Posts tonen met het label motiveren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label motiveren. Alle posts tonen

vrijdag 14 juni 2019

Motivatie is een proces waarbij doelgerichte activiteit wordt gestart en volgehouden

De onderwijspsychologen Dale Schunk, Paul Pintrich en Judith Meese vatten het begrip motivatie als volgt samen:

Motivatie is een proces waarbij doelgerichte activiteit wordt gestart en volgehouden.

Het gaat bij motivatie dus op de volgende woorden:
1 - ‘proces’,
2 - ‘doelgericht’,
3 - ‘activiteit’ en
4 - ‘gestart en volgehouden’.

Proces
Het gaat om het woord proces omdat motivatie niet direct geobserveerd kan worden, maar wordt afgeleid uit activiteiten zoals keuze voor een taak, inspanning en volharding.

Doelgericht
Het gaat om het woord doelgericht omdat een doel de aanleiding is voor activiteit en de richting ervan bepaalt.

Activiteit
Het gaat om het woord activiteit omdat realiseren van doelen fysieke of mentale activiteit vraagt.

Gestart en volgehouden
Het gaat om de woorden gestart en volgehouden omdat een eerste stap zetten weliswaar moeilijk kan zijn. Echter het volhouden van een activiteit bepaald of doelen (bijvoorbeeld het slagen voor een schoolvak of het afronden van een studie) worden gerealiseerd.



People will be motivated to achieve the task they value and that they believe they can achieve  - Dale Schunk (2004).

Is er sprake van een motivatiegebrek bij de leerling, stel dan de volgende vragen:

VRAAG 1 - Is de taak van waarde voor de leerling?
Is deze taak belangrijk voor de leerling? Heeft de docent vooraf uitgelegd wat het doel is van deze taak? Geef een duidelijke instructie/uitleg, check wat leerlingen zelf al weten.
Leerlingen krijgen taken die zinvol zijn, gemeten aan hun ontwikkelingsniveau om de angst voor falen te verminderen. 

VRAAG 2 - Mogen leerlingen zelf keuzes maken?
Heeft de leerling de mogelijkheid gehad om taken te kiezen die hem ook iets opleveren? Geef leerlingen de ruimte om opdrachten op hun eigen manier te maken. Waar mogelijk aan te sluiten bij eigen interesses van leerlingen en een actieve leerhouding te stimuleren. Leerlingen aan te moedigen in groepen naar eigen keuze te werken en de leerlingen uit te nodigen om kritisch en creatief na te denken over opdrachten. Zelfwerkzaamheid en keuzevrijheid verhoogt de kans dat de leerling gaat kiezen om over te gaan tot meer moeilijke taken.

VRAAG 3 - Geven we de leerling een competent gevoel?           
Is het niveau van de taken afgestemd op de mogelijkheden en competenties van de leerling? Laat leerlingen reflecteren op wat ze hebben geleerd en stel vragen aan de leerlingen. Aan te geven wat er van leerlingen wordt verwacht en hoe ze dat kunnen bereiken. De taken moeten echter niet te gemakkelijk zijn, omdat dit de tevredenheid of de waarde van de taak vermindert. Herhaald succes bouwt aan de perceptie van competentie van de leerling.


maandag 15 april 2019

Simon Sinek - over (zelf)vertrouwen en inzet

Simon Oliver Sinek is een Brits-Amerikaanse auteur, motiverende spreker en organisatieadviseur. Hij is de auteur van vijf boeken, waaronder Start With Why.
Simon Sinek spreekt in deze video over vertrouw
en, zelfvertrouwen en doelgerichte inzet met een duidelijke visie. De wederkerigheid van onze acties; doe dingen voor anderen en zie wat anderen doen voor jou. Hoe meer wij geven, hoe meer anderen zullen geven. Goed voorbeeld doet volgen.



woensdag 16 november 2016

Een stimulerende en motiverende leeromgeving


Hoe kunnen we voor leerlingen een stimulerende en motiverende leeromgeving ontwerpen? En kunnen we voor leerlingen meer taakbetrokkenheid en eigenaarschap bij het leren realiseren.

Een omgeving waarin aan de drie basisbehoeften wordt tegemoet gekomen en een leerling zich competent kan voelen, het gevoel heeft keuzes te mogen maken en een goede relatie met de klas en leraar voelt.

Een drietal kenmerken van die omgeving blijken daarvoor essentieel:

1 - structuur,
2 - stimulering en ondersteuning van autonomie en
3 - betrokkenheid



(Skinner & Belmont, 1993; Reeve, 2002; Connell & Wellborn, 1991).

Voorbeelden van deze drie kenmerken zijn:



Structuur:

Informatie die een leerling krijgt over wat er van hem/haar wordt verwacht in een les.

 

Bijvoorbeeld door:

-Te vertellen over hoe de les eruit ziet,

-Vertellen welke leerstof aan bod komt,

-Aan te geven wat er van leerlingen wordt verwacht,

-Aan te geven hoe ze dat kunnen bereiken,

-Werkwijzen die worden ingezet toe te lichten,

-Duidelijke instructie/uitleg te geven en oplossingswijzen voor te doen,

-Te checken wat leerlingen zelf al weten,

-Leerlingen te laten reflecteren op wat ze hebben geleerd,

-Zich responsief, vragend op te stellen naar leerlingen.
 

Stimuleren en ondersteunen van autonoom gedrag:

De mate waarin een leerling het gevoel heeft zelf keuzes te mogen maken en hierin te worden ondersteund.

 

Bijvoorbeeld door:

-Leerlingen ruimte te geven opdrachten op hun eigen manier te maken,

-Waar mogelijk aan te sluiten bij eigen interesses van leerlingen,

-Een actieve leerhouding te stimuleren,

-Leerlingen altijd (de mogelijkheid tot) ondersteuning te geven bij het uitvoeren van (zelf gekozen) opdrachten,

-Leerlingen aan te moedigen in groepen naar eigen keuze te werken,

-Leerlingen uit te nodigen kritisch en creatief na te denken over opdrachten,

 

Betrokkenheid:

Betrokkenheid op leerlingen tonen.

 

Bijvoorbeeld door:

-Te laten merken het leuk te vinden aan alle leerlingen van de klas les te mogen geven,

-Op de hoogte te zijn van bijzondere gebeurtenissen van leerlingen,

-Te weten wat voor een leerling belangrijk is,

-Interesses van leerlingen kennen,

-Aandacht te hebben voor alle leerlingen in de klas,

-Namen van leerlingen kennen,

-Leerlingen te vertrouwen op hun inzet.

 


Docenten die hierin een goede balans weten te creëren en daarmee aan alle drie de basisbehoeften van leerlingen tegemoet komen zullen bij hun leerlingen meer taakbetrokkenheid en eigenaarschap bij het leren realiseren.

Wat is motivatie?

Er zijn meerdere vormen van motivatie. De motivatie bepaalt de mate waarin iemand betrokken is bij een (leer)activiteit.


Het ergens wel of niet voor gemotiveerd zijn kunnen we verdelen op de schaal van:
- totaal niet gemotiveerd (a-motivatie),
- via externe motivatie tot
- zeer gemotiveerd en geïnteresseerd (intrinsieke motivatie) (Deci & Ryan, 2002).



De mate waarin iemand het gevoel heeft dat hij zelf kan bepalen wat hij doet en de mate waarin je dat ook zelf kan reguleren of niet, spelen hierbij een belangrijke rol. Schematisch ziet dat er als volgt uit:


Externe regulatie
De persoon / de leerling doet iets vanwege het krijgen van beloning of ter voorkoming van straf.
Introjected regulatie
De persoon / de leerling doet iets om geen schuldgevoel te hebben of om een soort bevestiging te krijgen.
Identified regulatie
Er is al sprake van zelf bepalen, zelf richting geven omdat je er een persoonlijk belang bij hebt, je bewust bent van het doel, nut van iets.
Integrated regulatie
Dit komt overeen met persoonlijke doelen, past bij wat iemand zelf ook belangrijk vindt en heeft veel overeenkomst met intrinsieke regulatie / motivatie.
Intrinsieke regulatie
De persoon / de leerling heeft er interesse in, het past bij persoonlijke doelen en dingen die hij zelf heel belangrijk vindt.


Bij de verschillende vormen van motivatie speelt de mate waarin een persoon / een leerling het gevoel heeft zelf keuzes te kunnen maken een belangrijk rol. Naarmate de persoon meer het gevoel heeft dat er een bepaalde ruimte is voor een eigen inbreng, de eigen strategieën of interesses. Des te meer zal de persoon bereid zijn zich in te zetten.


Bij intrinsieke motivatie is er sprake van een ideale situatie. Je doet iets omdat het jouw interesse heeft, omdat je je er goed bij voelt of omdat het iets is wat jij wilt. Het is jouw keuze en je kunt ermee aan de gang zoals jij dat wilt. Dit is een vorm van motivatie die in het onderwijs soms moeilijk te bereiken is, maar waar we wel naar streven.


In het onderwijs spelen vooral vormen van externe motivatie een rol ofwel door de docent. De leerling gaat over tot actie onder invloed van de (leer/werk) omgeving. Een omgeving die, in het geval van de leerling, wordt ingericht door de leraar.


Vragen die we ons zelf in dit verband kunnen stellen zijn:
- Wanneer ben ik zelf gemotiveerd om iets te gaan doen en wat heb ik zelf eigenlijk nodig om gemotiveerd te raken?
- Word ik bijvoorbeeld getriggerd door een ander, of heeft het ook te maken met iets dat ik zelf wil?
- Wat wil ik eigenlijk en welk doel heb ik voor ogen?
- Hoe belangrijk is het voor mij en wat verwacht ik te bereiken?


Om vervolgens deze vragen ook eens vanuit het perspectief van de andere persoon, de leraar of de leerling te stellen. En als we er vanuit gaan dat het verkrijgen van intrinsieke motivatie in een schoolse leeromgeving een illusie is, dan speelt de leraar als degene die de leeromgeving inricht voor de leerlingen, een cruciale rol voor het verkrijgen van een vorm van (externe) motivatie bij leerlingen.

woensdag 16 september 2015

Hoe leerkrachten hun leerlingen kunnen motiveren

Berichten in de media wezen weer op het gebrek aan motivatie bij Nederlandse leerlingen. Hierin worden de leerkrachten vaak aangewezen als degenen die de leerlingen moeten motiveren of gemotiveerd moeten houden. Veel docenten worstelen met de vraag wat ze hieraan kunnen doen. NWO-promovendus Arnout Prince deed hier onderzoek naar.

Uit eerdere studies blijkt dat de motivatie van scholieren afneemt op de middelbare school, vooral op het vmbo. Prince onderzocht hoe deze afnemende motivatie van middelbare scholieren terug te dringen is. Hij toetste de effecten van verschillende interventies bij leerlingen uit de eerste en tweede klas van het vmbo.

Arnout Prince concludeert dat het langdurige positieve effecten op de motivatie van leerlingen heeft als leerkrachten samenwerken om een zo goed mogelijke pedagogische interactie met leerlingen te bewerkstelligen en als die leerkrachten daarin gesteund worden door onder meer de schooldirectie.

Prince testte twee interventiemethoden onder VMBO-leerkrachten. Een combinatie van het aanleren van leerstrategieën met het optimaliseren van de pedagogische relatie tussen de leerkracht en de leerling bleek een positief effect te hebben op de motivatie van de leerlingen. 
In de meta-analyse van John Hattie wordt benadrukt dat effectief leren in de eerste plaats draait om de leeractiviteiten die onder regie van de docent plaatsvinden.

[ bron: http://www.nwo.nl/actueel/nieuws/2014/magw/hoe-leerkrachten-hun-leerlingen-kunnen-motiveren.html ]

Zo motiveer je leerlingen:

Iedere docent krijgt er een keer mee te maken: ongemotiveerde leerlingen. Of je nou lesgeeft aan leerlingen van het vmbo, het gymnasium, speciaal onderwijs of zelfs volwassenenonderwijs, iedereen heeft wel eens last van motivatieproblemen.

Maar wat is motivatie? Als we de literatuur erop naslaan dan kunnen we leren dat er meerdere vormen van motivatie zijn. En dit bepaalt de mate waarin iemand betrokken is bij een les / activiteit.


Het ergens wel/niet voor gemotiveerd zijn kan verschillen van totaal niet gemotiveerd (a-motivatie), via externe motivatie tot zeer gemotiveerd en geïnteresseerd (intrinsieke motivatie) (Deci & Ryan, 2002).


Bij intrinsieke motivatie is er sprake van een ideale situatie: je doet iets omdat het jouw interesse heeft, omdat je je er goed bij voelt of omdat het iets is wat jij wilt. Het is jouw keuze en je kunt ermee aan de gang zoals jij dat wilt. Dit is een vorm van motivatie die in het onderwijs soms moeilijk te bereiken is, maar waar we wel naar streven. In het onderwijs spelen vooral vormen van externe motivatie een rol: ofwel een leraar, leerling gaat over tot actie onder invloed van de (leer/werk) omgeving. Een omgeving die, in het geval van de leerling, wordt ingericht door de leraar.


Vragen die we ons zelf in dit verband kunnen stellen zijn: wanneer ben ik zelf gemotiveerd om iets te gaan doen en wat heb ik zelf eigenlijk nodig om gemotiveerd te raken? Word ik bijvoorbeeld getriggerd door een ander, of heeft het ook te maken met iets dat ik zelf wil? Wat wil ik eigenlijk en welk doel heb ik voor ogen? Hoe belangrijk is het voor mij en wat verwacht ik te bereiken?


Om vervolgens deze vragen ook eens vanuit het perspectief van de ander, de leraar of de leerling te stellen. En als we er vanuit gaan dat het verkrijgen van intrinsieke motivatie in een schoolse leeromgeving een illusie is, dan speelt de leraar als degene die de leeromgeving inricht voor de leerlingen, een cruciale rol voor het verkrijgen van een vorm van (externe) motivatie bij leerlingen. En ook de schoolleider voor de leraren.


Motivatie is een voorwaarde voor leren. ‘Iets willen bereiken', ‘enthousiast zijn' en ‘er voor gaan' geven aan dat een leerling gemotiveerd is. In grote lijnen zijn er twee manieren om een leerling te motiveren:

I. Persoonsgericht stimuleren, dat wil zeggen gericht op hoe de leerling zich voelt.


Om de leerling te kunnen stimuleren voor de opleiding of het werk moet de leerling zich eerst prettig voelen. De leerling moet zelfvertrouwen hebben, maar ook de sfeer op het werk moet goed zijn. Als docent kun je hiervoor zorgen door een goede relatie met de leerling op te bouwen en door een prettige werksfeer te scheppen.


II. Taak/opdrachtgericht stimuleren, dat wil zeggen gericht op de taken die je aan de leerling geeft.


Taakgericht stimuleren doe je door de opdrachten en het werk te laten aansluiten bij het niveau en de interesse van de leerling. Geef de leerling zoveel mogelijk interessante en uitdagende klussen. Niet té moeilijk, want daar wordt een leerling onzeker van. Maar zeker ook niet te makkelijk.



Het motiveren van leerlingen is een belangrijk onderdeel van het onderwijsvak. We geven 15 manieren om de leerlingen te motiveren:


1. Geef leerlingen complimenten. 
Doe dit telkens als ze iets goed doen, iets groots of iets kleins.

2. Wees creatief. 
Denk niet dat iets niet kan maar pas je wensen aan bij de mogelijkheden. Voor elk vak is er een open les te verzinnen, een onverwachte activiteit, een excursie. Laat leerlingen je hier bij helpen.

3. Wees ´besmettelijk´ enthousiast.
Laat zien dat je enthousiast bent over een onderwerp. Enthousiast maakt enthousiast. Een docent die uitstraalt dat hij een prachtig vak heeft, die in alles laat zien dat hij vanaf het eerste tot het laatste uur zin heeft om leerlingen te inspireren, komt tot succesvolle ontmoetingen. Enthousiasme is niet alleen een vriendelijke houding, maar ook een zichtbare motivatie. Laat merken dat je je inspant om een les aantrekkelijk te maken. Gebruik geschikte, concrete voorbeelden bij je uitleg.

4. Geef positieve feedback.
We zijn als mens erg geneigd de ander van feedback te voorzien als dingen niet goed gaan. Andersom werkt vaak beter. Geef daarom ook feedback als je motivatie ziet. Laat een groep merken dat je dat waardeert. Realiseer je bovendien dat feedback op inzet zeker zo belangrijk is als feedback op resultaat.

5. Maak verbinding met de interessewereld.
In een motiverende les komen regelmatig elementen voorbij die verbonden zijn met de interessewereld van de leerlingen. Vraag wat leerlingen bezighoudt en bekijk tijdens je lesvoorbereiding hoe je daar gebruik van kunt maken.

6. Geef leerlingen invloed / controle.
Een leerling die het gevoel heeft dat hij invloed heeft op het proces, is doorgaans eerder te motiveren. Vanuit invloed neemt een leerling een besluit vanuit zichzelf en de neiging om aan dat besluit gehoor te geven is groot. Uiteraard is voor dit punt een succesvol proces bij punt 1 noodzakelijk. Vraag ze welke onderwerpen ze het meest interessant vinden, waar ze meer van willen weten, welke methodes hen het best bevallen. Bespreek de resultaten en hoe deze in te voeren in de les. Voer ze ook in.

7. Verwacht kwaliteit. 
Zet een hoge, maar haalbare standaard. Vertel leerlingen wat je van ze verwacht, op de korte en op de langere termijn. Vier het als de doelen zijn bereikt.

8. Maak gebruik van de wereld om je heen.
Een les die zich alleen richt op de inhoud van het schoolboek, is niet eenvoudig tot een motiverende les te vertalen. Wat verbindt zijn (persoonlijke) verhalen, voorbeelden, korte filmpjes, krantenberichten, maar ook informatie afkomstig van social media. Een motiverende les is opgebouwd uit diverse van ‘afdelingen’ (verhaal, theorie, opdracht, filmpje, uitwisseling, subgroep, et cetera).
Betrek het leven van leerlingen in je lessen. Leerlingen zijn meer betrokken als zij het verband zien tussen lessen en het echte leven. Zoek geschikte voorbeelden uit het nieuws, muziek, families, hun hobby’s.

9. Wees grenzeloos nieuwsgierig.
Onze grootste vijand in het geval van dreigende demotivatie, is dat we de leerling uit gaan leggen waarom motivatie verstandiger is. Deze aanpak is of kansloos of werkt met een beperkte houdbaarheid. Veel succesvoller is je zoektocht naar het verhaal achter demotivatie. Een motiverende leerkracht leert niet alleen aan leerlingen, maar leert vooral ook van leerlingen. Met als prachtig bijkomend resultaat dat je wijsheid toeneemt als je nieuwsgierig kunt en durft te zijn.

10. Creëer open lessen. 
Wijs een aantal lessen aan die door de leerlingen gevuld mogen worden met betrekking tot vorm en inhoud. Dit kan zijn een spel, video, presentaties. Hierdoor worden leerlingen geactiveerd en, medeverantwoordelijk. Dit zou als beloning voor goede en actieve leerlingen gebruikt kunnen worden.

11. Beloon positief gedrag buiten de klas. 
Activeer leerlingen om bij te dragen aan de school en de gemeenschap door dit te benoemen en te belonen. Hulp bij Open Dagen, steunles aan jongere leerlingen, activiteiten in (sport)verenigingen, organisatie van of bijdrage aan goede-doelen activiteiten, vrijwilligerswerk. Laat ze hier ook over vertellen.

12. Stel jezelf de vraag: wat zou ik van deze les gevonden hebben?
We zijn in de drukte van een schoolweek erg snel geneigd om te geloven dat wat we doen helemaal te gek is. Dat is een begrijpelijke vergissing. Je kunt jezelf trainen dit te voorkomen, door regelmatig jezelf te af te vragen wat je van de les zou vinden als je leerling was. Reageer je hier gematigd op, stel dan een volgende vraag: wat zou je als leerling nodig hebben om enthousiaster te worden?

13. Varieer.
Gebruik (zoveel mogelijk) verschillende methoden en stijlen om zoveel mogelijk leerlingen te bereiken. Lezen, luisteren, kijken, doen. Boek, video, activiteit.

14. Zorg voor een veilige groep
Een gemotiveerde werkhouding ontstaat bij een goed contact. Om leerlingen en groepen te motiveren, moet er sprake zijn van een ontmoeting, waarbij leerlingen ontdekken dat ze zichzelf mogen zijn. Hoe veiliger de groep, hoe beter de leerhouding. In het handboek Positieve groepsvorming (Bakker & Mijland, 2009) lees je hoe je een positieve bijdrage kunt leveren aan het vormen van een positieve groep.

15. Hou verbeteringen bij. 
Herinner leerlingen er aan dat zij zich constant aan het verbeteren zijn, ook al lijken de stapjes soms klein. Laat ze dit zien door gegevens door het jaar heen te vergelijken. Geef ze vertrouwen. Gebruik hiervoor eventueel ook zelf-evaluatie formulieren.


Professor John Hattie, gerenommeerd onderwijswetenschapper uit Nieuw-Zeeland, geeft daarvoor veel waardevolle aanwijzingen, gebaseerd op een omvangrijke database met onderzoeksgegevens van over de hele wereld. De uitkomsten van zijn meta-analyses laten u op een andere manier kijken naar uw onderwijs, professionele ontwikkeling en opbrengsten.

Zijn belangrijkste adviezen voor leraren zijn:

  • Kijk naar je lesgeven door ogen van de leerling.
  • Help leerlingen hun eigen leraar te worden.



Over het motiveren van pubers - psychologe Martine Delfos

Als je je kind wilt laten lopen, moet het vuur aan’

Scholen en ouderverenigingen krijgen regelmatig wanhopige ouders aan de lijn waarvan het kind met geen mogelijkheid vooruit is te branden. Taken in het gezin en het huiswerk worden verwaarloosd, ondanks alle ernstige gesprekken, ruzies en begeleiding thuis en op school. Het regent dan ook onvoldoendes. Zelfs het perspectief van zittenblijven, of – nog erger – verwijdering van school verhoogt de inzet niet.



‘Ziet mijn kind dan niet dat het mis gaat? Denkt hij dan niet aan zijn toekomst?’ Volgens psychologe Marine Delfos dringen ouders met deze vragen niet door tot de kern. ‘Ouders hebben vaak de neiging om hun puber te willen overtuigen met argumenten. Ze zeggen bijvoorbeeld: “Als je je huiswerk niet doet, haal je nooit je diploma en krijg je later geen werk”. Dat weet je kind zelf ook wel en is alleen maar slaapverwekkend voor hem. Bovendien, wie argumenteert, zegt niet wat hij of zij werkelijk vindt en voelt. Daarnaast kunnen argumenten altijd worden weersproken. Ze lokken uit tot competitie. Pubers voelen die speelruimte. De verleiding is voor hen dan erg groot om daar gebruik van te maken’. 

Gaan staan 
‘Jongeren hebben vaak niet in de gaten hoe kwetsbaar ouders in hun liefde voor hun kind kunnen zijn. Ze zien hun ouders als de sterke partij waartegen zij mogen opboksen. Soms maken ze er zelfs een sport van. Met argumenteren verlies je altijd, omdat je kind wil winnen en zich niet wil laten kennen. Ouders moeten daarom gaan staan voor wat ze werkelijk vinden, denken en voelen. Zeg dat je puber iets écht moet doen, ook al heeft hij geen zin. Daar gaat gezag van uit. Veel ouders vinden dat heel eng. Ze willen vermijden dat hun kind hen niet meer aardig vindt, of ze vrezen een heftige, ongehoorzame of brutale reactie. In wezen zijn ze bang om de liefde van hun kind te verliezen. Die angst is begrijpelijk, maar ongegrond. Ook al word je kind boos, hij of zij beseft maar al te goed dat ouders onvervangbaar zijn. Blijven staan is dus het devies. Niet soebatten! Dat betekent overigens niet dat je geen moeite hoeft te doen om je mening uit te leggen. Uitleggen is namelijk iets anders dan argumenteren. Je maakt je standpunt dan (via Ik-boodschappen) duidelijk zonder de discussie aan te gaan. Daarna hoef jezelf niet meer eindeloos te herhalen als je kind je mening al kent’. hersens aan ‘Een ander nadeel van “preken” door ouders is dat de hersenen van pubers hiermee als het ware in de uitstand worden gezet. Ze luisteren niet bewust naar je en wachten rustig af tot de storm is gaan liggen. Beter is het daarom om die hersenen in de “aanstand” te zetten. Dat kun je doen door ze vragen voor te leggen in de trant van: “Ik begrijp niets van je gedrag, je haalt de ene na de andere onvoldoende terwijl je veel beter kunt. Dat weet je zelf ook wel. Wil je dan niet overgaan en bij je vrienden in de klas blijven?”. Of: “Ik denk dat je later er spijt van zult krijgen als je je diploma niet haalt. Stel je nu eens voor dat ik daar gelijk in krijg …?”. Ook je kind eens zijn neus durven laten stoten door hem of haar verantwoordelijkheden te geven, kan soms wonderen doen. Het is dan wel belangrijk dat je daarbij een beredeneerd risico neemt, zodat er geen ernstige, blijvende gevolgen kunnen optreden. Verder is van belang dat je kind weet dat je hem of haar niet in de steek laat, maar juist vertrouwen geeft. Dit kun je doen door bijvoorbeeld te zeggen: “Ik heb het gevoel dat je vindt dat ik zeur. Ik doe dat om je te beschermen, maar je vindt dat kennelijk niet nodig. Zullen we een testje doen of je het echt zelf kunt? Oké, dan houd ik nu op met zeuren”. Je kind weet dan van tevoren dat de bal bij hem ligt. Door deze benadering is de kans groter dat je kind zich inderdaad gaat afvragen: “Waarom doe ik eigenlijk zo gek?” Verwacht echter niet dat hij of zij dat zal toegeven. Het voorhouden van een spiegel wekt bij pubers veelal diepe schaamtegevoelens op’. risico’s ‘Die schaamte speelt vooral bij jongens als er sprake is van competitie. Er is in hun beleving niets erger dan falen in iets waar je werkelijk je best voor hebt gedaan. Huiswerk leren is al niet “cool”, maar een onvoldoende halen voor huiswerk dat is geleerd, is wel het toppunt van sukkeligheid. Door je huiswerk niet te doen, voorkom je dus een afgang. Het slechte cijfer is dan immers verklaarbaar en geen gevolg van persoonlijke zwakheden. De werking van dit mechanisme kan moeilijk worden overschat. Dat geldt overigens ook voor de verslavende werking van de computer. De spanning en de uitdaging van de virtuele wereld van de games kunnen pubers helemaal opzuigen. Ouders moeten daar beslist grenzen aan stellen en als dat niet lukt professionele hulp gaan zoeken’. vuur aanwakkeren ‘Meestal correspondeert het gebrek aan inzet, met de dwarse jaren in de puberteit. Dat is globaal van 14 tot en met 16 jaar. Je kind groeit er meestal overheen. Pubers maken in die leeftijd een enorme ontwikkeling door en er gaat verschrikkelijk veel door hun hoofd, ook al denk je dat ze niets doen. Zelf deed ik vroeger ook nooit mijn huiswerk en ben ik meerdere malen blijven zitten. Daar heb ik nu nog wel eens spijt van, maar ik heb toen wel allerlei andere nuttige dingen gedaan die ik niet had willen missen, zoals het lezen van heel veel boeken. Dat roept de vraag op of je puber echt tot niets komt, of dat dat alleen maar zo lijkt. Het wordt namelijk pas echt vervelend als je kind steeds aan zijn huiswerk moet denken, dat vervolgens toch niet doet, maar zijn tijd ook niet op een andere, zinvolle manier besteedt. Vooral het hebben van contact met vrienden is van groot belang voor pubers. Door die contacten slepen ze elkaar vaak door de moeilijke fase heen. Verder kan het helpen om je te herinneren wat je kind fascineerde als keuter of jong kind. Als ouder weet je waar je kind warm voor loopt. Dat is kennelijk wat je kind moet gaan doen. Niet hoe jij wilt dat je kind moet zijn, moet zijn of haar ontwikkeling bepalen, maar wie je kind ís. Daarmee wakker je het heilige vuur in hem of haar aan’. 

[ bron : http://www.mdelfos.nl/2008-NKO-puber.pdf ]

donderdag 3 september 2015

Dimensions of Motivation

You may find it more helpful to view classroom motivation through the “four dimensions” framework, which researchers have used to articulate four major elements of motivation that can be found within the classroom (Murray, 2011; Pintrich, 2003; Ryan and Deci, 2000). 

The four dimensions are competence, autonomy/control, interest/value and relatedness. Usher and Kober (2012) at the Center on Education Policy have done a wonderful job of summarizing the four dimensions in an easy-to-read table:


Four Dimensions of Motivation

Dimensions
Questions
Indicators
Competence
Am I capable?
The student believes he or she has the ability to complete the task.

Control/Autonomy
Can I control it?
The student feels in control by seeing a direct link between his or her actions and an outcome. The student retains autonomy by having some choice about whether or how to undertake the task.

Interest/Value
Does it interest me?
Is it worth the effort?
The student has some interest in the task or sees the value of completing it.

Relatedness
What do others think?
Completing the task brings the student social rewards, such as a sense of belonging to a classroom or other desired social group or approval from a person of social importance to the student.



What can you do to increase motivation?
Just being aware of the dimensions of motivation is not enough. As an educator, you may have students who display weak motivation and you will need to use a variety of strategies within your classroom to engage and motivate them. Although all four dimensions of motivation are intertwined, depending on the student and the given activity or situation, one dimension of motivation may be more prominent than the others. Keeping this in mind, you will want to develop lessons and activities that activate all four dimensions of motivation to reach all the students in your classroom. In the remainder of this article we present definitions of the four dimensions and examples of strategies you can adopt to increase student motivation.


Competence

If students feel that they have the skills to complete a specific task, they are more likely to engage in the task. For example, a high school student might be more likely to complete a complex multiplication problem than a third grade student because the former is more confident in her math skills. However, if a student lacks competence motivation, there are a variety of strategies you can use to support this dimension. One strategy is scaffolding instruction, where you provide supports to increase skills in which the student is weak and then over time remove the supports (Blackburn, 2005). Scaffolding allows for students to build confidence through personal success. Examples of scaffolding supports include graphic organizers, direct instruction, visual supports, cooperative group work and task analysis. Be mindful of using teacher language that conveys faith in students’ abilities and intentions. For more information on teacher language see our previous article, “Building positive relationships with students.”


Control/autonomy

When students feel they have control over a situation and their level of interaction with a particular task, they are also more likely to be motivated. Giving a child the choice between doing the dishes and taking out the trash is more likely to get him motivated to make a choice than telling him that he has to do his chores. Within the classroom, provide students with options for assignments. Consider the Monty Hall approach, “Door number one, two, or three.” The content is the same (three doors), but the items vary in design and format. Also, offer multiple ways to demonstrate knowledge. Differentiation and allowing for personal expression is the key. Examples include book reports, poster presentations, use of technology, choice boards, and dramatic interpretations.


Interest/value

Students are also more motivated when they find the topic relevant and meaningful to their lives. This doesn’t mean that all of your lessons have to tie into pop culture, but it does mean that you have to be able to demonstrate to students how they will use the information in their lives. To activate this dimension of motivation, create activities that embrace student interest, individuality, and various learning styles. Examples include the use of manipulatives, movement, and real world relevance and application.


Relatedness

Finally, peer pressure or social norms can have a great influence on student motivation. Social experiments have shown that if a group of people all begins to engage in a particular behaviour, such as facing a different direction in an elevator, most of us are likely to follow suit (Zimbardo, 2012). This phenomenon can work to your advantage in the classroom. If you establish a classroom culture of high expectations and active engagement, it is likely that the majority of the class will accept those norms. To enhance this dimension of motivation in your classroom, consider creating lessons that are interactive and allow for movement. Examples include creating community through holding morning meetings, assigning cooperative group work, establishing roles and responsibilities, using open-ended questions. and facilitating group discussions/debates. Some students may be seeking social reinforcement in the form of verbal or nonverbal feedback. Positive feedback can come in multiple forms such as verbal praise, a smile, a high five, a sticker or lunch with a teacher or peer.


Each of your students might be more motivated by one particular dimension than the others. Through careful observation you can begin to determine which dimensions are the most powerful motivators for your students. As an educator, you can have a dramatic impact on student motivation within your classroom. You control the activities and structure of your classroom and can support students in the areas of motivation in which they are weak. The next time you find yourself lamenting over a student’s “lack of motivation,” remember the four different dimensions of motivation and purposefully choose a strategy to implement within your classroom.

[ bron: http://www.ttacnews.vcu.edu/2013/02/increasingstudentmotivation/ ]

maandag 29 juni 2015

Motivatie vragenlijst

Energie en dynamiek

Uitleg lage score
Dimensie
Uitleg hoge score
Neemt tijd voor het werk, werkt het beste zonder druk. Gedemotiveerd indien opgejaagd.
Werkdruk
Heeft het onder tijdsdruk naar de zin. Altijd druk bezig. Oefent druk uit om dingen gedaan te krijgen.
Zoekt eerder bescheiden dan grote uitdagingen. Mikt niet op belangrijke vraagstukken.
Uitdaging
Heeft de behoefte doelen te bereiken. Gaat graag moeilijke uitdagingen aan.
Vindt een competitieve omgeving onaangenaam, zelfs demotiverend. Wil anderen niet voorbijstreven.
Competitie
Probeert het beter te doen dan anderen. Vergelijking met anderen brengt vaart in het functioneren
Haakt af in plaats van de inspanning te verhogen indien met falen of kritiek geconfronteerd.
Faalangst
Moet succes hebben om zelfvertrouwen te houden. Mogelijk vooruitzicht te falen verhoogt de activiteit
Is niet op zoek naar posities van invloed, macht of leiding
Invloed
Heeft graag de mogelijkheid invloed uit te oefenen en leiding te geven. Gedemotiveerd wanneer geen verantwoordelijkheid gegeven wordt.
Gedemotiveerd wanneer het werk inbreuk maakt op het privé leven.
Balans
Investeert energie in het werk. Bereid om extra uren te maken, ook in privé-tijd.
Gedemotiveerd door overaccentuering van winst en geld.
Commercie
Houdt van winst. Gedemotiveerd als er geen verband is tussen prestaties en omzet en winst.


Samenwerking

Uitleg lage score
Dimensie
Uitleg hoge score
Beperkte behoefte aan interactie met anderen.
Verbondenheid
Heeft graag contacten met anderen. Is gesteld op een harmonieus team en helpt graag anderen.
Heeft minder behoefte aan waardering dan anderen. Geeft niet zoveel om de erkenning van prestaties.
Erkenning
Houdt ervan wanneer goed werk wordt opgemerkt en prestaties erkend. Raakt gedemotiveerd zonder steun.
Weinig bekommerd om morele en ethische kwesties of om de kwaliteit van het werk.
Persoonlijke ethiek
Wil het gevoel hebben dat het werk van de organisatie verantwoord is. Gedemotiveerd wanneer gevraagd wordt om compromis.
Niet erg verontrust door risico. Heeft geen bezwaar tegen ongemakkelijke omstandigheden.
Comfort en zekerheid
Heeft behoefte aan zekerheid met betrekking tot werk en positie. Tolereert niet gemakkelijk onplezierige omstandigheden.
Niet aangespoord door mogelijkheden om te leren en zich zelf te ontwikkelen
Persoonlijke groei
Gemotiveerd door werk dat mogelijkheden biedt voor ontwikkeling en het opdoen van nieuwe vaardigheden.


Intrinsiek

Uitleg lage score
Dimensie
Uitleg hoge score
Of het werk interessant of gevarieerd is maakt niet zoveel uit. Houdt van routinewerk.
Interessant werk
Waardeert stimulerend, gevarieerd werk. Gedemotiveerd door teveel routinewerk.
Gemotiveerd door duidelijke werkmethoden en structuren. Heeft moeite met onduidelijkheid.
Flexibiliteit
Houdt van een soepele omgeving zonder strakke structuur. Hoge tolerantie voor ambiguïteit.
Open voor leiding en begeleiding van bovenaf.
Autonomie
Heeft de behoefte onafhankelijk te werken, organiseert vanuit eigen aanpak. Gedemotiveerd door strakke supervisie.


Extrinsiek

Uitleg lage score
Dimensie
Uitleg hoge score
Minder gericht op financiële beloning verbonden met het werk.
Beloning
Verbindt salaris en bonussen aan succes. Gedemotiveerd wanneer beloning als unfair of gering wordt ervaren.
Minder gedreven vooruitgang te zoeken. Promotie mogelijkheden zijn niet belangrijk.
Promotie
Loopbaanvooruitzichten en promotie motiveren. Trage promotie is demotiverend.
Maakt zich niet druk om rang en positie. Statussymbolen zijn niet belangrijk.
Status
Gericht op positie en status. Gedemotiveerd door gemis van respect van anderen.