dinsdag 6 mei 2014

Mindset bij leerlingen - vragenlijst en complimentenlijst

Vragenlijst om de mindset bij leerlingen te onderzoeken d.m.v. een aantal stellingen: 

Stellingen

1. Als ik voor een proefwerk van een nieuw vak een dikke onvoldoende heb gehaald, ga ik voor het volgende proefwerk niet zo veel meer doen.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


2. Ik ben geboren met een bepaalde hoeveelheid intelligentie en kan er weinig aan doen om die te veranderen.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


3. Ik vind het fijn als ik iets voor elkaar krijg wat me eerder niet lukte.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


4. Als mensen meer weten of kunnen dan ik, denk ik dat ze er harder voor gewerkt hebben.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


5. Ik kan wel nieuwe dingen leren, maar mijn basisintelligentie kan ik niet echt veranderen.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


6. Ik vind het fijn (niet erg) om kritiek te krijgen. Van fouten maken kan ik veel leren.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


7. Ik vind het fijn als ik iets snel af heb en het is goed.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


8. Er zijn vakken die ik gewoon niet kan.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


9. Als leerlingen een hoger cijfer halen dan ik, kan ik wat van ze leren, omdat ze het waarschijnlijk beter hebben aangepakt dan ik.  


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


10. Ik denk dat je als je talent hebt minder hard hoeft te werken.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


11. Ik vind het fijn als ik lang met een lastig onderwerp bezig ben en het uiteindelijk begin te begrijpen.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


12. Ik vind fouten maken helemaal niet leuk.  

1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


13. Ik ga graag een uitdaging aan.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


14. Ik stel vragen als ik iets niet begrijp.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


15. Ik vind het fijn om ergens beter in te zijn dan anderen.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


16. Ik denk dat je het talent voor bepaalde vakken meekrijgt van je vader en/of moeder.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


17. Ik denk regelmatig: “Dat kan ik niet. Dat is te moeilijk.”


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


18. Ik denk dat je je persoonlijkheid (hoe je bent) kunt veranderen.  

1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


19. Als ik mag kiezen, kies ik het liefste de gemakkelijkste opdracht.  

1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij


20. Er zijn vakken/ is een vak waarin ik de beste ben.


1
2
3
4
5

Past helemaal niet bij mij
O
O
O
O
O
Past helemaal bij mij





Complimentenlijst

Onderstaande aandachtspuntenlijst kunnen docenten gebruiken om leerlingen heel gericht
complimenten te geven op gedragsaspecten die belangrijk zijn in de motivatie.

Verantwoordelijk (responsible)
Beginner
Gevorderde
Expert
Zelfstandig werken



Goede werkhouding en concentratie



Heeft de taak af



Helpt anderen bij het leren



Leidt anderen niet af



Doorzettingsvermogen (determined)



Doet dappere poging



Blijft positief



Gaat uitdaging aan



Zelf de oplossing gevonden



Geeft niet op, blijft betrokken



Vindingrijk (resourceful)



Toont eigen initiatief



Ziet creatieve/ alternatieve oplossingen



Heeft goede vragen gesteld



Gebruikt hulp van klasgenoten



Doordenkend (deeper thinker)



Geeft weldoordacht antwoord



Heeft goed plan van aanpak/ planning



Heeft feiten/ bewijs verzameld



Kan denkstappen goed verwoorden



Kan nieuw probleem oplossen



Zelfinzicht (reflective)



Gaat gemotiveerd aan de slag



Stelt vragen



Leert van fouten/ feedback



Reflecteert op eigen werk(houding)



Controleert gemaakt werk (volledigheid en kwaliteit)





[ Bron: http://www.schoolaanzet.nl/fileadmin/contentelementen/school_aan_zet/Leerlingen_materiaal_groei-mindset_kleiner.pdf ]

Onderpresteren

Onderpresteren 
Onderpresteren wil zeggen dat de prestaties (veel) lager liggen dan op grond van de capaciteiten van de leerling verwacht wordt. Er is dus sprake van een discrepantie tussen aanleg en prestatie. Onderpresteren komt voor op alle niveaus. Een gemiddelde leerling die erg zwak presteert is dus ook een onderpresteerder. 



    Hulpvragen 
    Welke hulpvragen kun je stellen om onderpresteerders te herkennen? 

    • Waar herken je ze aan? 
    • Wat zeggen ze? 
    • Hoe ga je nu met ze om? 
    • Welke verwachtingen heb je van ze? Waar blijkt dat uit?
    • Welke gedrag vertonen ze? In de les/ daarbuiten? 
    • Hoe reageren ze op feedback? 
    • Welke emoties neem je waar? 
    • Hoe reageert de omgeving op het leergedrag?
    • Hoe motiveer je ze? 
    • Wat doe je wel, wat beslist niet?
    • Welke oordelen kom je bij jezelf tegen over deze leerlingen?
    • Wanneer neig je tot afhaken of opgeven?


    Positieve kenmerken
    Vaak gaat het alleen over de negatieve kenmerken van onderpresteerders. Maar zij hebben zeker ook positieve kenmerken. Zoals:

    • Ze hebben ongewone interesses en een levendige verbeelding.
    • Ze lezen vaak veel in hun vrije tijd en hebben een grote feitenkennis.
    • Ze komen in een één-op-één-gesprek welbespraakt en intelligent naar voren.
    • Ze begrijpen en onthouden informatie goed als ze geïnteresseerd zijn.
    • Ze zijn gevoelig.
    • Ze hebben een grote ontdekkingsdrang en creativiteit.


    Negatieve kenmerken
    In het algemeen zijn de volgende zaken kenmerkend:

    • Ze leveren weinig inspanning en zijn niet gewend moeite te doen om succes te behalen.
    • Zij hebben geen of weinig doorzettingsvermogen en zelfdiscipline. Ze zijn moeilijk aan het werk te krijgen en vinden het lastig om een taak vol te houden.
    • Ze maken onnodige fouten. Er zit een neerwaartse lijn in hun prestaties.
    • Ze bereiden hun huiswerk niet of nauwelijks voor.
    • Ze hebben slechte leer/werkstrategieën en een hekel aan automatiseren.
    • Ze verzetten zich tegen autoriteit.
    • Ze zijn snel afgeleid en hebben een slechte concentratie. Ze hebben hun aandacht niet bij de les of zijn met andere dingen bezig.
    • Ze wijzen verantwoordelijkheid af en nemen geen verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag.
    • Ze hebben een sterke externe locus of control: ze zoeken de oorzaak van slechte resultaten buiten zichzelf.
    • Ze hebben een negatief zelfbeeld en zelfvertrouwen. Ze zijn zelf ook ontevreden over hun prestaties.



    Soorten onderpresteerders
    Er zijn twee soorten onderpresteerders: relatieve en absolute onderpresteerders. Bij relatief onderpresteren behaalt de leerling lagere scores dan op grond van zijn capaciteiten verwacht mag worden, maar ze liggen nog wel op het klassenniveau. Dit is vaak het geval bij kinderen die niet erg willen opvallen. Het komt vooral voor bij meisjes. Bij absoluut onderpresteren behaalt de leerling resultaten die zelfs onder het klassenniveau liggen. Dit komt vooral voor bij jongens.


    Beeld van leren
    Onderpresteerders hebben een verwrongen idee van wat leren inhoudt. Het beeld van leren hoort te zijn: Iets wat ik nog niet weet of kan, dat ga ik oefenen, zodat ik het daarna (beter) beheers. In de gedachten van onderpresteerders is dit verandert in: Iets wat ik al weet en kan, nog vele malen herhalen, zonder dat het iets toevoegt aan mijn beheersing.
    Oorzaken

    Er kunnen verschillende oorzaken zijn waarom kinderen gaan onderpresteren. Bijvoorbeeld:

    • Een gebrek aan uitdaging, bijvoorbeeld als een leerling lange tijd onder zijn niveau werkt en geen faalervaringen heeft. Dit zorgt voor verveling.
    • Een gebrek aan motivatie. Dit kan het gevolg zijn van te weinig uitdaging in de taken, maar het kan ook aan de leerling zelf of aan de thuisomgeving liggen. Vaak is er sprake van een combinatie.
    • Aanpassingsgedrag. Als een leerling niet wil opvallen tussen zijn leeftijdsgenoten, dan kan onderpresteren als verdedigingsmechanisme ingezet worden, om geen uitzondering te zijn en geaccepteerd te worden door de groep. Ze willen geen jaloezie en proberen daarom onzichtbaar te zijn.
    • Een slechte leer/werkstrategie.
    • Emotionele problemen.



    Gevolgen
    Vaak krijgen onderpresteerders een verkeerd of negatief zelfbeeld. Het kind ervaart dat het niet aan de verwachtingen voldoet. Hij voelt zich een "loser", omdat hij anderen teleurstelt. Ouders, kind en school moeten een actieve rol spelen om dit zelfbeeld te verbeteren. Onderpresteerders kunnen depressief, perfectionistisch of faalangstig worden. Sommigen ontwikkelen angsten en krijgen buikklachten. Ze kunnen in een sociaal isolement terechtkomen.
    Begeleiding op school

    De basis voor de oplossing is een goede relatie met de leerling. Onderpresteerders hebben begeleiding nodig om te leren leren. Verder moet de leerkracht ervoor zorgen dat de leerling merkt:

    • Dat hij/zij er net zo goed mag zijn.
    • Dat het de leerkracht veel kan schelen wat hij/zij doet en hoe.
    • Dat er andere kinderen zijn met wie hij/zij de competentie kan delen en meten.
    • Dat de eigen activiteit aansluit bij wat het kind nog wil en moet leren.


    Als een onderpresteerder helemaal vastgelopen is, kan het zinvol zijn om dit te doorbreken door de leerling tijdelijk uit de klas te halen. Geef de leerling een coach, iemand uit het team. Laat de leerling twee weken kiezen welke vakken hij wil volgen in welke klas, zodat hij weer leerplezier krijgt. Laat de leerling dan langzamerhand teruggaan naar de klas met meer verrijking en ruimte voor eigen onderwerpen.


    Verrijkingstof
    Verrijking voor onderpresteerders kan op de volgende manieren:

    • Leren leren. Dit kan door een studievaardighedentraining en door vreemde talen, zoals Spaans.
    • Leren denken. Dit kan door het aanbieden van denksport en programmeren.
    • Leren leven. Dit kan een sociale vaardighedentraining zijn, maar hier valt ook expressie, muzikale vorming en filosofie onder.
    • Spelletjes, zoals Set, Rush hour, Rubik’s snake en Transposer. Hierbij kunnen de kinderen een strategie ontwikkeling.


    Do’s
    Een aantal tips voor de docent:

    • Leg uit waarom ze iets moeten leren.
    • Probeer hun denkstrategie te koppelen aan een gangbare strategie.
    • Wissel procesfeedback af met productfeedback.
    • Bemoedig de poging en het proces meer dan het resultaat. Als de leerling leert om zich ergens voor in te spannen en door te zetten, dan is er een basis gelegd.
    • Beschrijf bij positieve feedback wat je goed vindt.
    • Leer de leerling fouten durven maken.
    • Wissel veiligheid en ondersteuning af met terughoudendheid en aanmoediging om fouten te maken.
    • Beloon inspanning.
    • Train metacognitieve vaardigheden. Dit verschaft inzicht en werkt indirect.
    • Geef hen aangepaste activiteiten, waarbij ze ook contact hebben met ontwikkelingsgelijken.

    Maar het belangrijkste is preventie. Voorkomen is altijd beter dan genezen.


    Don’ts
    Er zijn ook een aantal dingen die de docent beter niet kan doen.

    • Kijk niet alleen naar het resultaat kijken, maar juist naar het proces.
    • Zeg niet: ‘Wat ben je slim!’. Op het moment dat een poging of taak mislukt, denkt de leerling dan dat hij niet meer slim genoeg is. Het gaat om de inzet.
    • Straffen heeft weinig zin. Onderpresteerders zoeken de oorzaak van de slechte prestaties buiten zichzelf, dus dan heeft straffen niet het gewenste effect.
    • Omkopen. Onderpresteerders hebben de neiging om de beloning te verkleinen en ze vinden vaak wel een goede reden om toch niet aan de slag te gaan. Omkopen doet bovendien geen beroep op de intrinsieke motivatie.

    [ bron: http://wij-leren.nl/artikel-onderpresteren.php ]
    [ bron: http://www.schoolaanzet.nl/fileadmin/contentelementen/school_aan_zet/Training_Groei-mindset_docenten_kleiner.pdf ]

    maandag 5 mei 2014

    Open en nieuwsgierige houding


    Het gaat om een open en nieuwsgierige houding en een bereidheid om ‘opzij te stappen’. Immers, ‘we kunnen niet naar de ander luisteren zonder tijdelijk achter onze eigen overtuiging een vraagteken te zetten. Dit betekent niet twijfel aan eigen ideeën, maar een aanzet tot een gemeenschappelijke ruimte, een tijdelijke ruimte om te kunnen luisteren en de ander te kunnen naderen’.

    [Bron : Nederlanderschap op de schop, Kennislink.nl ]

    Meer impact van de leraar op het leren


    Het onderstaande artikel is een samenvatting van de "leerlinggerichte" leraar volgens Hattie.

    Het artikel wil u prikkelen om samen met uw team na te denken over wat een  "leerlinggerichte" leraar is.











    zondag 4 mei 2014

    Marshmallow test



    Je hebt misschien al eens gehoord van de marshmallow test van wetenschapper Walter Mischel, waarmee al bij jonge kinderen kan worden aangetoond of een kind later succesvol wordt of niet.


    De test stamt uit 1972. Hoe ging die test ook alweer? Een 4 jarig kind krijgt een marshmallow aangeboden, maar mag er ook voor kiezen om het snoepgoed niet aan te nemen. Dan krijgt het kind er een kwartier later namelijk twee marshmallows

    Er bleek een correlatie te bestaan tussen de keuze die het kind maakte en het succes op latere leeftijd. Kinderen die slechts aan de korte termijn dachten, waren in hun latere leven minder succesvol dan kinderen die de marshmallow konden weerstaan.



    Daniel Goleman

    De Amerikaanse psycholoog, schrijver en wetenschapsjournalist Daniel Goleman heeft meerdere boeken geschreven. Zijn bekendste boek heeft de titel "Emotionele intelligentie" en verscheen in 1996. Emotionele intelligentie (EQ) is een aanvulling van het traditionele IQ.

    De vijf belangrijkste EQ-eigenschappen zijn:

    • Zelfkennis. Mensen met een hoog EQ hebben het vermogen om de eigen denkwijze, mogelijkheden en onmogelijkheden te kunnen inschatten en daar conclusies uit te trekken.
    • Optimisme. Mensen met een hoog EQ denken positief over hun eigen mogelijkheden en laten zich niet snel uit het veld slaan.
    • Kunnen afzien. Mensen met een hoog EQ kunnen het opbrengen om te werken aan iets wat ze op lange termijn willen.
    • Empathie. Mensen met een hoog EQ kunnen zich goed verplaatsen in de gevoelens van anderen.
    • Sociale vaardigheden. Mensen met een hoog EQ kunnen goed met zowel bekenden als vreemden omgaan.



    Daniel Goleman schreef een groot aantal boeken en heeft meer dan 5 miljoen boeken verkocht.

    In 1977 verscheen: The Varieties of the Meditative Experience. In 1985 verscheen: Vital Lies, Simple Truths: The Psychology of Self Deception. In1996 verscheen: Emotional Intelligence: Why It Can Matter More Than IQ. In 1997 verscheen: Healing Emotions: Conversations with the Dalai Lama on Mindfulness, Emotions, and Health. In 1998 verschenen: Harvard Business Review on What Makes a Leader? en Working with Emotional Intelligence.
    In 2001 verschenen: Primal Leadership: The Hidden Driver of Great Performance en The Emotionally Intelligent Workplace. In 2003 verscheen: Destructive Emotions: A Scientific Dialogue with the Dalai Lama. In 2006 verscheen: Social Intelligence: The New Science of Social Relationships. In 2009 verscheen: Ecological Intelligence: How Knowing the Hidden Impacts of What We Buy Can Change Everything. In 2011 verschenen: The Brain and Emotional Intelligence: New Insights, More Than Sound en Leadership: The Power of Emotional Intelligence – Selected Writings, More Than Sound. 

    In 2013 verscheen: Focus: The Hidden Driver of Excellence.

    Op 25 oktober 2013 heeft Daniel Goleman een presentatie gegeven in The Royal College of Music in Londen. Volgens Daniel Goleman bezit het zelfvoelende brein zelfkennis, zelfbeheersing, geestdrift en het vermogen eigen emoties te herkennen en zichzelf te motiveren. Goleman bespreekt tijdens deze presentatie "The Hidden Driver of Excellence".

    VIDEO - Daniel Goleman on Focus: The Secret to High Performance

    zaterdag 3 mei 2014

    Het model van Bateson en Dilts


    Het model van Bateson en Dilts gaat er van uit dat veranderen tot stand komt door middel van leren. 

    In de onderstaande piramide staan de verschillende niveaus van leren volgens Bateson en Dilts, met daarbij aan de linkerzijde de kernvraag en aan de rechterzijde het reflectiegebied.




    Hoe hoger het niveau van experimenteren en uitdagen, hoe meer je tot de kern komt en hoe sterker de ontwikkeling die je doormaakt.

    In de onderstaande schematische afbeelding staan de verschillende niveaus van leren volgens Bateson en Dilts, met daarbij aan de rechterzijde de gebieden doen, denken en willen.


    Mensen hebben het vaak over het reageren op situaties op verschillende ‘niveaus’. Aan de manier waarop mensen hun verhaal vertellen kun je herkennen op welk niveau iemand een situatie beleeft. Zo kan iemand zeggen dat een ervaring op het ene niveau negatief was, maar positief op een ander niveau.

    Het effect van elk niveau is dat het de informatie van het onderliggende niveau organiseert en richting geeft. Het veranderen van dingen op een hoger niveau zal onvermijdelijk dingen veranderen op lagere niveaus. Het veranderen van iets op een lager niveau kan, maar hoeft niet altijd effect te hebben op de hogere niveaus.
    Onderstaand de niveaus van leren en veranderen; elk niveau abstracter dan het onderliggende niveau, maar met een hogere mate van invloed op het individu.

    Als een persoon vast blijft zitten in een bepaald denkniveau kan een probleem volkomen onoplosbaar lijken. Door middel van vragen kan men het denkniveau van de ander verhogen, zodat er weer perspectief komt.

    Omgeving:
    De nadruk ligt op vertellen van wat er gebeurde, met wie, wanneer, waar.

    Hoe ziet jouw gewenste omgeving eruit, waar ben je, beschrijf of vertel wat over de omgeving, wat gebeurd er? Ben je alleen of zijn er anderen of is er nog iets anders? Wat zie je nog meer? Wat zijn je gevoelens in deze omgeving? Hoe zie je jezelf in deze omgeving? Hoe kijk je naar (eventuele) anderen in deze omgeving? Wat is er nog meer?

    Kernvraag:
    Waar / wanneer?

    Sub-vragen:
    -Waar ben ik / waar leef ik?
    -Met wie trek ik op?
    -Hoe is de context?

    Reflectiegebied:
    De context / grenzen waarbinnen je je begeeft.

    Gedrag:

    De nadruk ligt op wat de persoon zelf heeft gedacht en gedaan en welke invloed de persoon zelf heeft uitgeoefend op de situatie.

    Wat doe je als je je doel heb bereikt? Hoe zie je eruit als je je doel heb bereikt? Wat vind je van je gedrag, hoe voel je je daarbij? Welke dingen zeg je als je je doel hebt bereikt? Hoe is het gedrag van anderen in deze omgeving? Als je vanaf deze plek in deze ruimte je gedrag waarneemt van jezelf en/of anderen wat valt je dan op?

    Kernvraag:
    -Wat doe ik?

    Sub-vragen:
    -Wat doe ik precies?
    -Hoe handel ik?
    -Welke acties onderneem Ik?

    Reflectiegebied:
    De handelingen en acties die je daadwerkelijk verricht.

    Vaardigheden:
    Vaardigheden geven leiding en richting aan de gedragsmatige handelingen door een mentale kaart, een plan of een strategie.

    Welke capaciteiten, kwaliteiten, talenten en vaardigheden heb je als je je doel heb bereikt? Wat kan je dan, welke vaardigheden zet je in? Hoe voel je je daarbij?
      
    Kernvraag:
    -Wat kan ik en hoe?

    Sub-vragen:
    -Welke vaardigheden heb ik?
    -Wat kan ik?
    -Hoe pak ik zaken aan?
    -Welke methoden hanteer ik hierbij?

    Reflectiegebied:
    De richting waarbinnen je de oplossing zoekt. De vaardigheden en de kwaliteiten die je gebruikt.

    Overtuigingen:

    Overtuigingen zijn essentiële oordelen over onszelf, anderen en de wereld om ons heen. Overtuigingen bepalen hoe betekenis wordt gegeven aan gebeurtenissen, en ze zitten in de kern van iemands motivatie. Onze overtuigingen en waarden (identiteit) zorgen voor de bekrachtiging (motivatie en permissie) die bepaalde vermogens en gedragingen ondersteunen of afremmen. “Ik zal nooit succes hebben omdat ik nu eenmaal langzaam leer”, en “Achter elk gedrag zit een positieve intentie”, zijn beide weergaven van overtuigingen. Belemmerende overtuigingen kunnen verhinderen dat bestaande vermogens en vaardigheden worden ingezet.

    Wat geloof je als je je doel hebt bereikt? Wat zijn dan je gedachten en overtuigingen? Wat betekent het doel voor jou? Waarom is het voor jou belangrijk om het doel te halen, is dit echt wat je wilt? Wat zou er gebeuren als je je doel niet zou halen?

    Kernvraag:
    -Waarom?

    Sub-vragen:
    -waarom doe ik wat ik doe?
    -Wat vind ik belangrijk?
    -Wat zijn mijn overtuigingen?

    Reflectiegebied:
    De bewuste keuzes die je maakt over je motivatie. 

    Identiteit:

    Op identiteitsniveau worden waarden en drijfveren benoemd. Het gaat hier om de diepere persoonlijke dimensie van waaruit mensen werken en leven. Uit overtuigingen komen dan ook (ver)oordelingen van anderen voort.

    Op identiteitsniveau exploreert iemand persoonlijke zingevingsvragen. Waarom ben ik hier zo uitgeblust, wat is voor mij de moeite waard, waar bloei ik van op, wat daagt me uit en waar wil ik voor gaan

    Wie ben je  als je je doel heb bereikt? Welke rol vervul je als je je doel heb bereikt? Wat is je zelfbeeld, hoe kijk je naar jezelf en wat voel je daarbij

    Kernvraag:
    -Wie?

    Sub-vragen:
    -Wie ben ik?
    -Welke persoonlijke doelen streef ik na?
    -Welke rol(len) neem ik aan?
    -Wat is mijn levensdoel?

    Reflectiegebied:
    De visie die je hebt over wie je bent.

    Zingeving:

    Op zingevingsniveau worden verbanden met het grotere geheel gelegd. Dit is het wijsheidsniveau. De zin van het bestaan, verantwoordelijkheid voor wereld en komende generaties, diepgevoelde visies zijn hier aan de orde.

    Wat maakt het doel zo belangrijk voor jou, waar doe je het uiteindelijk voor? Wat betekent het doel voor jou?
    Wat motiveert jou om het doel te halen? Wat is de meerwaarde van het doel, wat levert het jou op?
    Wat wordt mogelijk met het behalen van je doel?
    Vervult het doel een belangrijke waarde in je leven?
    Is het doel een onderdeel van een groter geheel?
    Past het doel bij jouw innerlijke opdracht, voelt het helemaal goed om het doel te halen, en voel dan vanuit je hart, maakt het doel je blij, enthousiast, vreugdevol, vredig, energiek of iets anders? Vervult dit doel je passie en wat is je passie?
      
    Kernvraag:
    -Waartoe?

    Sub-vragen:
    -Van waaruit handel ik?
    -Wat motiveert mij?
    -Wat wil ik bereiken in mijn leven?
    -Hoe draag ik daar concreet aan bij?

    Reflectiegebied:
    De missie / betrokkenheid waar je vanuit handelt. Waar je voor staat.