woensdag 9 november 2022

Coach

De coach is veelal een ervaren docent die focust op het leerproces van de individuele leerling. Coachen gaat over de wijze van communiceren om leerlingen hun kracht te laten vinden en die krachten in te zetten. Bij coachen gaat het niet alleen om feedback geven. Het gaat ook over het bevragen van de leerling en het benoemen van wat je ziet. Als docent maak je hierin keuzes en je wisselt af, al naar gelang de context.


 

De zes rollen van de leraar - Martie Slooter

Martie Slooter maakt in haar boek ‘De zes rollen van de leraar’ duidelijk dat iedere leraar in het voortgezet onderwijs zes rollen vervult:

(1) gastheer,

(2) presentator,

(3) didacticus,

(4) pedagoog,

(5) afsluiter en

(6) coach.


Elke rol kun je leren en in elke rol kun je je verder ontwikkelen. De kern van het boek is dat je aan het gedrag van jouw leerlingen kunt zien of je effectief bent.

Reflecteren op de interactie tussen de docent en de leerlingen is dan ook essentieel, want daar leer je van. Ook is het belangrijk stil te staan bij wat vind jij belangrijk in jouw rol en wie wil je zijn als docent?

Hoe zet jij jouw coachende vaardigheden in? En zie je aan jouw leerlingen welk effect dit heeft?

 

Enkele tips voor het coachingsgesprek

Een belangrijke vaardigheid van de coach is het voeren van een coachingsgesprek.

Afstemmen

Stem aan het begin van het gesprek af op de leerling, zowel verbaal als non-verbaal.

Startvraag en stoom afblazen

Stel een uitnodigende startvraag en laat de leerling indien nodig stoom afblazen.

Hulpvraag concretiseren

Help de leerling een hulpvraag te concretiseren, door bijvoorbeeld te zeggen: ‘Waar wil je in dit gesprek een antwoord op?’

Reflecteren

Reflecteer op een concrete situatie: ‘Toen je vastliep: wat had je daarvoor precies gedaan?’

Stimuleer creativiteit

Stimuleer de creativiteit van de leerling, door hem te laten nadenken over alternatieven voor zijn aanpak.

Doelen formuleren en stappenplan maken

Laat de leerling doelen formuleren en een stappenplan maken om deze te bereiken.

 

Concreet gedrag van de coach

Martie Slooter beschrijft het volgende concreet gedrag van een coach:

Focus

Je voert individuele gesprekken met leerlingen, waarin je focust op de doelen, het leerproces en de leerinhoud;

Verdiepende vragen

Je observeert en je stelt veel (verdiepende) vragen;

Inzicht krijgen

Je laat de leerling hardop denken. Zo krijg je inzicht in hoe hij denkt en leert;

Reflecteren

Je reflecteert samen met de leerling op de leervaardigheden: de cognitieve, metacognitieve en affectieve vaardigheden, die nodig zijn om tot zelfregulerend leren te komen;

Ontwikkelingsgerichte feedback

Je geeft ontwikkelingsgerichte feedback, zodat de leerling gaat nadenken over hoe hij het leren aanpakt. Samen zoeken jullie naar de oorzaken van succes en falen en onderzoeken jullie verbetermogelijkheden;

Vormgeven gepersonaliseerd leren

Je geeft gepersonaliseerd leren vorm. Dat betekent dat je een individuele leerroute kunt aanbieden en samen met de leerling een programma op maat uitstippelt.

Zelfregulatie

En de leerling? Als jij effectief bent, kan de leerling zijn eigen leerdoelen bepalen en behalen en problemen zelfstandig oplossen. De leerling is uiteindelijk zelfregulerend.

 

maandag 31 oktober 2022

Vier generaties - BabyBoomers, X, Y en Z

Op dit moment bestaat de Nederlandse beroepsbevolking uit vier verschillende generaties, ieder zijn eigen specifieke kenmerken, kwaliteiten en expertise. Allemaal staan ze anders in het leven en in hun werk. Dat maakt samenwerken met collega's die veel jonger of ouder zijn soms uitdagend. 



1. Generatie BabyBoomers

(geboren tussen 1945 – 1960)

 

 

 

Trefwoorden zijn: Apollo, J.F. Kennedy, TV, Vietnam, Woodstock en de Koude oorlog

De mensen die geboren zijn tussen 1945 en 1960 worden doorgaans aangeduid als Babyboomers. Babyboomers hebben veel maatschappelijke vernieuwing gebracht, met hun nadruk op zelfontplooiing en een vrije moraal. Ze stonden aan de wieg van de jongerencultuur in de bewogen sixties en seventies en het hielp dat ze met velen waren. Tijdens de adolescentie heeft deze generatie zich vrijgevochten en ‘andere manieren’ van leven gezocht en ontdekt. Denk aan linkse protesten, nieuwe muziekvormen, flower power, kerkelijke ontzuiling en de vrouwenemancipatie. Ze maakte kennis met de stijgende naoorlogse welvaart, en ging studeren in de woelige periode tussen 1965 en 1975.

De senior medewerker ofwel groep 50+ vormen nog steeds belangrijk aandeel van de werknemers.

 

2. Generatie X

(geboren tussen 1961 – 1980)

 

 

Trefwoorden zijn: PC, Berlijn, Live Aid, Europese Unie, Tsjernobyl en het Studentenprotest in China.

Deze groep mensen betreft ruwweg de mensen die zijn geboren tussen 1961 en 1980. Door het in zwang raken van de anticonceptie verminderd het aantal geboorten of de tegenstelling met de babyboom. Deze generatie X ook wel generatie Nix of de verloren generatie genoemd, aangezien de jongeren de periode van economische crisis na de tweede oliecrisis meemaakten: ze waren pas afgestudeerd en hadden veel moeite om werk te vinden. In hun adolescentie heerste er een economische crisis, met massale jeugdwerkloosheid als gevolg, zodat men ook wel sprak van een Verloren generatie. Door hard te werken en zich te schikken in hun lot, kwam het met deze generatie uiteindelijk toch goed. Generatie X is loyaal aan de werkgever, volhardend, organisatiesensitief, weloverwogen en plichtsgetrouw. De valkuilen van deze generatie zijn vooral het vasthouden aan oude patronen en processen, over-bescheidenheid, gereserveerdheid en behoudendheid. Zij zijn allergisch voor jongere mensen die over-kritisch zijn en pretenderen alles al te weten.

 

3. Generatie Y

(ook wel Millennials genoemd)

(geboren tussen 1981 – 1995)

 

 

Trefwoorden zijn: smart phone, Playstation, oorlog in Irak, 9/11, social media en de invoering van de Euro.

Deze groep mensen, ook wel Millennials genoemd, wordt over het algemeen gedefinieerd aan de hand van geboortejaren en is geboren tussen 1981 en 1995.

Generatie Y is opgegroeid in een tijd van technologische vooruitgang en economische voorspoed. Kenmerkend is de vertroetelende aandacht die ze kreeg van haar opvoeders. Het gevolg daarvan is een zelfverzekerde, optimistische generatie die gewend is haar zin te krijgen. Opgevoed in een relatief vrije ‘laissez faire’ opvoeding. De maatschappij kenmerkte zich door hoge welvaart. Het kapitalisme en de consumptiemaatschappij ontwikkelden zich. Deze generatie is hoger opgeleid dan vorige generaties en kreeg veel kansen. Zelfontplooiing kwam centraal te staan. Groei en resultaat behalen werden belangrijke waarden. Door het gebrek aan dwang en verplichtingen én de vele maatschappelijke en economische kansen die ze kregen, was deze groep wat minder uitgesproken en zichtbaar.

De kracht van deze generatie zit veelal op hun snelheid, no-nonsense houding, daadkracht, praktische instelling, zelfredzaamheid en zelfstandigheid. De valkuilen zijn het opportunistische en korte termijn denken, de materialistische inslag, oppervlakkigheid en de ‘dikke IK’.

 

4. Generatie Z

(geboren tussen 1995 – heden)

 

 

Trefwoorden zijn: WikiLeaks, London aanslag, AirBNB, Blockchain, Opwarming, van Bezit naar gebruik, Coronavirus en Black Lives Matter.

Deze opvolgende generatie van Y begeeft zich nog niet op de arbeidsmarkt, waardoor kenmerken, competenties en waarden nog moeilijk te definiëren zijn.

Generatie Z, ook wel iGeneratie genoemd, groeit op in een wereld van overvloed en met relatief weinig beperkingen. Ze zijn ervan overtuigd dat ouders of de overheid eventuele tegenslagen zullen opvangen. Opgegroeid in het digitale tijdperk! Maar ook in tijden van onzekerheid en dreiging (economische crisis, klimaatcrisis, terrorisme, Coronapandemie). Zij weten maar al te goed dat de mogelijkheden niet onbegrensd zijn en dat zij het (materieel) niet beter gaan krijgen dan hun ouders.

Generatie Z is opgegroeid in een sterk globaliserende wereld. Zij zijn zeer kosmopolitisch, ondernemend en doen veel verschillende dingen tegelijkertijd: netflixen, muziek luisteren, ondertussen huiswerk maken en als het éven kan ook nog Appen, Snappen en Instagram checken. Diversiteit en duurzaamheid zijn voor hen de norm.

Zij hebben een flexibele werkstijl. Op school hebben ze geleerd projectmatig en thematisch te werken. Generatie Z is hard werkend, mondig, vrij, rationeel & intuïtief, non-conformistisch en durft de ongewone vragen te stellen. Hun valkuilen zijn afhankelijkheid, kwetsbaarheid, onzekerheid, snel verveeld zijn en een korte aandachtspanne. Werkwaarden die bij hen passen zijn: vrijheid, langetermijndenken en zeker ook financiële – en baanzekerheid.

 


zondag 26 juni 2022

Is de vragenlijst geschikt voor iedereen?

Een vragenlijst is een gestructureerde manier van gegevensverzameling die bestaat uit een aantal schriftelijke of mondelinge vragen aan respondenten. Hoe maak je een vragenlijst? De resultaten van een vragenlijst moeten voldoende inzicht geven om je in staat te stellen de hoofd- en deelvragen van je onderzoek te beantwoorden. Dat lukt niet alleen met goede vragen. Kijk ook of je vragenlijst geschikt is voor iedereen.


Doe de onderstaande test en zie of de vragenlijst geschikt is voor iedereen of dat er aanpassingen nodig zijn.

•groen  = ja / goed

•oranje = een beetje, kan beter of meer

•rood    = nee of nauwelijks

 

Onderwerp

Toelichting

Verbeteractie

Begrijpelijkheid

 

 

De vragenlijst is geschreven op taalniveau A2-B1.

•groen: A2-B1

•oranje: B2

•rood: C1

 

 

De vragenlijst bevat een heldere en korte instructie.

•groen: maximaal 10 regels of met duidelijke tussenkopjes

•oranje: tussen 10 en 20 regels

•rood: meer dan 20 regels


 

De vragenlijst bevat maximaal 20 vragen.

•groen: ≤ 20 vragen

•oranje: 21-25 vragen

•rood: ≥ 26 vragen


 

De antwoordcategorieën per vraag bevatten maximaal 3 antwoordopties.

•groen: 3 of minder antwoordopties

•oranje: 4 antwoordopties

•rood: 5 of meer antwoordopties, een antwoordenmatrix of schuifsysteem


 

De vragenlijst is geschreven in actieve zinnen. Er zijn geen hulpwerkwoorden gebruikt.

•groen: geen hulpwerkwoorden

•oranje: maximaal 3 vragen met hulpwerkwoorden

•rood: meer dan 4 vragen met hulpwerkwoorden


 

De vragenlijst bevat geen medische termen of afkortingen. M.u.v. veel gebruikte afkortingen zoals bijvoorbeeld MRI, CT-scan, MS of ziektes zoals diabetes.

•groen: geen vaktaal of afkortingen

•oranje: vaktaal en afkortingen worden uitgelegd

•rood: vaktaal of afkortingen zonder uitleg


 

De vragenlijst stelt concrete vragen i.p.v. algemene vragen.

•groen: vragen over alledaagse situaties met een duidelijk voorbeeld

•oranje: ‘Stel u voor dat’-vragen

•rood: algemene vragen


 

De vragenlijst bevat geen stellingen.

•groen: zonder stellingen

•oranje: stellingen met optie ja/nee of voor/tegen

•rood: stellingen met antwoordschalen


 

Toegankelijkheid

 

 

De vragenlijst wordt zo aangeboden dat het past bij de wensen en vaardigheden van de respondent. Denk aan digitale vaardigheden en in bezit zijn van een computer en internet.

•groen: de respondent kan kiezen tussen een papieren of digitale versie.

•oranje: de respondent heeft geen keuze, maar krijgt een duidelijke link via de mail die direct toegang geeft tot de vragenlijst.

•rood: de respondent moet een account aanmaken of de vragenlijst kan alleen geopend worden met een DigiD, inlogcode of wachtwoord.


 

Bij een papieren versie slaat u deze vraag over. De digitale vragenlijst bevat een voorleesfunctie.

•groen: ja en de knop staat duidelijk bovenaan de pagina

•oranje: ja maar de knop staat niet bovenaan de pagina

•rood: nee


 

Opmaak

 

 

De antwoorden staan direct onder de vraag

•groen: ja

•oranje: n.v.t.

•rood: nee


 

Er wordt geen gebruik gemaakt van een antwoordenmatrix.

•groen: geen matrix

•oranje: n.v.t.

•rood: matrix gebruikt


 

Namen en afkortingen die bedoeld zijn voor de onderzoekers zijn weggelaten voor de respondent.

•groen: ja

•oranje: ze staan er wel maar onderaan in een klein lettertype

•rood: nee


 

De vragenlijst is getest op begrijpelijkheid en toegankelijkheid bij de doelgroep waar de vragenlijst voor bedoeld is. Denk hierbij aan laaggeletterden, anderstaligen, ouderen, lageropgeleiden met of zonder een migratieachtergrond etc. In het geval dat de vragenlijst voor alle mensen  bestemd is, geldt dat de moeilijkst lezende groep de vragenlijst moet kunnen begrijpen.


•groen: getest

•oranje: n.v.t.

•rood: niet getest

 

Validatie

 

 

De vragenlijst is gevalideerd bij de groep waar deze vragenlijst voor bedoeld is. In het geval dat de vragenlijst voor alle patiënten bestemd is, geldt dat de validatie heeft plaatsgevonden bij de moeilijkst lezende groep.

•groen: gevalideerd voor alle doelgroepen

•oranje: gevalideerd voor een deel van de populatie

•rood: onbekend voor welke groep(en) de vragenlijst gevalideerd is


 

 

woensdag 30 maart 2022

Vijf principes voor goed functionerende teams

 Aan de basis van alle goed functionerende teams liggen vijf systemische principes:

1. Duidelijke doelen
2. Compleet team
3. Rolverdeling
4. Erkenning van de geschiedenis
5. Balans van geven en nemen



Een verdere uitwerking van deze vijf systemische principes:

1. Duidelijke doelen
Duidelijke doelen richting en inspiratie aan een team. Dit lijkt voor zich te spreken. Toch blijken er nog veel teams te zijn waarvoor het niet duidelijk is wat zij nu precies willen bereiken met elkaar. Het ontbreken van inspirerende doelen leidt tot een gebrek aan energie en inspiratie.

2. Compleet team
Net als in een sportteam zo hoort in ieder team een aantal functies vervuld te worden. Om iedere medewerkers goed tot hun recht te laten komen. Wanneer in teams de rollen niet goed bezet zijn, slagen medewerkers er zelden in om goed tot hun recht te komen.

3. Rolverdeling
De rollen dienen duidelijk verdeeld zijn en er is een juiste ordening van verantwoordelijkheden, anders ontstaat er disbalans. Bijvoorbeeld als de baas zich actief gaat bezighouden met de uitvoering of omgekeerd een medewerkster die beslissingen neemt waar zij eigenlijk niet voor bevoegd is. De afbakening van rollen, taken en verantwoordelijkheden zorgt voor duidelijkheid en overzicht. Een belangrijke taak voor het management is mensen te helpen om zich aan die kaders te houden.

4. Erkenning van de geschiedenis
Alles heeft een oorzaak en een gevolg. Dat geldt voor successen en voor tegenslagen binnen een organisatie. Nu hebben organisaties doorgaans weinig moeite om hun successen te erkennen. Bij tegenslagen ligt dat helaas anders. En wanneer die ‘onder het tapijt’ worden geschoven haalt dat goede energie uit de betrokken medewerkers. Pas wanneer er duidelijkheid wordt geschapen over de oorzaken kan het team weer verder.

5. Balans van geven en nemen
In ieder team komen teamleden iets halen en iets brengen. In energieke, goed functionerende teams is dat in evenwicht. Idealiter gaan teamleden met net zoveel energie naar huis aan het einde van de dag als waarmee zij begonnen zijn. Wanneer teamleden teveel (energie) geven en onvoldoende terugkrijgen, ontstaan symptomen als oververmoeidheid of stress. Ook deze facetten dienen duidelijk verdeeld zijn, anders ontstaat er disbalans.

maandag 3 januari 2022

De tien instructieprincipes van Barak Rosenshines:

Barak Rosenshine (1930-2017) was een professor van de afdeling 'educational psychology' van het 'College of Education' van de universiteit van Illinois. De voormalige geschiedenisleraar heeft in een jarenlange studie een tiental instructieprincipes opgesteld.

Deze tien instructieprincipes van Barak Rosenshines zijn:

 

1.Herhaal dagelijks een deel van wat eerder is geleerd

 

Herhaling versterkt wat al geleerd is. Het brengt verbindingen tot stand tussen wat we al wisten en nieuwe kennis. Dagelijks herhalen is vooral belangrijk voor informatie die vaak gebruikt moet worden. Herhalen helpt bij het automatiseren: het moeiteloos terughalen uit ons geheugen van woorden, concepten, procedures enzovoorts die we nodig hebben om problemen op te lossen, taken uit te voeren en nieuwe leerstof te begrijpen door ze te automatiseren.

 

2. Presenteer nieuw leermateriaal in kleine stappen en help leerlingen hiermee te oefenen

 

Ons werkgeheugen is zeer klein: het kan maximaal zo’n vijf nieuwe brokken informatie vasthouden. Die brokken worden verwerkt en in ons langetermijngeheugen opgeslagen als schema’s: het is geleerd. Bied dus steeds kleine hoeveelheden informatie aan, help leerlingen daarna met het oefenen daarvan en ga pas naar de volgende stap als de vorige wordt beheerst.

 

3. Stel veel vragen

 

Vragen helpen leerlingen om te oefenen wat net gepresenteerd is en om verbindingen te leggen met wat al geleerd was. Vooral hoe- en waarom-vragen, zogeheten epistemische vragen, prikkelen dit.

 

4. Wees een model

 

Leerlingen hebben ‘cognitieve’ steun nodig om te leren taken uit te voeren en problemen op te lossen. Door als model te fungeren en hardop te vertellen over je denk- en werkstappen kun je laten zien hoe je een probleem oplost of een taak uitvoert.

 

5. Bied scaffolds voor moeilijke taken

 

Naast zelf uitleggen (het vorige principe) kun je leerlingen bij moeilijke taken ook uitgewerkte voorbeelden geven waarin alle deelstappen die ze moeten volgen om tot een oplossing te komen, zijn ingevuld. Zo bied je hen een scaffold (steiger) ofwel een tijdelijke cognitieve ondersteuning. Door steeds meer stappen weg te laten breek je die steiger af en begeleid je leerlingen geleidelijk naar zelfstandige uitvoering.

 

6. (Bege)leid leerlingen in het oefenen met nieuw leermateriaal

 

Het eenmalig aanbieden van nieuwe lesstof is niet voldoende. Naast herhaling (het eerste instructieprincipe) is voldoende en gevarieerde oefening en overhoring nodig. Leerlingen moeten tijd besteden aan het herformuleren, uitbreiden en samenvatten van nieuwe stof om het goed op te slaan in hun langetermijngeheugen.

 

7. Ga na of leerlingen het echt begrepen hebben

 

Effectieve leraren gaan heel vaak na of leerlingen de nieuwe leerstof ook daadwerkelijk aan het leren zijn. Ze checken niet alleen het product, maar ook het proces van leren. Ze bevorderen hiermee niet alleen de verwerking van de stof, ze kunnen ook nagaan of leerlingen wel het goede leren en of ze de lesstof wel goed begrepen hebben.

 

8. Zorg dat uw leerlingen succes tonen

 

Effectieve leerkrachten gaan veel en vaak na of hun leerlingen succesvol zijn. Oefening baart weliswaar kunst, maar alleen als leerlingen geen fouten oefenen.

 

9. Eis en monitor zelfstandige oefening

 

Je kunt je leerlingen niet blijvend aan de hand nemen, uiteindelijk moeten ze het zelf kunnen. Laat ze zelfstandig oefenen en ga na of ze het echt kunnen of dat er nog meer (al dan niet begeleide) oefening nodig is. Door zelfstandige oefening wordt kennis geautomatiseerd.

 

10. Activeer geleerde kennis regelmatig

 

Leerlingen hebben geen eentonige, maar een breed scala aan oefening nodig, verspreid over de tijd om sterke en rijke schema’s te ontwikkelen. Hierdoor kunnen ze makkelijker nieuwe dingen leren en eerder geleerde dingen uit het geheugen terughalen. Door vaak op iets dat al geleerd is terug te komen – maar wel met de nodige tijd ertussen om nieuwe kennis in nieuwe situaties op te doen – worden de verbindingen in de schema’s verstevigd en worden de schema’s uitgebreider en rijker.

 

 

Bron : Tien instructieprincipes die elke leraar zou moeten kennen - Paul Kerschner

vrijdag 3 december 2021

Het ‘use it or lose it’-principe - zo stimuleer je je brein optimaal

Alleen als de leerling betekenis weet te geven aan hetgeen hij/zij leert, zal het onthouden worden en verankerd blijven. 


Het brein is geen starre grijze massa. Jammer genoeg denken veel mensen dat je wordt geboren met een starre grijze massa en hebt hierdoor geluk of pech met je aangeboren talenten. Onderzoek wijst echter uit dat dit een onjuiste weergave van feiten is. 
Je grijze massa is namelijk allesbehalve statisch, maar werkt eerder als een flexibel materiaal die je een leven lang kunt kneden en veranderen. Maar doe je dat niet? Dan zal je brein na verloop van tijd harder worden en krimpen. 

Wat is het ‘use it or lose it’-principe? 
De hersenen zijn over miljoenen jaren geëvolueerd om informatie uit de omgeving op te nemen en te formuleren. Dit vermogen is voor de mensheid onontbeerlijk gebleken om zich in de meest veelsoortige omstandigheden aan te passen. Dit zou niet zijn gelukt als ons brein een star orgaan was geweest.  

Elke keer als je iets nieuws ontdekt of leert, veranderen de connecties in je brein. Nieuwe hersencellen worden aangemaakt, met nieuwe en sterkere verbindingen ertussen. Je hersengebieden kunnen groeien, als gevolg van een stimulans uit de omgeving. 
Onderling verbonden zenuwcellen vormen samen zenuwbanen. Hoe vaker deze banen gebruik worden, hoe beter deze banen gaan functioneren. De hersenen zijn ontworpen om gestimuleerd en uitgedaagd te worden. Het brein is als een spier die onder invloed van training groter en sterker wordt, maar bij langdurige rust of onderstimulatie kleiner en zwakker wordt. Voor de hersenen gaat dan ook het bekende ‘use it or lose it’-principe op.


Hoe werkt het ‘use it or lose it’-principe in je brein? 
Bij Use it or lose it komt er op neer dat je brein van een gebrek aan uitdaging of nieuwe prikkels zwakker wordt. Door je brein onvoldoende te gebruiken gaan bepaalde onderdelen langzaam maar zeker minder goed functioneren of zelfs geheel uitvallen. 
In je brein komt dit omdat het overleving als de absolute topprioriteit ziet. De hersenen vertegenwoordigen slechts 2% van je lichaamsgewicht, maar verbruiken liefst 25% van je energie. Daarom zullen ze overbodige hersenverbindingen ‘weggooien’, zodra ze kans zien om energie te besparen. Een lagere energiebehoefte vergroot immers je overlevingskansen. 

De vijand van vooruitgang 
Nu is er op zichzelf niets mis met dit natuurlijke groei- en snoeiproces in het brein. Dat is erop gebouwd om zich optimaal aan te passen aan de omgeving en deze rol vervult het nog steeds met verve. Veel breinproblemen ontstaan echter door onze levensstijl in de huidige maatschappij, die totaal anders is dan de leefwijze waarop onze hersenen miljoenen jaren lang zijn geëvolueerd. 

Daar waar we vroeger onze zintuigen scherpten met jagen en ons geheugen trainden met het vertellen van mythologische verhalen rond het kampvuur, raken we als mensheid tegenwoordig steeds verder verwijderd van de essentie. 


Onze afspraken en taken houden we bij op smartphones en in het buitenland gebruiken we een vertaalapp om de vreemde taal te begrijpen. Hoofdrekenen is grotendeels vervangen door de rekenmachine en in plaats van ons ruimtelijk inzicht gebruiken we een navigatiesysteem om in de auto te navigeren. 

Voor al dit soort zaken moesten we vroeger ons geheugen trainen of een nieuwe vaardigheid leren. Kortom: de omgeving dwong ons brein om zich te ontwikkelen. Inmiddels is dat anders en leven we ons leven comfortabel, maar vaak ook voorspelbaar en op de automatische piloot. 

Hoe kan ik de hersenen het beste trainen? 
Volgens neurowetenschappers ontwikkelt het brein van de meeste mensen zich in de eerste 30 levensjaren. Daarna treedt achteruitgang op, omdat we dagelijks dezelfde handelingen uitvoeren en bijna geen nieuwe vaardigheden meer leren. Hierdoor gaan weinig gebruikte hersenverbindingen verloren en komen er zelden nieuwe verbindingen voor in de plaats. 

Gelukkig zijn er allerlei dingen die we kunnen doen om dit proces van achteruitgang om te keren. De eerste en belangrijkste stap is om niet altijd maar te kiezen voor modern comfort. 

- Neem bijvoorbeeld eens de trap in plaats van de lift, 
- leer de speech uit je hoofd in plaats van hem op te lezen en 
- pak ’s avonds een goed boek erbij in plaats van gedachteloos op social media te scrollen. 

En belangrijker onderneem de belangrijkste kernactiviteiten die de groei van je brein ondersteunen:

- genoeg slapen, 
- gezond eten, 
- regelmatig bewegen,
- voldoende ontspannen en
ontspannende activiteiten voor de hersenen zoals yoga en meditatie. 

Nog één bonustip die niet alleen je brein, maar ook je leven ingrijpend kan veranderen: probeer vaker buiten je comfortzone te treden! Iedere keer dat een situatie nieuw of onwennig aanvoelt, betekent dit dat je hersenen in leermodus gaan. Maak er daarom een sport van om jezelf dagelijks te blijven uitdagen en houd je brein jong, flexibel en in topconditie.

Meer informatie op www.yourbrainbalance.com

woensdag 10 november 2021

Burgerschap - infographic

De VOS/ABB heeft op 10 november 2021 haar visie gepubliceerd op het thema wereldburgerschap. De VOS/ABB is de vereniging voor openbare en algemeen toegankelijke scholen.


Het betreft de visie op de aangescherpte burgerschapsopdracht (Wet ‘Verduidelijking burgerschapsopdracht’: Artikel 17 Actief burgerschap en cohesie). Deze is gebouwd op de kernwaarden van het openbaar onderwijs: gelijkwaardigheid, vrijheid en ontmoeting. 

 

 

Wet ‘Verduidelijking burgerschapsopdracht’: Artikel 17 Actief burgerschap en cohesie

1. Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op: 

(a) het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens, en het handelen naar deze basiswaarden op school;

(b) het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving en;

(c) het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.

 

2. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in het derde lid, onder c, genoemde verschillen.

 

 

Infographic
Om bestuurders, schoolleiders en directeuren in het openbaar onderwijs te begeleiden bij de concretisering van wereldburgerschap is er een infographic (poster) gemaakt. Daarin staan de uitgangspunten voor wereldburgerschap.

De infographic is te downloaden via de onderstaande link:

Meer informatie op www.vosabb.nl