maandag 15 april 2013

Kolb, Caluwé en Vermaak



Leren is een wonderlijk proces dat vaak ongestuurd geschiedt. We halen Kolb hier aan:

Kolb heeft de leercyclus geïntroduceerd: lopend van (1) concrete ervaringen, via (2) observatie en reflectie, en (3) conceptvorming naar (4) testen van implicaties in nieuwe situaties (en dan weer opnieuw naar (1) concrete ervaringen, etc).



Caluwé en Vermaak hebben vier thema’s in het leerproces beschreven, passend bij de fasering van Kolb:

1. van observeren tot waarnemen;
2. van conceptualiseren tot betekenis geven;
3. van experimenteren tot committeren;
4. van ervaren tot (niet) handelen.


Ten aanzien van observeren (1) worden verschillende niveaus van waarnemen onderkend:

onderbewust;
zelfbewust;
bovenbewust. 


Bij conceptualiseren (2) is het goed om het interventiemodel van Feltman (1984) aan te halen. Hij onderscheidt drie dimensies:

monoparadigmatisch interveniëren (‘hoe’-vraag, meer van hetzelfde);
multiparadigmatisch interveniëren (‘waarom’-vraag, zoeken naar andere kaders);
metaparadigmatisch interveniëren (groeien door leren).


Bij experimenteren (3) zien we twee wegen:

de productieve weg: scheppen van structurele spanning;
de contraproductieve weg: oscillatie (‘vechten’ of ‘vluchten’).


Bij ervaren (4) ook weer twee wegen:

handelen (‘de beste manier om eruit te komen is erdoorheen’);
niet handelen (‘touwtjes laten vieren’).



vrijdag 29 maart 2013

Handboek vakdidactiek aardrijkskunde



Dit is de homepage van het handboek vakdidactiek aardrijkskunde.
Klik op de links hieronder om diverse hoofdstukken te lezen of te downloaden (in pdf).


http://www.vakdidactiekaardrijkskunde.nl/onderwijs/lerarenopleiding/handboek/index.php


woensdag 27 maart 2013

Uitdagen van hoogbegaafde kinderen



1. Overtuigd van vaststaande intelligentie

Uit wetenschappelijk onderzoek (onder andere van Carol Dweck) blijkt dat leerlingen die geloven dat hun intelligentie vaststaat uitdagingen uit de weg gaan. Bij hoogbegaafde kinderen is vaak, als positieve bemoediging tegen ze gezegd: “Wat ben je toch slim en snel dat je dat kunt”. Het gevolg van een dergelijk compliment is dat het kind aanleert dat intelligentie blijkbaar vaststaat en je dus iets wel kan (wat ben je slim) of niet kan (en dan zul je wel dom zijn). Een leerling kijkt dan niet meer naar een probleem als een uitdaging, maar als een mogelijke vijand die aan kan tonen dat hij/zij dom is.

Wat doe je hieraan?
Zoveel mogelijk feedback op groei en inzet geven. Beloon de leerling vooral voor getoonde inzet en minder op talent/eindresultaat. Reflecteer ook veel met de leerling op groei door inzet.


2. Gebrek aan motivatie

Door verschillende redenen variërend van tegenvallende uitdaging op school, een lage frustratietolerantie en een gebrek van gevoel van ‘er bijhoren’ raken veel hoogbegaafde leerlingen gedemotiveerd. Het probleem is echter dat het schoolsysteem uitgaat van een langzame opbouw van moeilijkheidsgraad via leer-successen. Wanneer deze cyclus door demotivatie doorbroken wordt is het heel lastig om de leerling weer op gang te krijgen.

Wat doe je hieraan?       
De leerling eerst weer op stoom laten komen op een gebied van eigen interesse. Nadat de leerling weer enige motivatie van ‘iets’ leren toont kun je dit langzaam om gaan buigen naar schoolactiviteiten. Dit dan verbonden aan meer vrijheid om eigen interesses te volgen als de leerling meewerkt en minder wanneer de leerling dwarsligt. 


3. Begrip versus geheugen

Een deel van de hoogbegaafde leerlingen is op jonge leeftijd al in staat veel problemen op te lossen door ze te begrijpen. Waar kinderen van dezelfde leeftijd gedwongen worden om hun geheugen op verschillende manieren te gebruiken en trainen is dit bij deze leerlingen vrijwel niet het geval. Als gevolg hiervan is hun geheugen ongetraind en beschikken ze niet over verschillende strategieën. Als dan later in hun carièrre er plotseling een beroep gedaan wordt op hun geheugen zijn ze hier niet op voorbereid.

Wat doe je hieraan?     
De oplossing is tweeledig. Als je er vroeg genoeg bij bent (de eerste jaren van de basisschool) zorg dan dat je de uitdaging, vooral op geheugengebied, verhoogt voor deze leerlingen. Als je later een leerling onder je begeleiding krijgt, ga ze dan uitdagen om hun geheugen te gebruiken door opdrachten daarop gericht aan te bieden. Tegelijkertijd kun je ze strategieën aanbieden om hun geheugen beter te gebruiken. Kijk hiervoor bijvoorbeeld op "http://www.lereniseenmakkie.nl


4. Samenwerken

'Waarom zou je?' is eigenlijk vaak de eerste vraag. Als je alleen toch een beter resultaat kunt behalen dan samen, waarom zou je dan samenwerken met anderen? Vaak worden de kinderen ook nog bewust gekoppeld aan zwakkere leerlingen waardoor samenwerken helemaal een verliesgevende operatie wordt. Daarnaast missen er soms wat sociaal emotionele vaardigheden om de vertaalslag te maken naar een ander kind.     

Wat doe je hieraan?   
Leer het kind over groepen en interactie. Door reflectieoefeningen over je rol in samenwerken en het benoemen van het verschil kun je het kind helpen bewuster ermee om te gaan. Bespreek ook met het kind het doel van samenwerken.


5. Onder-/Overschatten

De leerlingen die beter begeleid zijn hebben vaak veel verschillende materialen gehad om mee te werken. Soms kan dit echter ook een nadeel zijn. Er is een gebrek aan doorzettingsvermogen. De materialen moeten precies aansluiten op de interesse en het uitdagingniveau van het kind, anders werkt het niet. Als je dan het niveau probeert in te schatten zal het de oefeningen of te moeilijk, of te makkelijk vinden.   

Wat doe je hieraan?    
Laat de leerling duidelijk zien welke stappen er van hem/haar verwacht worden, liefst visueel. Begin vervolgens onderaan en test zo snel mogelijk voor elk niveau of de leerling het objectief beheerst. Zo niet, dan is dat voorlopig het niveau waar de leerling aan moet werken. Bespreek met de leerling dat dingen soms moeilijk zijn en dat de oplossing dan is om door te zetten.


6. Zelfstandig werken

Voor zich uitkijken, tekenen op werkbladen, buurman vervelen, alles behalve starten met de opdracht. Er zijn talloze redenen voor, maar het resultaat is eigenlijk altijd het zelfde: nul.

Wat doe je hieraan?  
Deel van de oplossing ligt in het verlengde van uitdaging 5. Benoem duidelijk de stappen die genomen moeten worden en wat het beginpunt is. Een praktische tip die vaak helpt is om een werkblad in kleinere stappen op te delen. Knip een werkblad in losse opdrachten en geef er één aan de leerling. Wanneer hij hem af heeft en inlevert krijgt hij een nieuwe. Wanneer de laatste af is volgt er een beloning. Bouw van hieruit langzaam de grootte van de opdracht op.


7. Oplopen hiaten

Door het overslaan van klassen, maar ook door het snel doorhebben van ‘truckjes’ kunnen leerlingen soms het idee geven dat ze de stof doorhebben terwijl dit niet het geval is. Dit is echter destructief naar de toekomst toe. Het is immers onmogelijk om te leren machtsverheffen als je vermenigvuldigen echt niet begrijpt.

Wat doe je hieraan?   
Wanneer een leerling problemen heeft met een specifiek onderdeel, test dan door om te zien of hij de onderliggende concepten wel begrepen heeft. Wanneer een leerling bijvoorbeeld problemen heeft met spelling in een Frans werkstuk, controleer of hij zij de werkwoordsvervoegingen überhaupt wel kent.     


maandag 25 maart 2013

Een handelingsplan


Een school kan een handelingsplan opstellen voor de leerling indien een leerling extra onderwijszorg nodig heeft. In enkele gevallen wordt een handelingsplan opgesteld voor een groep leerlingen.

In het handelingsplan geeft de school aan:
  • welke doelen zij nastreeft, 
  • op welke termijnen en 
  • op welke manier zij de middelen inzet om deze doelen te bereiken. 

Een handelingsplan heeft meestal  betrekking op een korte periode (tussen de 6 weken en 3 maanden) en betreft een specifieke aanpak voor één leerling, namelijk wat, hoe, wanneer, door wie en waar zal plaatsvinden.

Het handelingsplan dient regelmatig herzien en zo nodig bijgesteld te worden. Ouders moeten altijd op de hoogte zijn van de extra hulp en aanpassingen die er mogelijk zijn voor hun kind en van wat zij eventueel thuis kunnen doen.

In het handelingsplan staat in elk geval:
  • de beginsituatie van de leerling 
  • de onderwijsdoelen die de school voor de leerling nastreeft 
  • welke maatregelen de school neemt om die doelen te bereiken 
  • welke externe deskundigen de school inschakelt, 
  • welke speciale voorzieningen worden getroffen en 
  • de manier waarop de school de vorderingen van de leerling volgt en registreert 

In het handelingsplan kan verder staan:
  • op welke manier en hoe vaak ouders en school overleg voeren 
  • wie het initiatief neemt voor dit overleg 
  • hoe de ouders op de hoogte blijven van de vorderingen van hun kind 


Interculturally competent


Cultural dimensions and interculturally competent.


http://www.lift-report.de/index.php/news/113/389/Interculturally-competent



Developing Competency and Skills in an Intercultural Society.

http://www.docstoc.com/docs/74133608/Developing-Competency-and-Skills-in-an-Intercultural-Society

zondag 24 maart 2013

Pesten

We spreken van pesten als dezelfde persoon regelmatig en systematisch bedreigd en geïntimideerd wordt. Pesten is een vorm van geweld en daarmee grensoverschrijdend en zeer bedreigend.


Hoe wordt er gepest? 
  • Met woorden (vernederen, belachelijk maken, schelden, dreigen, met bijnamen aanspreken, gemene briefjes, digitaal pesten), 
  • Lichamelijk (trekken aan kleding, duwen en sjorren, schoppen en slaan, krabben en aan haren trekken, wapens gebruiken), 
  • Achtervolgen: opjagen en achterna lopen, in de val laten lopen, klem zetten of rijden, opsluiten)
  • Uitsluiting (doodzwijgen en negeren, uitsluiten van feestjes, bij groepsopdrachten)
  • Stelen en vernielen (afpakken van kledingstukken, schooltas, schoolspullen, kliederen op boeken, banden lek prikken, fiets beschadigen)
  • Afpersing (dwingen om geld of spullen af te geven, het afdwingen om iets voor de pestende leerling te doen)


Pesten is een wezenlijk en groot probleem. Pestgedrag is schadelijk tot zeer schadelijk voor kinderen, zowel voor de slachtoffers als voor de pesters. De omvang en zwaarte van het probleem leiden tot de noodzaak van een aanpak door alle opvoeders van jongeren, in het bijzonder door de ouders en door de leerkrachten.


Wie heeft welke rol bij het pesten?

  • Wie wordt gepest? De gepeste.
  • Wie begint altijd met jou te pesten? De pester.
  • Wie doen altijd mee als iemand jou begint te pesten? De meeloper.
  • Wie zijn er altijd bij als je gepest wordt? De middengroep.
  • Welke klasgenoten helpen jou als je gepest wordt? De verdediger.
Bij pesten is veelal sprake van meerdere partijen. 

De gepeste

Een kind dat wordt gepest, praat er thuis en op school niet altijd over. Redenen hiervoor 

kunnen zijn:

  • schaamte
  • angst dat de ouders met de school of met de pester gaan praten en dat het pesten dan nog erger wordt
  • het probleem lijkt onoplosbaar
  • het idee dat het niet mag klikken.

De pester

Pesters zijn vaak de sterkeren in hun groep. Zij zijn of lijken populair maar zijn dat  uiteindelijk niet. Ze dwingen hun populariteit af door stoer en onkwetsbaar gedrag. Van  binnen zijn ze vaak onzeker en ze proberen zichzelf groter te maken door een ander kleiner te maken.

Pesten kan een aantal oorzaken hebben:

  • Een vaak gevoelde anonimiteit (ik besta niet); als een pester zich verloren voelt binnen een grote groep, kan hij zich belangrijker maken door een ander omlaag te drukken. 
  • Het moeten spelen van een niet-passende rol.
  • Een voortdurende strijd om de macht in de klas.
  • Een niet-democratisch leefmilieu binnen de school; iemand is autoritair en laat op een onprettige wijze blijken dat hij de baas is. Dergelijke spanningen kunnen op een zondebok worden afgereageerd.
  • Een gevoel van incompetentie op school (slechte cijfers of een laag niveau)
  • Een zwak gevoel van autonomie (te weinig zelfstandigheid en verantwoordelijkheid) of juist een te sterk gevoel voor autonomie.
  • Een negatief zelfbeeld, weinig eigenwaarde.
  • Een problematische thuissituatie, negatief voorbeeldgedrag van ouders/verzorgers.


Meelopers

Meelopers zijn omstanders die incidenteel actief of passief meedoen met het pesten. Dit gebeurt meestal uit angst om zelf in de slachtofferrol terecht te komen, maar het kan ook zo zijn dat meelopers stoer gedrag wel interessant vinden en dat ze denken in populariteit mee te liften met de pester. Verder kunnen leerlingen meelopen uit angst vrienden of vriendinnen te verliezen.

De groep meelopers bestaat uit diverse subgroepen:

  • de leerlingen die met de pester meepesten, omdat ze bang voor hem/haar zijn, 
  • de leerlingen die mee pesten, omdat ze er beter van (denken te) worden, 


De middengroep

De meeste leerlingen houden zich afzijdig als er wordt gepest. Ze voelen zich wel vaak schuldig over het feit dat ze niet in de bres springen voor het slachtoffer of hulp inschakelen. Het is belangrijk deze leerlingen tot helpers te maken.


De zwijgende middengroep bestaat uit diverse subgroepen:
  • de leerlingen die niet mee pesten, maar ook niets doen om een einde te maken aan het gedrag van de pester,
  • de enkeling die niet ziet dat er in de klas wordt gepest,


De verdediger

In de middengroep zit ook de enkeling met een hoge sociale status in de groep die (het af en toe) voor het slachtoffer opneemt.







De vijfsporenaanpak

Zoals gezegd zijn bij pesten vijf partijen te onderscheiden, om welke reden een vijfsporenaanpak van het probleem een logische lijkt te zijn. De aanpak bestaat uit de volgende activiteiten: mobiliseren van de zwijgende middengroep, hulp aan de pester, professionalisering van leerkrachten, professionalisering van ouders, en hulp aan het gepeste kind.


1. Mobiliseren van de zwijgende middengroep

2. Hulp aan de pester

3. Professionaliseren van leerkrachten

4. Professionaliseren van ouders

5. Hulp aan het gepeste kind



Cyberpesten

Cyberpesten, digitaal pesten of digipesten is het pesten op het internet. Omdat je elkaar bij digitaal pesten niet kunt zien, is het heel gemakkelijk om iemand te pesten zonder dat die ander weet dat jij het bent die dat doet.

Meer informatie m.b.t. cyberpesten kun je vinden via:

http://www.slideshare.net/raoulteeuwen/cyberpesten




No blame aanpak bij pesten - stappenplan

Inleiding

De No Blame aanpak is een niet bestraffende, probleemoplossende methode om met pestsituaties om te gaan. Er wordt beroep gedaan op het inlevingsvermogen van de groep en op de persoonlijke verantwoordelijkheid van elke deelnemer.

No Blame gaat ervan uit dat (dreigen met) straffen niet helpt, maar dat de pester(s) en de gepeste het probleem samen moeten oplossen. Omdat het de verantwoording van volwassenen is om voor veiligheid te zorgen, moeten zij de gesprekken ondersteunen.




De uitgangspunten: 

Voordat je begint wel de onderstaande uitgangspunten bestuderen.


A. Pesten is normaal 

  • Je kan het niet goedpraten, wel begrijpen 
  • Zal altijd deel uitmaken van de maatschappij 
  • Pester moet de kans krijgen om te erkennen dat er een probleem is 
  • Pester moet hulp krijgen om tot probleembesef te komen 


Pester op basis van vertrouwen benaderen 


B. Pesten is een groepsprobleem 

  • Soms werkt pester alleen, meestal in groep 
  • Groepsprobleem : groepje pesters, helpers en toeschouwers 
  • Groep ondersteunt pesten en laat het toe 
  • Groep heeft de macht het pesten te melden en te veroordelen 
  • Gedrag van de pester wordt minder interessant als hij geen steun meer krijgt van de groep 


Groep inschakelen in het zoeken naar een oplossing 
Groep wordt uitgedaagd om het probleem op te lossen 


C. No Blame steunt op het vergroten van de empathie

  • Pesters hebben problemen om zich in te leven in gevoelens van anderen 
  • Pesters beseffen niet wat gevolgen zijn van hun gedrag 


Empathische reacties uitlokken om zo andere kinderen te stimuleren 


D. De gevoelens en niet de feiten staan centraal 

  • Nadruk ligt steeds op het slechte gevoel van het slachtoffer, niet op de feiten 
  • Pesters voelen zich minder terecht gewezen 


De kans bestaat dat de empathie van de pester wordt aangewakkerd 


E. Klemtoon ligt op het probleemoplossend karakter 

  • Kinderen bij de aanpak betrekken bevordert de positieve sfeer 
  • Niemand wordt boos 
  • Zoektocht naar de oplossing staat centraal


Maar wat is pesten eigenlijk?
  • Regelmatige, vervelende gebeurtenissen en/of handelingen ontstaan: het hoeft niet om spectaculaire toestanden te gaan, het is juist het beklemmende van de regelmaat dat de doorslag geeft. Het slachtoffer kent zelden echte rust als de pesters ergens in de buurt zijn. 
  • Er is sprake van pesten als spreekwoordelijk onophoudelijke druppels op hetzelfde hoofd vallen.
  • Macht van de pester(s) staat tegenover de onmacht van het slachtoffer  van groot belang is de beleving van het slachtoffer: die voelt zich onmachtig, de buitenwereld ziet het vaak anders (“hij/zij moet maar wat … reageren”, “hoe is het mogelijk dat hij/zij dat toelaat”) 
  • Geen respect voor grenzen: de pesters zullen zelden een “nee” of een “stop daarmee” echt accepteren. 
  • Pesters hebben meestal een laag ontwikkeld empatisch vermogen. Ook al weten ze dat ze iets verkeerds doen, ze zullen zelden het effect van hun daden kunnen inschatten en beseffen meestal de ernst er niet van. 
  • Pesten is een groepsprobleem, dat betekent dat een individu zelden tot nooit het probleem kan oplossen, want een individu kan niet winnen van een groep. De groep moet in actie komen.

Omschrijving van de betrokkenen 

Pesters (veroorzakers, daders) 
  • Pesters vind je overal. 
  • Fysiek of verbaal sterker dan het slachtoffer, het is een slechte verliezer die op zoek is naar macht en naar waardering van de groep. Hij doet zich zelfzeker voor maar is dat daarom niet. 
  • Weinig respect hebben voor grenzen en zich moeilijk kunnen inleven in de gevoelens van anderen. Ze hebben dan ook weinig gewetensproblemen bij hun pestgedrag. In sommige gevallen vinden ze dat het slachtoffer er om vraagt. 
  • Zich niet bewust zijn van de gevolgen voor de slachtoffers, ze zien hun gedrag zelf niet als pesten. Veel pesters schrikken als ze horen welke gevolgen hun gedrag heeft teweeggebracht. Er bestaat geen éénduidige oorzaak waarom kinderen pestgedrag vertonen. Uit verschillende onderzoeken worden wel een aantal verbanden duidelijk. Kinderen die weinig aandacht van hun opvoeders krijgen, die zelf fysiek worden gestraft en die  voor hun eigen agressie niet worden gecorrigeerd, lopen een grote kans om te gaan pesten. Ook zelf  gepest worden lijkt vaak een oorzaak voor pestgedrag. En niet onbelangrijk is het voorbeeldgedrag  van volwassenen. ‘Als een vader tijdens de voetbalwedstrijd van zijn zoon langs de lijn de scheidsrechter allerlei nare ziektes toewenst, is het niet verwonderlijk dat zijn kind dit gedrag op het schoolplein imiteert.’


Gepeste (doelwit, slachtoffer) 
  • Wijkt meestal af van één of andere groepsnorm. Dit is echter enkel een excuus voor de pester, want niet iedereen die afwijkt van een norm wordt gepest. Omgekeerd kan het ook gebeuren dat een kind dat schijnbaar goed in de groep ligt plots uitgekozen wordt als doelwit.
  • De tolerantiegrens van de kinderen verschillend is. Daar waar de ene plagerijen of pesterijen zal weglachen en relativeren, zal de andere gekwetst achterblijven en op die manier een weerloze indruk maken die misschien nog meer ‘uitnodigt’ tot pesterijen.
  • Zijn gemiddeld fysiek zwakker, kunnen zich niet goed verdedigen, hebben weinig vrienden en voelen zich daardoor erg eenzaam.
  • Missen vaak een aantal sociale vaardigheden, zijn onzeker en komen niet voldoende voor zichzelf op. Daarbij zien we soms ook linken met een opvoedingssituatie waarbij het kind overbeschermd wordt Toch kan nooit worden gesteld dat kinderen pestgedrag uitlokken. Geen enkel kind wil bewust gekwetst worden. Bovendien houdt deze stelling in dat het pestgedrag geminimaliseerd of goedgepraat wordt.


De groep (meelopers, toeschouwers, helpers)
  • Dikwijls een groepsgebeuren. 
  • ‘Neutrale’ toeschouwers. Zij zeggen of doen vaak niets uit angst om zelf het doelwit van pesterijen te worden en zo ook uit de groep te vallen. 
  • Door niet te reageren maken ze onbewust duidelijk dat ze het gedrag toestaan,. In deze houding schuilt echter het gevaar dat deze kinderen onverschillig en hard worden voor het leed van anderen, waardoor hun empathie afneemt. 
  • Naast de neutrale toeschouwers zijn er ook soms kinderen die de pester helpen bij zijn pestgedrag en zijn er, gelukkig, ook kinderen die partij durven kiezen voor het slachtoffer. Ook al komt hun hulp of hun besef soms te laat. 

In het onderstaande schema wordt een uitgebreid overzicht gegeven van de mogelijk betrokken leerlingen in geval van pestgedrag.





De No Blame-benadering


De No Blame aanpak heeft niet tot doel de feiten in vraag te stellen. Evenmin wordt de pester beschuldigd of gestraft. De groep krijgt de verantwoordelijkheid een aantal voorstellen te doen om het negatieve gevoel bij het slachtoffer weg te nemen of te verminderen.
De basisprincipes zijn:

  • Het pesten moet stoppen 
  • Iedereen is verantwoordelijk 
  • Niemand wordt gestraft

Zeven stappen

De no blame-methode werkt volgens een stappenplan. De No Blame-benadering bestaat uit zeven stappen:






1. [Interview] Een gesprek met het slachtoffer. 
Het gaat er hierbij om dat de begeleider er achter komt door wie de gepeste leerling wordt belaagd. Wie nemen het voortouw; wie zijn de volgers? Maar vooral ook: wat gebeurt er intern, in het hoofd, van het slachtoffer. Wat is het effect op hem als persoon van wat hem overkomt? Focus je op het gevoel van de leerling. Feitelijkheden zijn minder belangrijk. Vraag de leerling als 'huiswerkopdracht' tot uitdrukking te brengen hoe hij zich voelt (opstel, tekening, gedicht) En vraag of je dit product met andere leerlingen mag bespreken. Licht de ouders van de gepeste leerling en van de meest betrokken leerlingen in over je aanpak en vraag of zij erachter kunnen staan. Als dat zo is, kun je de volgende stappen zetten.

Een korte samenvatting van de verschillende stappen:


  • informatie vragen, geen details over wat er juist gebeurd is, 
  • vraag naar beleving, gevoelens van het slachtoffer, 
  • uitleg over aanpak, nadruk op niet-bestraffende aspect, vraag toestemming, 
  • bespreek samen de namen om de groep samen te stellen, 
  • vraag wat je wel of niet mag vertellen over de beleving van het slachtoffer, 
  • vraag eventueel naar een verhaal of een tekening over het gevoel van het slachtoffer, 
  • aangeven dat je steeds bereikbaar blijft voor het slachtoffer



2. [Bijeenkomst met een groep buddies
Organiseer een gesprek met betrokken leerlingen (bij voorkeur 6 tot 8 leerlingen).
De begeleider heeft een bijeenkomst met het groepje leerlingen dat tijden het gesprek met het
doelwit gekozen is. Pesters, meelopers zowel als leerlingen met een positieve groepsinvloed. Let op: het slachtoffer doet hieraan niet aan mee.

Een korte samenvatting van de verschillende stappen:

  • bestaat uit pesters, meelopers, vrienden en /of positief ingestelde jongeren, 
  • het slachtoffer is niet aanwezig, dit kan de probleemoplossende aanpak bemoeilijken.




3. [Situatie schetsen en uitleg geven aan de buddies
Leg het probleem uit. De begeleider vertelt hoe het slachtoffer zich voelt. De begeleider treedt absoluut niet in details, noch verliest hij zich in ja/nee-discussies rond incidenten of beweerde feiten. Er wordt niet beschuldigd, noch worden er daders aangewezen. Leg de situatie op tafel zonder ook maar iemand te beschuldigen. De situatie is dat een klasgenoot zich op dit moment doodongelukkig voelt. Vertel dat niemand (op dit moment, naar aanleiding van deze situatie) bang hoeft te zijn voor straf, represailles. Iedere beschuldiging draagt de kiem in zich voor hernieuwd intensiever en ondergronds pesten.

Een korte samenvatting van de verschillende stappen:

  • vertel aan de groep dat je een probleem hebt,
  • gebruik eventueel het verhaal of de tekening van het slachtoffer, 
  • praat niet over details van gebeurtenissen, 
  • beschuldig niemand, 
  • duidelijk maken dat er een probleem is dat moet opgelost worden.



4. [Verantwoordelijkheid uitdelen
Een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De begeleider zegt dat in een groep ieder medeverantwoordelijkheid is voor hoe anderen zich voelen. En dat iedereen er een bijdrage aan kan leveren hoe anderen zich voelen. Sterker nog; iedereen heeft altijd invloed. Als jij stil, rustig bent en je nooit ergens mee bemoeit, heb je ook invloed.

Een korte samenvatting van de verschillende stappen:


  • zeg duidelijk dat niemand in de problemen zit of gestraft wordt, 
  • elk groepslid kan bijdragen aan de oplossing, 
  • zij hebben het meeste contact met het slachtoffer, dus de beste kansen om het pesten te stoppen.




5. [Voorstellen laten formuleren] 
De begeleider vraagt alle deelnemers om met ideeën te komen die er toe bijdragen dat de leerling die besproken wordt, zich gelukkiger gaat voelen.
Dit kan er toe leiden dat de leerlingen tips hebben voor het slachtoffer. De begeleider complimenteert dit en vraagt of hij deze tips mag overbrengen aan het slachtoffer. Er vindt dus een omkering plaats: de leerlingen geven tips aan het slachtoffer en krijgen te horen 'fijn dat jullie meedenken en dat jullie op deze manier de ander helpen'. Daarna kan de begeleider zeggen: 'fijn dat ik die tips van jullie mag overbrengen. Dat ga ik doen. Maar zijn er ook dingen die jullie kunnen en willen doen om er voor te zorgen dat de ander zich prettiger voelt? De begeleider moedigt aan en geeft positieve feedback, maar waakt er voor de leerlingen beloftes tot gedragsverbetering af te dwingen.

Een korte samenvatting van de verschillende stappen:


  • alle positieve voorstellen aanvaarden (niets doen is ook een positief voorstel!) 
  • vraag om het concreet te maken, ‘Hoe ga je dat doen?’ 
  • aandacht voor de ‘ik-taal’ (wees niet tevreden met algemene uitspraken), 
  • intenties kunnen opgeschreven worden.




6. [Een proeftijd van zeven dagen afspreken
Een proeftijd van zeven dagen afspreken waarin de buddies de kans krijgen om hun voorstellen uit te voeren. Laat het probleem verder aan de groep over.
Geef de leerlingen (en jezelf!) verantwoordelijkheid, rust en invloed. Spreek met hen af dat je later terugkomt op het probleem. Bedank hen voor het feit dat zij meedenken en meehelpen.

Een korte samenvatting van de verschillende stappen:

  • leg de verantwoordelijkheid bij de groep; zij alleen kunnen het probleem oplossen, 
  • bedank hen en geef ze duidelijk vertrouwen, 
  • vertel dat je hen na één week individueel wil spreken (je blijft bereikbaar).




7. [Evaluatie van de leerlingen na één week]
Organiseer een evaluatie met gepeste en alle groepsleden apart omtrent de voorgaande zeven dagen. Ingeval de gepeste geen verbetering ervaart, worden de stappen herhaald.

Vraag alle leerlingen die je eerder hebt gesproken, inclusief de gepeste leerling, na een week of twee, hoe de zaken nu lopen. Wat is er verbeterd? Doe hiervan verslag aan de ouders van de gepeste leerling en de meest betrokken ouders.

Een korte samenvatting van de verschillende stappen:

  • laat elk lid afzonderlijk vertellen over zijn bijdrage, 
  • gebruik de kernvragen: hoe is het nu, is het gestopt, ben je tevreden, enz. 
  • indien het slachtoffer niet helemaal tevreden is, kan de procedure herhaald worden. 



Doe de onderstaande dingen in ieder geval niet:


  • Labels “plakken”: een pester wordt soms slachtoffer en omgekeerd, sommige situaties zijn zo complex dat een pester tegelijk slachtoffer is. Bovendien geef je geen enkel gedragsalternatief door iemand als pester of meeloper of slachtoffer te bestempelen. Integendeel, je versterkt de bestaande positie. 
  • De “waarheid” zoeken: dit is een heel moeilijke “politie-techniek”waar heel specifieke vaardigheden en strategieën bijhoren. Vraag maar eens aan twee mensen die hetzelfde hebben meegemaakt om een objectief verslag te geven… In een pestsituatie speelt dan ook nog eens mee dat de pester er meestal alle belang bij heeft om te liegen en het slachtoffer ook (die is bang voor wraak). 
  • Het slachtoffer willen veranderen. Een jongere die assertief is, heeft misschien wat meer kans om niet gepest te worden, maar het is geen garantie. Een pester heeft trouwens ook nood aan meer assertiviteit, want die gedraagt zich agressief. Preventief werken aan assertiviteit (ik ben OK, jij bent OK) is dus voor alle jongeren zinvol. Een slachtoffer heeft meestal geen boodschap aan allerlei pogingen om hem/haar te veranderen. Ten tweede geef je de akelige boodschap dat het slachtoffer verantwoordelijk is en dat is in pestsituaties nooit het geval. 
  • Wat kan dan wel? Nadat het pesten gestopt is, kan je een slachtoffer indien nodig trainen in socio-emotionele vaardigheden (pesters, meelopers en de klas kunnen eveneens extra begeleiding krijgen in sociale vaardigheden). 
  • Straffen: straf nooit omdat er gepest wordt, het is een gevaarlijke ingreep die het slachtoffer meestal nog meer in gevaar brengt, bovendien geef je de pester de boodschap dat wie de  meeste macht heeft, wint… en pesters houden al zo van het gevoel van macht dus… 


Pestcoördinator 

Zoals reeds gezegd gaat No blame ervan uit dat (dreigen met) straffen niet helpt, maar dat de pester(s) en de gepeste het probleem samen moeten oplossen. Omdat het de verantwoording van volwassenen is om voor veiligheid te zorgen, moeten zij de gesprekken ondersteunen. Het is dan ook handig dat er op school of op het werk een pestcoördinator aangesteld wordt. Die zorgt ervoor dat pester(s) en omstanders onder zijn begeleiding met elkaar gaan zoeken naar mogelijkheden om het gepeste kind weer veilig en met plezier naar school te laten gaan. Hier volgt dan wat later een evaluatiegesprek over.

Meer informatie via http://www.noblame.nl/ en http://www.vbsdelinde.be/2009/sites/default/files/5file/1215109068_uitgangspunten_en_stappenplan_no_blame.pdf.