Vroeger werden jongens gezien als mannen-in-wording, hun drang tot lawaai, actie en gelding werd voor lief genomen. Tegenwoordig zijn diezelfde eigenschappen een probleem, met name op school. ‘Niet de jongens maar de opvoeders zijn veranderd’, stelt Angela Crott na bestudering van jongens-opvoedingsboeken van 1882 tot 2005.
Uitzending van Zembla - etiketkinderen
Jongens doen het in het onderwijs minder goed dan meisjes en vanaf de jaren negentig neemt het aantal jongens dat vanwege ‘abnormale’ lawaaierigheid en beweeglijkheid met ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) wordt gediagnosticeerd, toe. Wat is er aan de hand met de jongen als ‘opvoedeling’? Is er eigenlijk wel wat met hem aan de hand? Om met het eind te beginnen: nee, met jongens is niks aan de hand. Zij zijn wezenlijk hetzelfde gebleven; jongens hebben altijd een drang tot lawaai, actie, exploratie en gelding gehad.
Na bestudering van jongensopvoedingsboeken door de jaren heen, blijkt dat de in deze boeken genoemde zielseigenschappen van de jongen, ook de eigenschappen zijn die door volwassenen als storend worden ervaren en daarmee om opvoedkundige interventie vragen. Als jongenskenners laten de schrijvers van de opvoedingsboeken onafhankelijk van elkaar zien dat deze eigenschappen – die ik tot het universele jongenskarakter zou willen rekenen – door alle maatschappelijke ontwikkelingen van de twintigste eeuw heen hetzelfde zijn gebleven. Dit betreft niet alleen de hoogmoed van de jongen (te vertalen in geldingsdrang) en zijn baldadigheid, gekoppeld aan lawaaierigheid en beweeglijkheid, maar ook zijn ledigheid/luiheid en zijn verlegenheid/zwijgzaamheid.
Wat wel door de tijd verandert, is de waardering voor dergelijke ‘jongenseigenschappen’ – wat weer een gevolg is van veranderingen in de samenleving. Twee van de belangrijkste ontwikkelingen die de waardering hebben doen veranderen zijn de onderwijsexpansie en de opkomst van het feminisme. De school heeft zich gedurende de twintigste eeuw weinig van natuurlijk jongensgedrag aangetrokken en de vrouwenbeweging houdt er vanaf 1970 nog minder rekening mee.
Zonder diploma van school was tot in de jaren zestig geen probleem
Tussen 1900 en 1945 was de jongen de held – de ‘erfprins des hemels’ werd hij in een van de bronnen genoemd – en dat past bij de hiërarchische samenleving van die tijd. Mannen werkten, vrouwen ondersteunden hen en vaders stonden aan het hoofd van het gezin. Dat was het voorland voor de jongen; zijn grootste streven was een man worden. Dat jongens wel eens een grote mond hadden, was bijzaak. De opvoedingsliteratuur van deze periode tilt ook niet enorm zwaar aan het hebben van een diploma. Het is menig auteur duidelijk dat veel jongens ‘ideale schooleigenschappen’ missen als concentratievermogen, gehoorzaamheid en stil kunnen blijven zitten. Als een jongen zonder diploma de school verlaat, is hij geen mislukkeling.
Tot ver in de jaren vijftig en ook nog in de jaren zestig heeft de jongen er niet echt last van dat hij belangrijke schooleigenschappen ontbeert. Omdat een middelbare schooldiploma nog niet per se noodzakelijk is, kan hij het zich permitteren school al snel voor gezien te houden. Ook met een paar jaar middelbare school kan hij de gemeenschap van dienst zijn. Met de invoering van de Mammoetwet in 1968 is dit niet meer mogelijk. Naast een verplicht diploma komen er meer verplichte jaren algemeen onderwijs, ook voor de jongen in het beroepsonderwijs. Daarmee is het jongensenthousiasme voor de sterk praktijkgerichte ambachtsschool/lts verleden tijd. Daarbovenop krijgt de jongen het meisje als klasgenote. In tegenstelling tot hem blijkt zij wel over de juiste schooleigenschappen te beschikken.
Anders dan menigeen aannam, wordt de jongen echter niet geïnspireerd door deze vrouwelijke ijver. Zijn schoolmoeheid valt nog meer op met de creatie van onderwijsfabrieken en de invoering van onderwijsvernieuwingen in de jaren negentig, die hetzelfde oogmerk hebben als de Mammoetwet: het verhogen van het diplomarendement. Evenmin als deze wet slagen ze daarin.
Jongensagressie moet onderdrukt, wordt het idee
Vanaf de jaren tachtig ondervindt de jongen zowel thuis als op school de invloed van de, in de jaren zeventig ingezette, vrouwenemancipatie. Neemt thuis de ouderlijke aandacht voor hem af, op school neemt de aandacht voor hem juist toe. De afnemende ouderlijke aandacht is te wijten aan twee ontwikkelingen: de toename van het aantal werkende moeders waardoor steeds meer kinderen naar de kinderopvang gaan, en de groei van het aantal echtscheidingen waardoor de vader meestal het ouderlijk huis verlaat. De toenemende aandacht die de jongen op school krijgt, is in eerste instantie gericht op het afleren van zijn overlast gevende jongensgedrag. Dit seksespecifieke gedrag moet geneutraliseerd worden.
Dat dit mogelijk zou zijn, wordt ingegeven door de in deze tijd in zwang zijnde nurture-theorie waar de vrouwenemancipatie op meelift: het is de omgeving die van een jongen een jongen en van een meisje een meisje maakt, en het is ook de omgeving die dit seksespecifieke gedrag kan afleren. Zo moet zijn jongensagressie worden ingetoomd, net als zijn hoogmoedige geldingsdrang. Want waarom zou hij beter zijn dan meisjes?
Met het vrijgeven van de vrouwelijke seksualiteit in de jaren zeventig, raakt de jongen niet alleen zijn eeuwenoude rol als beschermer van de kuisheid van het meisje kwijt, maar komt hij ook als jonger evenbeeld van de mannelijke onderdrukker in beeld. Hij wordt een agressor, wiens agressief (seksueel) gedrag moet worden afgeleerd. Tussen 1980 en 2005 wordt daarom de sekseneutrale opvoeding populair en jongens mogen zich steeds minder jongensachtig gedragen.
Boys will be boys
De eis dat jongens zich moeten gaan gedragen als meisjes, kan gezien worden als de genadeslag voor de jongen. Hiermee wordt de vrouwenemancipatie de druppel die de emmer doet overlopen. Zeker in combinatie met het gegroeide belang van een goede opleiding en de jongenseigenschappen die daar slecht bij aansluiten (lawaai, een overdaad aan lichamelijke energie, ongehoorzaamheid). Dit wordt zelfs als een dusdanig probleem gezien dat jongens er voor worden gemedicaliseerd. ADHD, in de betekenis van Alle Dagen Heel Druk, is gedrag dat op school heel slecht uitkomt. Pillen daartegen schelen enorm in de onrust in de klas. Het is een constante in de geschiedenis van het Medisch Opvoedkundig Bureau (MOB) dat het aantal jongens voor wiens (school)gedrag bij hen wordt aangeklopt – en die daarbij grote kans lopen op de diagnose neurasthenie, Minimal Brain Dysfunction (MBD) of ADHD – meer dan tweemaal zo groot is als het aantal meisjes.
In plaats van jongensgedrag te problematiseren, en de jongens te medicaliseren, wil ik pleiten voor meer begrip en waardering voor jongensgedrag. Als jongens moeilijk schools kunnen leren, moet je ze dan iedere keer vragen om reflecties op hun eigen gedrag te schrijven en portfolio’s in te leveren? Er moeten toch ook onderwijsvormen te bedenken zijn die meer inspelen op hun fysieke energie, hun durf en nieuwsgierigheid. Denk aan de ambachtsschool, het schooltype waar jongens het altijd goed hebben gedaan en de enige school die positief besproken wordt in de bronnen.
Als er nu gesproken wordt over kenniseconomie, dan gaat het niet over deze vorm van kennis. Die verdient meer waardering, zodat ouders hun zonen daar weer met trots naar toe laten gaan.
Angela Crott is voormalig onderwijzeres. Zij is in december 2011 gepromoveerd met haar proefschrift: ‘Van hoop des vaderlands naar ADHD’er. Het beeld van de jongen in opvoedingsliteratuur (1882-2005)’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
[ bron: http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/01/11/jongensgedrag-moet-niet-geproblematiseerd/ ]
Posts tonen met het label jongens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jongens. Alle posts tonen
zaterdag 5 september 2015
vrijdag 4 september 2015
Jongens
Historica Angela Crott publiceerde een boek waarin ze
honderd jaar opvoedingsliteratuur analyseerde.
Jongens hebben het moeilijk: ze halen lagere cijfers dan meisjes, haken eerder af op school, en volgen een opleiding op een lager niveau. Ook hebben steeds meer jongens ADHD, en ritalin wordt schrikbarend vaak voorgeschreven. Maar volgens historica Angela Crott is er met de jongens van tegenwoordig niets aan de hand, en bestaat ADHD niet.
Aan de hand van honderd jaar opvoedingsliteratuur en haar eigen ervaring als onderwijzeres en moeder van twee zoons, schetst Crott onze veranderende samenleving, die typisch jongensgedrag steeds minder waardeert.
Jongens hebben geen probleem, wij hebben een probleem met jongens. De eisen die ouders, school en de maatschappij aan jongens stellen doen hun geen goed. Wat hebben jongens wel nodig? Later naar de crèche, stevig ouderlijk gezag, korter en gescheiden onderwijs, en meer begrip voor jongenseigenschappen.
Angela Crott (1955) is oud-onderwijzeres, historica en moeder van twee zoons. In 2011 promoveerde ze aan de Radboud Universiteit Nijmegen op het proefschrift 'Van hoop des vaderlands naar ADHD'er. Het beeld van de jongen in opvoedingsliteratuur (1882-2005).
http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/91316/91316.pdf
http://www.ru.nl/@832494/hoop-des-vaderlands/
Hoe is door de decennia heen de beeldvorming over jongens en jongensgedrag veranderd?
Jongens hebben het moeilijk: ze halen lagere cijfers dan meisjes, haken eerder af op school, en volgen een opleiding op een lager niveau. Ook hebben steeds meer jongens ADHD, en ritalin wordt schrikbarend vaak voorgeschreven. Maar volgens historica Angela Crott is er met de jongens van tegenwoordig niets aan de hand, en bestaat ADHD niet.
Aan de hand van honderd jaar opvoedingsliteratuur en haar eigen ervaring als onderwijzeres en moeder van twee zoons, schetst Crott onze veranderende samenleving, die typisch jongensgedrag steeds minder waardeert.
Jongens hebben geen probleem, wij hebben een probleem met jongens. De eisen die ouders, school en de maatschappij aan jongens stellen doen hun geen goed. Wat hebben jongens wel nodig? Later naar de crèche, stevig ouderlijk gezag, korter en gescheiden onderwijs, en meer begrip voor jongenseigenschappen.
Angela Crott (1955) is oud-onderwijzeres, historica en moeder van twee zoons. In 2011 promoveerde ze aan de Radboud Universiteit Nijmegen op het proefschrift 'Van hoop des vaderlands naar ADHD'er. Het beeld van de jongen in opvoedingsliteratuur (1882-2005).
http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/91316/91316.pdf
http://www.ru.nl/@832494/hoop-des-vaderlands/
Hoe is door de decennia heen de beeldvorming over jongens en jongensgedrag veranderd?
Vier jongenseigenschappen worden in de 171 boeken die ze
bestudeerde steeds weer genoemd:
1. Baldadigheid of kattenkwaad;
2. Hoogmoed of grootspraak;
3. Ledigheid of luiheid;
4. Zwijgzaamheid of verlegenheid
Het zijn lastige eigenschappen voor de opvoeder en de
maatschappij. Zo wordt jongensachtig gedrag vaak ervaren als problematisch
gedrag. Crott ziet ook trends in het denken over jongens:
- Tot 1970 overheerst het ‘boys will be boys’-discours:
Jongens zijn nu eenmaal jongens.
- Na 1970 komt hier het ‘failing school’-discours bij:
het ligt aan de school.
- En vanaf 1980 het ‘poor boys’-discours: het komt door
de vele vrouwen, ofwel de feminisering van het onderwijs.
- Anno 2013 zoeken we antwoorden in een combinatie van
deze driediscoursen, in combinatie met nieuwe inzichten in hersenontwikkelingen
verschillen in leerstijlen tussen jongens en meisjes.
‘Jongensachtige’ leerstijl:
|
‘Meisjesachtige’ leerstijl:
|
• ‘Trial and error’ of onderzoekend (proberen
en zien waar het schip strandt)
Jongens zijn soms al begonnen zonder dat je ze alles uitgelegd hebt. Dit is kan zowel heel onhandig zijn als zeer assertief. Het kan ook leiden tot een zeer creatieve uitkomst. Geef soms ruimte aan dit onderzoek, maar wees ook wat strenger als dat dat niet gewenst is. |
• Stap voor stap, met duidelijke instructie
Meisjes hebben de neiging alles stapsgewijs aan te willen pakken. Ook willen ze graag alle informatie hebben voordat ze aan de slag kunnen/willen. Probeer hier dus bewust een keuze in te maken. Soms wil je ze namelijk ook wel uitdagen om het onderzoek aan te gaan. |
• Uitdaging zoeken
Jongens hebben de neiging om nieuwe dingen te willen proberen en lijken sneller verveeld. Zorg dus voor de nodige afwisseling. Zorg wel dat je een veilige plek biedt waar ze zich veilig voelen als er iets mis gegaan is. Stimuleer de uitdaging en wees een vangnet bij teleurstellingen. |
• Veiligheid
Meisjes leren beter in een bekende situatie waar ze weten wat er van ze verwacht wordt. Bouw dus een goede band en vertrouwen op voordat je ze in het diepe gooit. |
• Competitie zoeken
Ook de strijd aangaan met zichzelf (vergelijken met eerdere prestaties) kan gezien worden als competitie. Blijf jongens uitdagen meer uit zichzelf te halen. |
• Samenwerken
Meisjes werken over het algemeen liever samen dan jongens. Daag beide uit om met samenwerkopdrachten, maar ook met opdrachten die alleen uitgevoerd moeten worden. |
• Behoefte aan directe feedback
Jongens willen graag tijdens de opdracht weten of ze het goed doen of niet. Probeer ze dus ook te sturen tijdens het proces en de leeropbrengst schiet omhoog. Een open deur, maar doe dit wel opbouwend! |
• ‘Wat vind je er zelf van’ feedback
In tegenstelling tot de directe feedback bij de jongens, vinden meisjes het fijn om er zelf over na te denken en een nieuwe keuze te maken aan de hand van reflectie. Wacht dus vaker af en praat er na de tijd samen nog eens over. Leren gegarandeerd! |
Henno Oldenbeuving van YoungWorks, geeft de
volgende adviezen:
1. Ontwikkel feeling voor sekseverschillen binnen de school
Práát over het onderwerp ‘sekseverschillen en onderwijs’. Accepteer dat de jongens in de klas zich anders kunnen gedragen en probeer dat ook anders te duiden.
2. Wees verwachtingsvol naar jongens
Elke leerling wil gezien worden en niet alleen bekeken. Bij jongens is die behoefte aan bevestiging en vertrouwen dat het beter kan nog groter. Geef aan dat je er vertrouwen in hebt dat er met een andere aanpak meer in de leerling zit en dat je daar natuurlijk bij wilt helpen.
3. Heb begrip voor beweeglijkheid
Jongens willen meer bewegen (dingen aanraken, wiebelen) en dat is goed voor ze. Zo breken stresshormonen als adrenaline af. Dat vindt een leraar misschien lastig en op de vraag ‘waarom ze bewegen’ hebben de jongens geen antwoord! ‘Uh, gewoon’. Maar ergernis en boze reacties versterken enkel de stress. Gebruik regelmatig actieve lesvormen waarbij staan en bewegen is toegestaan.
4. Bied duidelijke grenzen, maar mét ruimte voor experiment
Een klas vol volgzame leerlingen is niet realistisch. Pubers, en vooral jongens, moeten grenzen opzoeken om te groeien en te zoeken. De grote mond vraagt zeker om een correctie, een grens, maar wel eentje met een glimlach in gedachte, ferm en duidelijk.
5. Dwing jongens niet in het verkeerde format
In de hersenontwikkeling lopen jongens gemiddeld 1,5 jaar achter op meiden. Houd hier rekening mee. Geef jongens binnen het onderwijs meer afwisseling (kortere aandachtsboog). Faseer de taken en geef meer feedback in korte intervallen. Verleng gradueel zodat ze vaardigheden als ‘uitstel van bevrediging’, ‘plannen’ en ‘organiseren’ geleidelijk leren. Jongens zijn ook minder talig dan meisjes. Stimuleer hun taalgevoel door voortdurende uitdaging en oefening; duidelijke directe feedback en herfrasering. Geef korte en heldere aanwijzingen.
6. Als ‘t klaar is is ‘t klaar
De frustratieboog loopt bij jongens vaak anders dan bij meisjes. Veel jongens kunnen in korte tijd heel boos of opgewonden raken. Ze gaan dan met deuren slaan of worden brutaal. Zo’n uitval kan ook net zo
snel weer verdwijnen. Vraag niet om een gedragsverandering op de piek van zo’n fase maar gun jongens een time-out. Bespreek het voorval op een later moment en maak afspraken. En dan is het kláár. Neem dat
woord ‘klaar’ ook heel serieus en geef jongens zo vertrouwen dat je weer op warme voet verder kan.
7. Probeer afgang te voorkomen
Jongens zijn heel gevoelig voor hun plek in de groep. Falen ervaren ze als gezichtsverlies. Probeer een publieke afgang daarom te voorkomen; dit geeft alleen maar weerstand en kan een ‘schoolallergie’ veroorzaken. En dan winnen andere interesses als voetbal en vrienden het uiteindelijk van school.
8. Intrinsieke motivatie extra belangrijk
Veel jongens zijn op zoek naar stimulerende beelden van mannelijkheid: Wat kan ik, wat wil, wat kan ik willen? Breng ze in contact met mannelijke rolmodellen en bespreek wat ze motiveert. Help ze met kiezen, nu en later in hun onderwijscarrière.
1. Ontwikkel feeling voor sekseverschillen binnen de school
Práát over het onderwerp ‘sekseverschillen en onderwijs’. Accepteer dat de jongens in de klas zich anders kunnen gedragen en probeer dat ook anders te duiden.
2. Wees verwachtingsvol naar jongens
Elke leerling wil gezien worden en niet alleen bekeken. Bij jongens is die behoefte aan bevestiging en vertrouwen dat het beter kan nog groter. Geef aan dat je er vertrouwen in hebt dat er met een andere aanpak meer in de leerling zit en dat je daar natuurlijk bij wilt helpen.
3. Heb begrip voor beweeglijkheid
Jongens willen meer bewegen (dingen aanraken, wiebelen) en dat is goed voor ze. Zo breken stresshormonen als adrenaline af. Dat vindt een leraar misschien lastig en op de vraag ‘waarom ze bewegen’ hebben de jongens geen antwoord! ‘Uh, gewoon’. Maar ergernis en boze reacties versterken enkel de stress. Gebruik regelmatig actieve lesvormen waarbij staan en bewegen is toegestaan.
4. Bied duidelijke grenzen, maar mét ruimte voor experiment
Een klas vol volgzame leerlingen is niet realistisch. Pubers, en vooral jongens, moeten grenzen opzoeken om te groeien en te zoeken. De grote mond vraagt zeker om een correctie, een grens, maar wel eentje met een glimlach in gedachte, ferm en duidelijk.
5. Dwing jongens niet in het verkeerde format
In de hersenontwikkeling lopen jongens gemiddeld 1,5 jaar achter op meiden. Houd hier rekening mee. Geef jongens binnen het onderwijs meer afwisseling (kortere aandachtsboog). Faseer de taken en geef meer feedback in korte intervallen. Verleng gradueel zodat ze vaardigheden als ‘uitstel van bevrediging’, ‘plannen’ en ‘organiseren’ geleidelijk leren. Jongens zijn ook minder talig dan meisjes. Stimuleer hun taalgevoel door voortdurende uitdaging en oefening; duidelijke directe feedback en herfrasering. Geef korte en heldere aanwijzingen.
6. Als ‘t klaar is is ‘t klaar
De frustratieboog loopt bij jongens vaak anders dan bij meisjes. Veel jongens kunnen in korte tijd heel boos of opgewonden raken. Ze gaan dan met deuren slaan of worden brutaal. Zo’n uitval kan ook net zo
snel weer verdwijnen. Vraag niet om een gedragsverandering op de piek van zo’n fase maar gun jongens een time-out. Bespreek het voorval op een later moment en maak afspraken. En dan is het kláár. Neem dat
woord ‘klaar’ ook heel serieus en geef jongens zo vertrouwen dat je weer op warme voet verder kan.
7. Probeer afgang te voorkomen
Jongens zijn heel gevoelig voor hun plek in de groep. Falen ervaren ze als gezichtsverlies. Probeer een publieke afgang daarom te voorkomen; dit geeft alleen maar weerstand en kan een ‘schoolallergie’ veroorzaken. En dan winnen andere interesses als voetbal en vrienden het uiteindelijk van school.
8. Intrinsieke motivatie extra belangrijk
Veel jongens zijn op zoek naar stimulerende beelden van mannelijkheid: Wat kan ik, wat wil, wat kan ik willen? Breng ze in contact met mannelijke rolmodellen en bespreek wat ze motiveert. Help ze met kiezen, nu en later in hun onderwijscarrière.
Abonneren op:
Posts (Atom)
