit bij wat het kind nog wil en moet leren.


    Als een onderpresteerder helemaal vastgelopen is, kan het zinvol zijn om dit te doorbreken door de leerling tijdelijk uit de klas te halen. Geef de leerling een coach, iemand uit het team. Laat de leerling twee weken kiezen welke vakken hij wil volgen in welke klas, zodat hij weer leerplezier krijgt. Laat de leerling dan langzamerhand teruggaan naar de klas met meer verrijking en ruimte voor eigen onderwerpen.


    Verrijkingstof
    Verrijking voor onderpresteerders kan op de volgende manieren:

    • Leren leren. Dit kan door een studievaardighedentraining en door vreemde talen, zoals Spaans.
    • Leren denken. Dit kan door het aanbieden van denksport en programmeren.
    • Leren leven. Dit kan een sociale vaardighedentraining zijn, maar hier valt ook expressie, muzikale vorming en filosofie onder.
    • Spelletjes, zoals Set, Rush hour, Rubik’s snake en Transposer. Hierbij kunnen de kinderen een strategie ontwikkeling.


    Do’s
    Een aantal tips voor de docent:

    • Leg uit waarom ze iets moeten leren.
    • Probeer hun denkstrategie te koppelen aan een gangbare strategie.
    • Wissel procesfeedback af met productfeedback.
    • Bemoedig de poging en het proces meer dan het resultaat. Als de leerling leert om zich ergens voor in te spannen en door te zetten, dan is er een basis gelegd.
    • Beschrijf bij positieve feedback wat je goed vindt.
    • Leer de leerling fouten durven maken.
    • Wissel veiligheid en ondersteuning af met terughoudendheid en aanmoediging om fouten te maken.
    • Beloon inspanning.
    • Train metacognitieve vaardigheden. Dit verschaft inzicht en werkt indirect.
    • Geef hen aangepaste activiteiten, waarbij ze ook contact hebben met ontwikkelingsgelijken.

    Maar het belangrijkste is preventie. Voorkomen is altijd beter dan genezen.


    Don’ts
    Er zijn ook een aantal dingen die de docent beter niet kan doen.

    • Kijk niet alleen naar het resultaat kijken, maar juist naar het proces.
    • Zeg niet: ‘Wat ben je slim!’. Op het moment dat een poging of taak mislukt, denkt de leerling dan dat hij niet meer slim genoeg is. Het gaat om de inzet.
    • Straffen heeft weinig zin. Onderpresteerders zoeken de oorzaak van de slechte prestaties buiten zichzelf, dus dan heeft straffen niet het gewenste effect.
    • Omkopen. Onderpresteerders hebben de neiging om de beloning te verkleinen en ze vinden vaak wel een goede reden om toch niet aan de slag te gaan. Omkopen doet bovendien geen beroep op de intrinsieke motivatie.
    [ bron: http://wij-leren.nl/artikel-onderpresteren.php ]