Posts tonen met het label autonomie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label autonomie. Alle posts tonen

donderdag 21 mei 2020

Basisbehoeften en voldoening

Een tijdje geleden kwam ik het artikel “What Is Satisfying About Satisfying Events?” tegen van Kennon M. Sheldon (University of Missouri—Columbia), Andrew J. Elliot and Youngmee Kim (University of Rochester) en Tim Kasser (Knox College). Het artikel behandeld de fundamentele behoefte van mensen. Met daarin de vraag welke basisbehoeften mensen de meeste voldoening geven.

What's satisfying about satisfying events? In other words, what experiential contents and characteristics make people happiest, and thus qualify as psychological needs? According to the current research, the answer is

1 - autonomy,
2 - competence,
3 - relatedness, and
4 - self-esteem.

Security may also be a need, which becomes salient in times of privation. Pleasure-stimulation, self-actualizationmeaning, popularity-influence, and physical thriving are less important, and we would tend to deny them "need" status. Least deserving of need status is money-luxury. Although further work is required, we suggest that these findings may have strong relevance for society's goal of providing optimal social and developmental environments for its citizens (Kahneman, Diener & Schwarz, 1999). In other words, it appears that authorities and social planners should try to help their charges obtain regular experiences of autonomy, competence, relatedness, and selfesteem in order to ensure that they thrive.



De onderstaande basisbehoeften geven mensen dus de meeste voldoening:

1 – Zelfsturing / autonomie
2 - Competenties
3 – Verbondenheid / relatie
4 - Zelfrespect

In het onderstaande schema hebben we de basisbehoeften verder uitgewerkt:

Zelfsturing / autonomie
Je moet jezelf kunnen zijn. Ten slotte zijn er zelf gestuurde taken en doelen, de handelingen die je voor jezelf kunt kiezen, de taken die je gewoon graag doet en die je ook zou kunnen doen als je het niet nodig hebt of als je die opgelegd. We doen deze dingen omdat we het willen en omdat we zo graag doe. Meestal zijn ze gebaseerd op intrinsieke motivatie, we zijn zelf gestuurd en autonoom in deze gevallen. Je hebt veel meer kans dat je de doelen in deze categorie bereikt, omdat ze meestal op intrinsieke motivatie gebaseerd zijn en niet afhankelijk zijn van een externe prikkel.

Competenties / beheersen van je omgeving
Je moet in staat zijn om te functioneren in je omgeving. Je moet de vaardigheden en het vermogen hebben om te bereiken wat je wilt , je hebt competentie nodig. Je competenties omvattende al je lichamelijke en cognitieve vaardigheden; je doelen worden bepaald door zowel je vermogen om problemen op te lossen als de vaardigheden die je hebt of krijgt.

Verbondenheid / relatie
Je voelt je verbonden met anderen , je hebt een positieve relatie met anderen. Mensen willen aanvaard worden en hebben daar behoefte aan.
Doelen die te maken hebben met je verbondenheid met anderen zijn
- de doelen je dichter bij andere mensen brengen,
- die je de voldoening geven dat je je geliefd voelt door anderen en
- dat je het gevoel hebt dat andere mensen om je geven.

Zelfrespect / eigenliefde
Zelfrespect gaat over van jezelf houden en tevreden zijn met wie je bent is wat je kunt doen.
Doelen die je zelfrespect en eigenliefde versterken, schenken je het meeste voldoening.



Verdere uitwerking voor leerlingen
De onderzoeker Deci en Ryan hebben in hun Self-determination theory het bovengenoemde concept in combinatie met motivatie bij leerlingen verder uitgewerkt.

In toenemende mate hebben scholen te maken met een afname van de motivatie van leerlingen om te leren naarmate leerlingen ouder worden. Een van de oorzaken voor de dalende motivatie is dat er onvoldoende aansluiting is tussen de onderwijsbehoeften van leerlingen en het leeraanbod op school.

Vanuit onderzoek naar de self-determination theory (SDT) (Deci & Ryan, 2000) blijkt dat de motivatie toeneemt wanneer er een leeromgeving wordt gecreëerd die recht doet aan de drie psychologische basisbehoeften:

Autonomie
Autonomie (vaak opgevat als keuzevrijheid / zelf doen / vraag: waarin werd het kind belemmerd?)

Leren verloopt makkelijker als veel autonomie / psychologische vrijheid wordt aangeboden. (Zelf in handen hebben, geen hulpeloosheid, mezelf mogen zijn, niet faken).

Competentie
Competentie (vaak opgevat als structuur waarbij er heldere doelen en verwachtingen worden gesteld aan leerlingen waardoor zij beter in staat zijn een leeractiviteit uit te voeren / competent voelen / vraag: waar was dit kind goed in?).

Leren verloopt makkelijker als de leerling voelt dat hij/zij vooruitgaat en competenter wordt. (Ik kan iets, ik heb succeservaringen, ik kan zelf het verschil maken).

Relatie
Relatie (vaak opgevat als het uiten van waardering voor de leerling / samen met anderen / vraag: wat had dit kind nodig?).

Leren verloopt makkelijker als de leerling gesteund door anderen = ervaren van warmte en een hechte band (Ik kan rekenen op anderen, ik ben niet alleen, ik krijg erkenning).



maandag 10 februari 2020

Hoe kan een docent bijdragen aan de basisbehoeften van de zelfdeterminatietheorie

Het uitgangspunt van zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan is dat leerlingen drie basisbehoeften hebben en dat de intrinsieke motivatie kan worden verhoogd als de docent bij het vorm geven van de leeromgeving aan die drie basisbehoeften tegemoet kan komen.

De drie basisbehoeften zijn:
Autonomie
De vrijheid om een activiteit naar eigen inzicht uit te voeren.
Gevoel van competentie
Het vertrouwen in eigen kunnen.
Sociale verbondenheid
De behoefte om ergens bij te horen en zich gewaardeerd, gerespecteerd en verbonden te voelen, zowel met klasgenoten als met de docent/mentor.



Hoe kan een docent bijdragen aan deze basisbehoeften?
Anje Ros schreef in 2014 een boek over motivatie (‘Gemotiveerd leren en lesgeven: De kracht van intrinsieke motivatie’). Zij beschrijft per basisbehoefte hoe de leraar hieraan kan bijdragen.



De drie basisbehoeften zijn:

Autonomie
Hiermee wordt bedoeld dat de leerling de vrijheid heeft om een activiteit naar eigen inzicht uit te kunnen voeren en invloed heeft op wat hij/zij doet.

Anje Ros beschrijft dat de leraar op de volgende manieren meer autonomie kan bieden:

1. Identificeren van persoonlijke interesses en waarden van de leerlingen
Wat wil de leerling nou echt? Waar liggen de werkelijke leerbehoeften? Wat zijn zijn/haar echte interesses en wat houdt hem/haar bezig/

2. Voeden en ondersteunen van persoonlijke interesses en waarden
De leraar geeft de leerlingen de kans om op hun eigen manier een probleem op te lossen en te experimenteren. De leraar geeft tijd en ruimte voor eigen inbreng van leerlingen. Stelt open vragen en geeft open opdrachten. Biedt meerdere keuzes aan de leerlingen.

3. Opbouwen nieuwe interesses en persoonlijke waarden
De leraar toont empathie voor de leerlingen als ze geen interesse hebben in verplichte leerstof. Geeft goede en heldere uitleg waarom sommige activiteiten toch gedaan moeten en sommige stof toch geleerd moet worden. Ook verbindt de leraar de stof aan de leefwereld van de leerlingen om nieuwe interesses te stimuleren.

Gevoel van competentie
Het vertrouwen dat de leerling moet hebben in eigen kunnen. De leerling moet ervaren dat hij/zij genoeg capaciteiten heeft om de gewenste resultaten te behalen.

Anje Ros beschrijft dat de leraar op de volgende manieren gevoel voor competentie kan bieden:

1. Leerdoelen aangeven
Het doel van de les aangeven. Daarnaast aangeven wat de leerlingen leren van een activiteit.

2. Heldere beoordelingscriteria communiceren
Dit helpt leerlingen om van te voren in te schatten of ze de stof voldoende beheersen. Ook kunnen ze op tijd om hulp vragen als dat nodig is.

3. Verwachtingen duidelijk maken
uitspreken wat er verwacht wordt van de leerlingen. Daarnaast de regels en normen in de les (bijvoorbeeld actieve houding en op tijd komen) duidelijk communiceren.

4. Procedures en afspraken communiceren
Het communiceren van de randvoorwaarden van een activiteit schept duidelijkheid voor de leerlingen. Hoe lang mag de leerling over een opdracht doen, welke materialen mogen worden
gebruikt, wanneer en aan wie kan de leerling om hulp vragen etc.

5. Consequent opvolgen van richtlijnen
De leraar moet consequent optreden en zich zelf ook houden aan de gestelde afspraken.

6. Hulp bieden
De leraar moet beschikbaar zijn voor hulp vragen en de leerling vooral stimuleren om zichzelf te helpen.

7. Stappenplan opstellen
De leraar moet goed weten wat alle stappen zijn in een opdracht en waar de eventuele hobbels liggen voor de leerlingen. Een opdracht kan bijvoorbeeld worden opgeknipt in fasen of deelopdrachten.

8. Positieve feedback geven
Het is belangrijk om te benadrukken wanneer leerlingen het goed doen. De leraar kan momenten inlassen om aan te geven dat de leerlingen op de goede weg zijn.

9. Optimaal uitdagende taken bieden
De opdrachten die de leraar aanbiedt moeten een optimale uitdaging zijn voor de leerlingen en dus aansluiten bij hun niveau en voorkennis, maar ook niet te makkelijk zijn.

10. Betekenis geven aan de leerstof
Leerlingen willen graag weten dat wat ze doen de moeite waard is en waarom het nuttig is om te leren. Leerlingen zijn meer gemotiveerd als ze begrijpen dat de stof zinvol is voor hun persoonlijk functioneren en in hun persoonlijke leefwereld. In het mbo is het voor leerlingen heel belangrijk dat de stof aansluit bij de beroepspraktijk, dan kan meteen de link gelegd worden met het toekomstperspectief dat ze voor ogen hebben. Aan de leraar om de leerstof op een betekenisvolle manier aan te bieden.

Sociale verbondenheid
De verbondenheid met de omgeving, ofwel vertrouwen hebben in anderen. Elke leerling heeft de behoefte om ergens bij te horen en zich gewaardeerd, zich gerespecteerd en verbonden te voelen. Zowel met klasgenoten als met de leraar. Ook een positief klimaat in de klas wordt tot deze basisbehoefte gerekend; leerlingen moeten zich vrij voelen om vragen te stellen en niet bang zijn om fouten te maken.

Anje Ros beschrijft dat de leraar op de volgende manieren een betere goede leraar-leerling relatie kan bieden:

1. Begrip door niet te (ver)oordelen en proberen te begrijpen wat er aan de hand is, zodat de relatie overeind blijft
De leraar neemt verantwoordelijk voor het welbevinden van de leerlingen. De leerlingen mogen zijn wie ze zijn en er heerst een cultuur van vertrouwen in de klas. De leraar gaat hierbij uit van de goedheid van de leerlingen.

2. Begrip voor ontwikkeling
De leraar heeft kennis van de ontwikkeling van zijn leerlingen en weet dat elke leerling uniek is. Hierbij geeft de leraar ruimte voor autonomie van de leerling en zorgt ervoor dat ze zelf verder kunnen.

3. Educatief begrip
De leraar kent de motivatie van de leerling en weet hoe ze tegenover het vak staan. De leraar weet wat elke leerling aan kan en hoe hij/zij hierop aan kan sluiten. Ook is de leraar enthousiast over zijn eigen vak; in de praktijk is gebleken dat leerlingen hierdoor ook gemotiveerd raken.

4. Opvoedkundig begrip
De leraar begrijpt dat hij/zij te maken heeft met adolescenten en heeft begrip voor alle kenmerken die bij deze levensfase horen.


dinsdag 18 juni 2019

Meer talentontwikkeling en autonomie

In de laatste jaren staat talentontwikkeling op de agenda van een toenemend aantal VO scholen. Bijvoorbeeld begaafdheidsprofielscholen, scholen met specifieke mogelijkheden voor topsport, musici en dansers, scholen met tweetalig onderwijs, technasia, en scholen met vwo-plusklassen cq. Da Vinci klassen. Op deze scholen kunnen getalenteerde leerlingen extra uitdagingen aangaan.

Talentontwikkeling komt vanuit het streven leerlingen te laten uitstromen naar een plek in het vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt waar zij in staat zijn om maximale prestaties te leveren. Scholen moeten daarvoor een ambitieuze leercultuur realiseren.



Om de motivatie van leerlingen voor school verder te bevorderen krijgen leerlingen op de school een programma aangeboden gericht op talentontwikkeling. Het motiveren van leerlingen begint bij het construeren van een goed pedagogisch-didactisch klimaat in de klas.

Het motiveren van leerlingen begint bij het opbouwen van een goede relatie met docent en mentor. Leerlingen moeten zich veilig voelen, weten dat ze niet bang hoeven te zijn om vragen te stellen en dat het niet erg is om fouten te maken. De motivatie wordt versterkt door leerlingen hun eigen leerproces in handen te geven, door differentiatie, door opdrachten te laten aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen en door leerlingen te laten samenwerken. Kijk niet alleen naar het resultaat, maar juist naar het proces.


Het uitgangspunt van zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan is dat leerlingen drie basisbehoeften hebben en dat de intrinsieke motivatie kan worden verhoogd als de docent bij het vorm geven van de leeromgeving aan die drie basisbehoeften tegemoet kan komen.

De drie basisbehoeften zijn:
Autonomie
De vrijheid om een activiteit naar eigen inzicht uit te voeren.

Gevoel van competentie
Het vertrouwen in eigen kunnen.

Sociale verbondenheid
De behoefte om ergens bij te horen en zich gewaardeerd, gerespecteerd en verbonden te voelen, zowel met klasgenoten als met de docent/mentor.


Overigens benadrukken we dat die autonomie alleen werkt als een leerling die ook aankan. Het is belangrijk goed in de gaten te houden hoeveel vrijheid een leerling aankan en zo nodig aanvullende sturing te bieden.

woensdag 20 maart 2019

Autonomie versus heteronomie

Internationale wetenschappers hebben het onderwerp van morele oordelen bestudeerd (gebaseerd op de werken van de Duitse filosoof Immanuel Kant). Zij onderzoeken hiervoor de begrippen autonomie en heteronomie. Deze twee begrippen verwijzen naar hoe een persoon morele normen leert en toepast.

Heteronomie
Autonomie

Heteronomie staat in tegenstelling tot autonomie. Het tegenovergestelde van morele zelfstandigheid werd door de Duitse filosoof Immanuel Kant heteronomie genoemd: een gebrek aan wilsvrijheid dat individuele ontplooiing in de weg staat

Het idee dat de wetten en gedragsregels voor mensen van buiten af komen en dat mensen zich daar naar moeten richten.

Waarden zijn hier onveranderlijke dingen. Waarden en normen worden ervaren als vanzelfsprekend en vaststaand.

Mensen horen op vastgestelde manieren samen te leven, relaties te onderhouden, hun dag in te delen, en dergelijke.

Mensen hebben zélf geen zeggenschap over die waarden en de invulling ervan; zij horen hun leven gehoorzaam naar die waarden in te richten.


Autonomie staat in tegenstelling tot heteronomie.

Autonomie is de morele zelfstandigheid en onafhankelijkheid van het individu.

Mensen stellen zichzelf de wet en richten zich naar de waarden die ze zelf als het meest fundamenteel zien.

Waarden zijn geen feitelijke gegevenheden die mensen maar te accepteren hebben.

Waarden zijn geen onveranderlijke en vaststaande dingen.

Waarden zijn door mensen gemaakte concepties en dat wat (on)wenselijk is niet voor eens en voor altijd vastgelegd.

Vanuit de zelfbeschikkingstheorie van Deci & Ryan is er veel onderzoek gedaan naar autonomie(gevoel) als universele basisbehoefte van de mens.

Daaruit kwam naar voren dat menselijke motivatie samenhangen met de mate waarin iemand het gevoel heeft autonoom te zijn. Een gebrek aan een mate van zelfbeschikking belemmert de intrinsieke motivatie van een persoon, bijvoorbeeld op school.


donderdag 28 februari 2019

Competentie, relatie en autonomie

In de Self-Determination Theory (SDT) leggen Deci & Ryan uit dat er drie belangrijke pijlers zijn om tot intrinsieke motivatie te komen. Deze drie pijlers zijn competentie, relatie en autonomie. Immers ieder mens is gebouwd om zichzelf te ontwikkelen en heeft een natuurlijke behoefte aan relatie, autonomie en competentie.

Competentie 
Competentie gaat over het gevoel effectief te zijn in de voortdurende interactie in
de sociale omgeving en het ervaren van de mogelijkheid om de eigen capaciteiten te benutten. Het gaat hier dus niet om aangeleerd gedrag maar een gevoel
van vertrouwen in eigen capaciteit en acties.

Relatie 
Relatie betreft het gevoel verbonden te zijn met anderen, van zorgen en verzorgd
worden, van ergens toe behoren. Het gaat ook over een gevoel van veiligheid en
het hebben van een thuisbasis.

Autonomie 
Autonomie is de perceptie om het gedrag zelf te mogen bepalen, vanuit eigen
interesses en waarden. Het gaat om het gevoel de handen aan het stuur te hebben, ook al oefenen anderen daar invloed op uit. Autonomie moet dus niet verward worden met onafhankelijkheid.


Competentie

Competentie gaat over het gevoel effectief te zijn in de voortdurende interactie in de sociale omgeving en het ervaren van de mogelijkheid om de eigen capaciteiten te benutten. Het gaat hier dus niet om aangeleerd gedrag maar een gevoel van vertrouwen in eigen capaciteit en acties.









Leerlingen willen laten zien wat zij kunnen en zichzelf als effectief ervaren. Dat vraagt uitdaging. Dat kan alleen als het onderwijs is afgestemd op de mogelijkheden en (basis) behoeften van de leerling. Niet opletten, niet meedoen, onderpresteren, niet durven, het zijn vaak tekenen van afstemmingsproblemen. Een leerkracht die de ontwikkeling van haar leerlingen serieus neemt, biedt de leerling ruimte om passende leerdoelen voor zichzelf te formuleren en voor hem haalbare resultaten te boeken. Een combinatie van hoge (en reële) verwachtingen en beschikbaarheid voor hulp en ondersteuning, zijn een goede basis voor het ontwikkelen van een gevoel van competentie.

Relatie

Relatie betreft het gevoel verbonden te zijn met anderen, van zorgen en verzorgd worden, van ergens toe behoren. Het gaat ook over een gevoel van veiligheid en het hebben van een thuisbasis.

Leerlingen hebben behoefte aan relatie, zowel met hun leerkrachten als met andere kinderen. Ze willen het gevoel hebben erbij te horen, deel uit te maken van een gemeenschap. Hoewel in een gemeenschap conflicten zijn en men rekening moet houden met elkaar, voelt men zich er in principe veilig. Kinderen en volwassenen voelen zich gezamenlijk verantwoordelijk voor een goede sfeer en als het lastig is, kan de leerling rekenen op de steun van zijn leraar. In scholen hebben volwassenen veel invloed op de kwaliteit van de relaties. Niet door op de voorgrond te treden, maar juist door vanaf de zijlijn beschikbaar te zijn. Luisteren, vertrouwen bieden, optreden als het echt nodig is, uitnodigende omstandigheden creëren, het goede voorbeeld zijn, uitdagen en ondersteunen zijn belangrijke pedagogische voorwaarden voor het ontstaan van goede relaties.

Autonomie

Autonomie is de perceptie om het gedrag zelf te mogen bepalen, vanuit eigen interesses en waarden. Het gaat om het gevoel de handen aan het stuur te hebben, ook al oefenen anderen daar invloed op uit. Autonomie moet dus niet verward worden met nafhankelijkheid.

Autonomie verwijst naar het gevoel onafhankelijk te zijn. Leerlingen willen het gevoel hebben de dingen zélf te kunnen doen. Zélf kunnen beslissen, zelf keuzes maken. Dat kan alleen in een omgeving waarin de eigenheid van de leerling gerespecteerd wordt. Een leerling is er voor zichzelf, niet voor zijn ouders of voor de school. Kinderen hebben al jong behoefte zich te onderscheiden, hun eigen keuzes te maken.

Het pedagogische antwoord hierop is het bieden van veiligheid, ruimte, begeleiding en ondersteuning soms en het waarborgen van de verbondenheid met de ander. Individuele vrijheid is belangrijk en wordt gestimuleerd, maar altijd in  relatie met de ander en met behoud van diens vrijheid en jouw verantwoordelijkheid daarvoor. Autonomie verwijst altijd naar relatie.




woensdag 27 juni 2018

Luc Stevens over relatie, autonomie en competentie


Als in voldoende mate is voldaan aan de behoefte aan relatie (anderen waarderen mij en willen met mij omgaan’), aan de behoefte aan autonomie (‘ik kan het zelf, hoewel niet altijd alleen’) en aan de behoefte aan competentie (‘ik geloof en heb plezier in mijn eigen kunnen’) is er welbevinden, motivatie, inzet en zin in leren (Luc Stevens, 2012).



Relatie
Als in voldoende mate is voldaan aan de behoefte aan relatie (anderen waarderen mij en willen met mij omgaan’)
De behoefte van een persoon, een leerling bij de groep te horen en vervolgens het gevoel dat je erbij hoort, dat dit jouw klas is, en dat een ander, zoals bijvoorbeeld de leraar op jou betrokken is, dat je mag zijn wie je bent. 


Relatie (vaak opgevat als het uiten van waardering voor de leerling / samen met anderen / vraag: wat had dit kind nodig?). Leren verloopt makkelijker als de leerling gesteund door anderen = ervaren van warmte en een hechte band (Ik kan rekenen op anderen, ik ben niet alleen, ik krijg erkenning). 

Betrokkenheid op leerlingen te tonen, bijvoorbeeld door:

•Te laten merken het leuk te vinden aan alle leerlingen van de klas les te mogen geven,
•Op de hoogte te zijn van bijzondere gebeurtenissen van leerlingen,
•Te weten wat voor een leerling belangrijk is,
•Interesses van leerlingen kennen,
•Aandacht te hebben voor alle leerlingen in de klas,
•Namen van leerlingen kennen,
•Leerlingen te vertrouwen op hun inzet.
Autonomie
Als in voldoende mate is voldaan aan de behoefte aan autonomie (‘ik kan het zelf, hoewel niet altijd alleen’)
De behoefte van leerlingen om controle te hebben over en invloed te kunnen uitoefenen op hun omgeving. De behoefte om autonoom te kunnen handelen. Zich autonoom voelen heeft te maken met het gevoel hebben dat je mag kiezen, dat je iets zelf kunt bepalen, zelf zaken kunt/mag reguleren; 


Autonomie (vaak opgevat als keuzevrijheid / zelf doen / vraag: waarin werd het kind belemmerd?) Leren verloopt makkelijker als veel autonomie / psychologische vrijheid wordt aangeboden. (Zelf in handen hebben, geen hulpeloosheid, mezelf mogen zijn, niet faken). 

Stimuleren en ondersteunen van autonoom gedrag: de mate waarin een leerling het gevoel heeft zelf keuzes te mogen maken en hierin te worden ondersteund, bijvoorbeeld door:

•Leerlingen ruimte te geven opdrachten op hun eigen manier te maken,
•Waar mogelijk aan te sluiten bij eigen interesses van leerlingen,
•Een actieve leerhouding te stimuleren,
•Leerlingen altijd (de mogelijkheid tot) ondersteuning te geven bij
het uitvoeren van (zelf gekozen) opdrachten,
•Leerlingen aan te moedigen in groepen naar eigen keuze te werken,
•Leerlingen uit te nodigen kritisch en creatief na te denken over opdrachten.

Competentie
Als in voldoende mate is voldaan aan de behoefte aan competentie (‘ik geloof en heb plezier in mijn eigen kunnen’) ……………
………………………….
is er welbevinden, motivatie, inzet en zin in leren.”
De behoefte van personen, van leerlingen om grip te hebben op hun omgeving, om die omgeving te begrijpen. Zich competent voelen is dan vooral het gevoel hebben dat je iets kunt of beheerst, weet wat er van je wordt verwacht en waar je aan toe bent. Ook gaat het om het gevoel, de waarneming, dat je weet hoe met anderen in je omgeving om te gaan; 


Competentie (vaak opgevat als structuur waarbij er heldere doelen en verwachtingen worden gesteld aan leerlingen waardoor zij beter in staat zijn een leeractiviteit uit te voeren / competent voelen / vraag: waar was dit kind goed in?). Leren verloopt makkelijker als de leerling voelt dat hij/zij vooruitgaat en competenter wordt. (Ik kan iets, ik heb succeservaringen, ik kan zelf het verschil maken). 

Structuur: informatie die een leerling krijgt over wat er van hem/haar wordt verwacht in een les. Bijvoorbeeld door:

•Te vertellen over hoe de les eruit ziet,
•en welke leerstof aan bod komt,
•Aan te geven wat er van leerlingen wordt verwacht,
•en hoe ze dat kunnen bereiken,
•Werkwijzen die worden ingezet toe te lichten,
•Duidelijke instructie/uitleg te geven en oplossingswijzen voor te doen,
•Te checken wat leerlingen zelf al weten,
•Leerlingen te laten reflecteren op wat ze hebben geleerd,
•Zich responsief, vragend op te stellen naar leerlingen, 


Ieder mens  is gebouwd om zichzelf te ontwikkelen en heeft een natuurlijke behoefte aan relatie, autonomie en competentie

Als in voldoende mate is voldaan aan de behoefte aan relatie (‘anderen waarderen mij en willen met mij omgaan’), aan de behoefte aan autonomie (‘ik kan het zelf, hoewel niet altijd alleen’) en aan de behoefte aan competentie (‘ik geloof en heb plezier in mijn eigen kunnen’) is er welbevinden, motivatie, inzet en zin in leren. Wordt hier door opvoeders (ook leraren!) tekort gedaan, dan ontstaan voorspelbaar taakhoudings- en motivatieproblemen op school.

Relatie
Kinderen hebben behoefte aan relatie, zowel met hun leerkrachten als met andere kinderen. Ze willen het gevoel hebben erbij te horen, deel uit te maken van een gemeenschap. Hoewel in een gemeenschap conflicten zijn en men rekening moet houden met elkaar, voelt men zich er in principe veilig. Kinderen en volwassenen voelen zich gezamenlijk verantwoordelijk voor een goede sfeer en als het lastig is, kan de leerling rekenen op de steun van zijn leraar. In scholen hebben volwassenen veel invloed op de kwaliteit van de relaties. Niet door op de voorgrond te treden, maar juist door vanaf de zijlijn beschikbaar te zijn. Luisteren, vertrouwen bieden, optreden als het echt nodig is, uitnodigende omstandigheden creëren, het goede voorbeeld zijn, uitdagen en ondersteunen zijn belangrijke pedagogische voorwaarden voor het ontstaan van goede relaties.

Competentie
Kinderen willen laten zien wat zij kunnen en zichzelf als effectief ervaren. Dat vraagt uitdaging. Dat kan alleen als het onderwijs is afgestemd op de mogelijkheden en (basis) behoeften van de leerling. Niet opletten, niet meedoen, onderpresteren, niet durven, het zijn vaak tekenen van afstemmingsproblemen. Een leerkracht die de ontwikkeling van haar leerlingen serieus neemt, biedt de leerling ruimte om passende leerdoelen voor zichzelf te formuleren en voor hem haalbare resultaten te boeken. Een combinatie van hoge (en reële) verwachtingen en beschikbaarheid voor hulp en ondersteuning, zijn een goede basis voor het ontwikkelen van een gevoel van competentie.

Autonomie
Autonomie verwijst naar het gevoel onafhankelijk te zijn. Kinderen willen het gevoel hebben de dingen zélf te kunnen doen. Zélf kunnen beslissen, zelf keuzes maken. Dat kan alleen in een omgeving waarin de eigenheid van het kind gerespecteerd wordt. Een kind is er voor zichzelf, niet voor zijn ouders of voor de school. Kinderen hebben al jong behoefte zich te onderscheiden, hun eigen keuzes te maken. Het pedagogische antwoord hierop is het bieden van veiligheid, ruimte, begeleiding en ondersteuning soms en het waarborgen van de verbondenheid met de ander. Individuele vrijheid is belangrijk en wordt gestimuleerd, maar altijd in  relatie met de ander en met behoud van diens vrijheid en jouw verantwoordelijkheid daarvoor. Autonomie verwijst altijd naar relatie.


dinsdag 24 januari 2017

Motivatie, zelfvertrouwen,autonomie en verbondenheid

Intrinsieke en Extrinsieke motivatie
We maken onderscheid tussen twee soorten motivatie: die van binnenuit komt (intrinsieke motivatie) en motivatie van buitenaf (extrinsieke motivatie). Vooral de motivatie van binnenuit is belangrijk. Die motivatie komt uit drie bronnen:

- Zelfvertrouwen
- Autonomie
- Verbondenheid

Zelfvertrouwen is het geloof in eigen kunnen. Als een kind het gevoel heeft dat hij ergens goed in is gaat de motivatie omhoog, als een kind het gevoel heeft dat hij ergens slecht in is daalt de motivatie.

Autonomie betekent dat een kind het gevoel heeft dat hij zelf de keuzes mag maken in zijn sport. Als je als ouder teveel stuurt dan neemt de autonomie en daarmee ook de motivatie, snel af.

Verbondenheid betekent dat een kind zich verbonden voelt met haar leeftijdsgenoten, de trainer en met jou als ouder in de context van het sporten. Als je belangstelling hebt en betrokken bent dan draagt dat bij aan de motivatie.

Meer informatie via http://slideplayer.nl/slide/9493776/

donderdag 25 december 2014

Motivatie

Marzano (2007) onderscheidt motivatie als één van de dimensies die in de moderne didactiek van het voortgezet onderwijs van belang zijn. Volgens Marzano kan een docent gebruikmaken van een aantal strategieën om de motivatie van leerlingen te beïnvloeden. 

Motivatie ontstaat in een omgeving waar ruimte is voor gevoelens van de basisbehoeftes: 

  • competentie (“ik kan iets”), 
  • autonomie (“ik doe ertoe; ik mag er zijn”), 
  • sociale verbondenheid (“ik hoor erbij”) en 
  • engagement (“wat ik doe, is zinvol voor mij”). 


Er is ook een elkaar versterkend verband tussen sociale verbondenheid en autonomie aan de ene kant en competentie en engagement aan de andere kant. 

Competentie

(ik kan iets)


De docent kan het gevoel iets te beheersen  bij de leerlingen vergroten door hen leerstrategieën en vakkennis aan te bieden en hen te laten reflecteren op wat ze doen.

Hij kan hun het gevoel geven dat ze een taak of opdracht kunnen uitvoeren.

Hij kan hun daarbij uitleggen wat er van hen verwacht wordt. 

VOORBEELDEN
1.  Ik kan altijd hulp en advies vragen bij de docent.
2.  Ik weet wat het doel is van de leertaak en wat er van mij verwacht wordt.    
3.  Ik krijg de kans om dat te leren wat ik aankan.
4.  De docenten helpen mij om positief over mijzelf te denken.
5.  Ik krijg zelfvertrouwen omdat de docenten mij laten zien hoe ik een taak moet aanpakken.

Alle leerlingen willen zich graag competent voelen. Zij willen merken dat ze in staat zijn om een opdracht uit te voeren. Dit betekent dat de leraar leerlingen opdrachten moet geven die zij aankunnen, maar die
wel uitdagend zijn. Volgens Van der Hoeven & Ten Hove (2010) hebben
onderpresterende leerlingen dikwijls extreem veel kennis van een beperkt aantal thema’s. Er is vaak een verlangen om bij de vakken waar de thema’s voorkomen meer te mogen doen en verdieping te krijgen.
1.  Zie onder sociale verbondenheid: 6 e, 7 a en b, 8 c, 10 a en b
2.  De docent maakt de leerdoelen tastbaar en inzichtelijk.
3.  De docent past strategieën toe die het zelfvertrouwen van de leerlingen vergroten.
a.  De docent leert de leerlingen de leervaardigheden die nodig zijn voor het uitvoeren van de leertaken.
i.    De docent analyseert de stof op benodigde vaardigheden.
ii.   De docent doet voor, laat de leerlingen oefenen en automatiseren.
iii.  De docent let naast het productdoel ook op het procesdoel.
b.  De docent stimuleert bij de leerlingen  het nadenken over eigen kunnen
i.    door hun verwachting en hun resultaat te vergelijken,
ii.   door verband te leggen tussen hun prestatie en hun inspanning,
iii.  door datgene dat leidde tot de succesvolle prestatie te benoemen ( = attribueren).
4.  De docent zorgt voor een positief zelfbeeld bij de leerlingen door
a.  hun de ruimte te geven om zelf ontdekkingen te doen.
b.  hun de kans te geven om datgene te leren dat past bij hun interesses en  ontwikkelingsniveau (zie ook sociale verbondenheid 9c).
c.  hen te belonen, als intrinsieke motivatie niet meer werkt.
d.  hen zichzelf te laten beoordelen, zodat de leerlingen zelf hun ontwikkelpunten ontdekken.
e.  te zorgen voor resultaatgerichtheid in plaats van prestatiegerichtheid, want dit bevordert de intrinsieke motivatie (zie ook competentie 3aiii).
f.   de leerlingen onvoorwaardelijk vertrouwen te geven (zie ook sociale verbondenheid 7b).
5.  De docent geeft de leerlingen positieve of passende feedback.
a.  De docent maakt positieve opmerkingen (zie ook sociale verbondenheid 6e, 7a, 8c).
b.  De docent deelt de taak op in deeltaken en geeft aan welke elementen van de deeltaken makkelijk of moeilijk zijn.
c.  De docent geeft aan waar de leerlingen op kunnen voortbouwen en waar nog aan gewerkt moet worden, hij combineert dit met positieve opmerkingen.
6.  De docent leert leerlingen negatieve boodschappen naar zichzelf te vervangen door positieve.
7.  De docent helpt de leerlingen in te zien dat ze de vaardigheid hebben om een bepaalde leertaak uit te voeren.
a.  De docent bespreekt de benodigde vaardigheden (zie ook competentie 3ai).
b.  De docent deelt de leertaak op in onderdelen zodat de leerlingen kunnen ervaren dat ze het wel kunnen.
c.  De docent laat de leerlingen eerst met een eenvoudigere versie van de leertaak oefenen.
d.  De docent maakt een tijdpad en laat de onderdelen op bepaalde tijden inleveren.
e.  De docent laat de leerlingen zichzelf oriënteren op de taak door de taak eerst in zijn geheel door te lezen.
8.  De docent laat de leerlingen weten dat ze altijd hulp en advies kunnen vragen en laat de goede leerlingen die hulp zelf zoeken en vinden.
9.  De docent zorgt ervoor dat de leertaak duidelijk en helder is.
a.  De docent zorgt ervoor dat het doel van de leertaak en wat de leertaak precies van de leerlingen vraagt duidelijk zijn.
b.  De docent is duidelijk over de eindtermen die hij met de taak wil toetsen.
i.    De docent laat de leerlingen een “kennen-en-kunnen” lijstje maken.
ii.   De docent laat de leerlingen dit in een werkplan vertalen en geeft hier feedback op.
10. De docent is duidelijk over het niveau dat er verwacht wordt, zodat de leerlingen leren aan zichzelf  meer eisen te stellen naarmate zij ouder worden (zie ook autonomie 2).
a.  De docent geeft bij aanvang van de taak een uitgewerkt model van de beoordeling.
b.  De docent geeft tussendoor feedback op de al dan niet behaalde criteria.
11. De docent laat de leerlingen aan een portfolio werken. Dit vormt een groeiend bewijs dat de leerling competent aan het worden is, hiervoor moeten leerlingen prestaties als prestaties leren te erkennen.
a.  De docent laat leerlingen werken aan academische competenties (havo/vwo) zoals onderzoek doen.
b.  De docent laat leerlingen een eigen omschrijving van elke competentie maken en in hun portfolio zetten.
c.  De docent laat leerlingen hun eigen voortgang in de competenties aantonen en bijhouden.
12. De docent vat aan het einde van de les de lesstof (kort) samen.
13. De docent noteert het huiswerk op het bord.

Engagement

(wat ik doe, is zinvol voor mij)
De docent kan de leerlingen laten zien dat een handeling voor hen zinvol kan zijn.

Dit kan door ze te laten ervaren dat er een goede leerwinst mogelijk is bij een goede werkhouding.

Dit kan ook door de leerlingen opdrachten te geven die relevant en waardevol zijn voor hun eigen persoonlijke doelen.

VOORBEELDEN
1.  Ik werk met verschillende werkvormen.
2.  Ik krijg ook opdrachten buiten het boek.
3.  Ik weet wat het nut is van de lesstof.
4.  Ik voel me betrokken bij hetgeen ik moet doen tijdens de les omdat het onderwerp me aanspreekt.
5.  Ik voel me uitgedaagd.
6.  De opdrachten die ik moet maken zijn zinvol.
1.  De docent toont aan dat de lesstof waardevol is.
a.  De docent legt uit op welke wijze dit soort kennis te pas komt bij schoolse taken of het dagelijkse leven (zie ook sociale verbondenheid 9d).
b.  De docent laat de leerlingen elkaar uitleggen wat zij denken dat je kunt met bepaalde kennis of leertaken.
2.  De docent brengt de leerstof in verband met de (door de leerlingen zelf geformuleerde) leerlingdoelen.
3.  De docent ontwikkelt een gevoel van vertrouwen bij  de leerlingen in doel en praktijk van de school (geen onzintaken).
a.  De docent volgt niet altijd het boek.
b.  De docent zorgt voor activerende leertaken die een  beroep doen op de inbreng van de leerlingen (zie ook autonomie 7).
c.  De docent maakt inzichtelijke studie- en werkwijzers.
d.  De docent verantwoordt zijn keuze van bepaalde onderwerpen.
4.  De docent ontwikkelt betrokkenheid bij de leertaken.
a.  De docent ontwikkelt authentieke leertaken die een band hebben met het echte leven buiten school.
b.  De docent moet niet alleen bezig zijn met het vak, maar ook meer aansluiting zoeken bij de belevingswereld van een puber.
c.  De docent zorgt ervoor dat de leertaken uitdagend, niet te makkelijk zijn.
d.  De docent zorgt ervoor dat de leerlingen eigen keuzes uit verschillende taken kunnen maken, bijvoorbeeld op het gebied van presenteren (zie ook sociale verbondenheid 9c).
e.  De docent straalt zelf enthousiasme over de leerstof uit en vertelt verhalen of anekdotes eromheen.
f.   De docent helpt de stof te concretiseren.
5.  De docent ontwikkelt leertaken die aansluiten bij de doelen en de belangstelling van leerlingen en die net iets verder gaan dan de leerlingen al weten.
6.  De docent zorgt voor afwisseling door verschillende werkvormen te gebruiken, bijvoorbeeld groepswerk, filmgebruik, computer.
7.  De docent is praktisch bezig, werkt niet alleen uit het boek.
Autonomie

(ik doe ertoe; ik mag er zijn)
De docent kan ervoor zorgen dat de leerlingen zich op hun gemak voelen, door angst en spanning bij hen zoveel mogelijk weg te nemen.

Hij kan de extrinsieke motivatie stimuleren door uitzicht te bieden op een beloning.

De docent kan de leerlingen aanleren zelf hun gerichtheid op leren en hun prestaties te verbeteren.

VOORBEELDEN
1.  Ik mag zelf regels bepalen.
2.  Ik heb inspraak in wat ik leer.
3.  Ik mag de wijze waarop de lesstof behandeld wordt mee helpen bepalen.

Autonomie staat in de theorie van Ryan & Deci (2000) voor zelfbepaling.
Dit betekent dat de leerling het gevoel heeft zijn handelingen zelf te
kiezen. Bij voorkeur zijn de leerdoelen verbonden met zijn eigen doelen en
waarden. Autonomie verwijst dus naar de behoefte van mensen om hun ontwikkeling zelf te bewerkstelligen én wordt gekenmerkt door eigenheid
(Stevens e.a., 2004). Het zelf maken van keuzes en/of nemen van een
aantal beslissingen in het onderwijsleerproces leidt tot minder frustratie,
meer uitdaging, meer creativiteit en tot meer activiteit. Behalve aan een
keuze voor/uit taken kan ook worden gedacht aan: het leren opstellen van

een plan voor wat een leerling wanneer wil gaan doen. 
1.  Zie bij sociale verbondenheid : 4b, 6f, 12g
2.  De docent helpt de leerlingen bij het zelf leer- of ontwikkelingsdoelen stellen, hij laat hen geen prestatiedoelen stellen.
3.  De docent geeft de leerlingen inspraak in wat ze leren.
4.  De docent laat de leerlingen een spel spelen waarbij ze zelf keuzes kunnen maken.
5.  De docent gaat na of de  lessen voldoen aan de verwachtingen van de leerlingen.
a.  De docent gebruikt assessmenttechnieken om de behoeftes van de leerlingen te peilen.
6.  De docent werkt met open leertaken (dat wil zeggen: leertaken waar van te voren het antwoord niet vaststaat omdat leerlingen er een eigen inbreng in hebben,  bijvoorbeeld bij ProbleemGestuurdLeren en Natuurlijk Leren).
7.  De docent werkt met activerende leertaken waarbij een beroep wordt gedaan op de eigen inbreng van de leerlingen, hij zorgt daarbij wel voor evenwicht in ondersteuning (stappen) en vrijheid (eigen inbreng).
8.  De docent maakt gebruik van leerling-coaches, leerling-mentoren of leerling-mediators.
9.  De docent creëert betrokkenheid bij het eigen leren bij de leerlingen door leergerichte begeleiding.
a.  De docent verschaft de leerlingen inzicht in de eigen manier van leren.
b.  De docent leert de leerlingen andere leerstijlen aan.
c.  De docent laat de leerlingen een studieplan maken waarin ze voornemens en verbeteracties formuleren.
d.  De docent voert functioneringsgesprekken met de leerlingen.
e.  De docent laat leerlingen zelf hun vorderingen rapporteren.
f.   De docent geeft de leerlingen in toenemende mate de zorg voor de studievoortgang in eigen handen.
10. De docent zorgt ervoor dat de leerlingen zelf laten zien wat ze in huis hebben door middel  van het aanleggen van een portfolio voor zowel leer- als ontwikkelingslijnen.
11. De docent zorgt voor een goede balans  tussen docentgestuurd en leerlinggestuurd onderwijs.

Sociale verbondenheid

(ik hoor erbij)
Door een interpersoonlijk contact kan de docent een goede communicatie tot stand brengen met leerlingen.

Hij kan een klassenklimaat  tot stand brengen waarin leerlingen zich geaccepteerd voelen en veiligheid en geborgenheid ervaren en zich daardoor sociaal verbonden voelen.

Bovendien kunnen docenten hun leerlingen betere resultaten laten halen als ze positief naar de mogelijkheden van hun leerlingen kijken.

VOORBEELDEN
1.  Ik voel me veilig tijdens de les.
2.  Ik krijg de tijd om mondeling een vraag te beantwoorden.
3.  Ik ken en accepteer mijn medeleerlingen door de rol van de docent.
4.  Ik krijg de mogelijkheid om met klasgenoten samen te werken. 
5.  Er heerst orde tijdens de les.

Enige verbondenheid is een voorwaarde om tot leren te kunnen komen op
school. Het kan gaan om verbondenheid met de leraar, maar ook met de
inhoud van de taak. Onderpresterende leerlingen hebben volgens Van der Hoeven & Ten Hove (2010) veel behoefte aan een gevoel van acceptatie.
Zij willen waardering van de leraar ontvangen; het is een voorwaarde om
te kunnen leren en presteren. Krijgen ze die, dan varen ze daar wel bij en verbeteren hun resultaten. 
1.  De docent maakt onderlinge samenwerking mogelijk.
a.  De docent leert de leerlingen expliciet vaardigheden aan, nodig voor groepswerk.
b.  De docent zorgt voor heldere leerdoelen voor groepswerk.
c.  De docent houdt het proces in de gaten en geeft feedback.
d.  De docent let op dat elk groepslid een stap verder komt in het leerproces.
e.  De docent geeft de leerlingen een taak- en rolverdeling zodat ze gezamenlijk plannen en structureren.
f.   De docent zorgt ervoor dat iedere leerling individueel aanspreekbaar is.
g.  De docent zorgt voor onderlinge afhankelijkheid bij de leerlingen.
2.  De docent schept een leeromgeving waarin de leerlingen optimaal kunnen leren.
3.  De docent maakt geen gebruik van belonen en straffen. Dit verstoort de relaties en versterkt de rivaliteit en onveiligheid bij de leerlingen. De docent beoordeelt niet maar reflecteert.
4.  De leeromgeving moet voldoen aan de fysieke behoeften van de leerlingen.
a.  De docent geeft de leerlingen inspraak en maakt hen eventueel zelf verantwoordelijk voor hun omgeving: temperatuur, geluid, inrichting, zachte muziek.
b.  De docent laat de leerlingen zelf formuleren wanneer ze zich prettig voelen.
5.  De docent zorgt ervoor dat de leeromgeving voldoet aan de sociale behoeften  van de leerlingen.

6.  De docent bouwt een band/relatie op met elke leerling door:
a.  Informeel praatje te hebben met een leerling.
b.  Oogcontact te maken.
c.  Hen te begroeten en bij hun naam te noemen (dit geeft hun  gevoel van welkom zijn). 
d.  Op de hoogte te zijn van belangrijke dingen in het leven van de leerlingen, met name de thuissituatie, hun hobby’s en interesses.
e.  Complimentjes te geven bij prestaties.
f.   Leerlingen te betrekken bij plannen van klassenwerk en de klas inspraak te geven in het bepalen van de regels.
g.  Contact te leggen met ouders en in een eerste contact positief over hun kind te zijn.
7.  De docent houdt zijn eigen houding in de gaten.
a.  De docent benadert de leerlingen positief door eerst iets positiefs te zeggen en dan pas commentaar te geven
b.  De docent ontwikkelt een positieve verwachting ten opzichte van alle leerlingen. Hij geeft hun een gevoel van onvoorwaardelijk vertrouwen.
8.  De docent betrekt alle leerlingen gelijkwaardig bij de activiteiten in de les.
a.  De docent beweegt door de hele klas heen en maakt met alle leerlingen contact.
b.  De docent richt de klas zo in dat iedereen hem ziet en bij hem kan komen. De docent maakt interactie tussen hem en de leerlingen mogelijk.
c.  De docent geeft de leerlingen een positieve feedback bij goede ideeën of bijdragen aan een discussie of iets dergelijks.
d.  De docent zorgt ervoor dat iedereen aanspreekbaar is, bijvoorbeeld bij discussies, de docent gaat niet alleen in op leerlingen die vaak wat zeggen.
e.  De docent geeft de leerlingen de tijd een antwoord te geven op de vraag.
9.  De docent gaat positief om met verschillen tussen leerlingen, hij erkent en accepteert de verschillen.
a.  De docent gebruikt teksten en materiaal uit heel de wereld.
b.  De docent zorgt voor variatie in leeractiviteiten zodat alle waarnemings- en leerstijlen aan bod komen.
c.  De docent laat de leerlingen eigen keuzes maken zodat ze voortbouwen op eigen interesses en sterke kanten.
d.  De docent laat de leerlingen reflecteren op het hier en nu van de leerstof en de betekenis ervan voor hun toekomst.
10. De docent gaat positief om met vragen en antwoorden
a.  De leerlingen mogen fouten maken. De docent geeft bij een fout antwoord aan wat wel goed was of hij stelt de vraag in andere woorden, hij bedenkt deelvragen.
b.  De docent bedenkt verschillende soorten positieve bevestigingen bij het juiste antwoord.
11. De docent zorgt ervoor dat de leerlingen elkaar leren kennen en accepteren.
a.  De docent laat de leerlingen wisselen van plaats(en).
b.  De docent verandert de samenstelling van de groep bij groepswerk.
c.  De docent laat de leerlingen zich voorstellen, iets presenteren, elkaar interviewen aan begin van het jaar.
d.  De docent laat de leerlingen een plus-collage maken (dit is een vel papier waarop elke leerling  iets positiefs over elk afzonderlijk zegt).
e.  De docent laat de leerlingen door het jaar elkaar-leren-kennen-dingen doen.
f.   De docent helpt de leerlingen met strategieën om contact te leggen en te onderhouden met zowel docenten als medeleerlingen.
12. De docent schept veiligheid en orde.
a.  De docent zorgt voor een prettige werkomgeving.
b.  De docent benadert de leerlingen positief (zie ook bij 7).
c.  De docent staat geen gepest of bedreigingen toe.
-    De docent geeft duidelijke richtlijnen met consequenties.
-    De docent geeft de leerlingen het gevoel dat ze op hem kunnen rekenen.
-    De docent gaat het gesprek aan met pester en gepeste.
-    De docent leert de leerlingen conflicten te hanteren.
-    De docent stelt vertrouwensleerlingen aan of laat oudere leerlingen bemiddelen.
-    De docent surveilleert.
d.  De docent zorgt voor goed klassenmanagement met lesprocedures en met heldere regels.
e.  De docent laat de leerlingen af en toe bewegen tijdens de les.
f.   De docent leert de leerlingen om te gaan met afleiding.
g.  De docent stelt gezamenlijke klassenregels en procedures vast en bespreekt het nut ervan met de leerlingen.
h.  De docent reageert snel, eerlijk en consistent en geeft feedback bij niet naleven van de regels over afgesproken gedrag.
13. De docent geeft een positieve stimulans.
14. De docent zorgt voor een goede verdeling van de vakken over de week,  niet drie uur op één dag hetzelfde vak en niet te veel tussenuren (rooster).

Waar zit een groot verschil tussen de huidige situatie en de gewenste situatie volgens de leerlingen en zit er tegelijkertijd een groot verschil in wat de docenten doen en de mate waarin de leerlingen dit ervaren.

Middelen
Factor 
1.    Ik voel me uitgedaagd.         
Engagement
  1. De docenten helpen mij om positief over mijzelf te denken.
Competentie
3.    Ik krijg zelfvertrouwen omdat de docenten mij laten zien hoe ik een taak moet aanpakken.
Competentie
  1. De opdrachten die ik moet maken zijn zinvol.
Engagement