Hersenonderzoek heeft laten zien dat de vaardigheid om eigen gedrag te controleren en flexibel aan te passen aan een veranderende omgeving samenhangt met een graduele toename van activiteit in de frontale cortex.
Verwerking van emoties in de evolutionair oude limbische hersengebieden, vertonen juist een piek in activiteit in de adolescentie.
Dit heeft geleid tot een beter begrip van hoe adolescenten met risico’s omgaan, maar ook met sociaal gevoelige situaties, zoals in relaties met leeftijdgenoten.
woensdag 20 maart 2019
zaterdag 16 maart 2019
Biesta - kwalificatie, socialisatie en subjectificatie
Gert Biesta (hoogleraar en onderwijspedagoog) stelt dat we voor goed onderwijs allereerst de
vraag moeten stellen waartoe het dient.
Gert Biesta spreekt derhalve over drie doeldomeinen waaraan
onderwijs aandacht dient te besteden.
Die zin en richting worden bepaald door drie doeldomeinen:
1 - kwalificatie,
2 - socialisatie en
3 - subjectificatie / subjectivering.
Kwalificatie
|
Onder kwalificatie verstaat Biesta het verwerven van
kennis, vaardigheden en houdingen die mensen in staat stellen iets te doen,
op een bepaalde manier te handelen. Bij kwalificatie gaat het erom dat leerlingen
zich kennis, vaardigheden en competenties
eigen maken die nodig zijn voor het kunnen participeren in de samenleving en
het functioneren in het toekomstige beroepsleven.
|
Voorbeelden van
kwalificatie zijn talrijk in het onderwijs: PTA’s, toetsweken, portfolio’s,
competentieprofielen, rapporten, CITO-toetsen, SO’s, doorstroompercentages,
kerndoelen, eindtermen en nog veel meer.
|
Socialisatie
|
In het domein van de socialisatie worden leerlingen
voorbereid op hun leven als lid van een gemeenschap en maken ze kennis met
tradities, omgangsvormen en praktijken. Die kunnen sociaal-politiek zijn,
maar ook cultureel of professioneel. Leerlingen maken kennis met de normen en
waarden van het grotere geheel, wat een samenleving kan zijn. Betrokkenheid en relatie staat voorop: er wordt niet alleen kennisgenomen van het
grotere geheel, maar er wordt ook een beroep gedaan op de eigen
verantwoordelijkheid van het individu om bewust de keuze te maken om te
participeren. Hij wordt uitgenodigd zich niet alleen aan te passen aan de
gemeenschap, maar deze ook kritisch te bezien en mede vorm te geven.
|
Voorbeelden van socialisatie
in het onderwijs: Het onderwijs heeft als taak jonge mensen te leren
respectvol met verschillen om te gaan en leren wat ons met elkaar verbindt.
Leerlingen worden in het onderwijs (vanaf basis- tot het vervolgonderwijs) omgevormd
tot betrokken burgers. Leerlingen dienen de basiswaarden van de democratische
rechtstaat te kennen. Hieronder vallen onder meer: gelijkwaardigheid van
individuen, vrijheid van geloof, vrijheid van meningsuiting en het recht op
zelfbeschikking.
Wellicht een vraag is of onvoldoende aandacht in het
onderwijs aan socialisatie heeft geleid tot gebrekkig burgerschap?!
|
Subjectificatie
|
De essentie van subjectificatie / subjectivering is
volgens Biesta een persoon vrij, volwassen en verantwoordelijk in de wereld
te laten zijn.
In het domein subjectificatie, staat de vorming van de persoon centraal en de
ontwikkeling van zijn eigen identiteit en uniciteit, zijn autonomie en verantwoordelijkheid en het ontdekken van zijn drijfveren en
passies. De vragen die daarbij de kern vormen, zijn: wie ben ik, wat kan ik
en wie wil ik zijn.
|
Voorbeelden van subjectificatie
in het onderwijs: Scholen in Nederland dienen leerlingen kennis te laten
maken met vrijheid van meningsuiting, democratie, gelijkheid van mannen en
vrouwen, genderdiversiteit en meer.
Waar het bij subjectificatie om gaat is hoe een persoon
is. Hoe gedraag ik mij ten opzichte van anderen, naar dieren, naar de
omgeving en naar de wereld?
Hoe kan een docent er voor zorgen dat een leerling zich
ontwikkelt tot een mens met wenselijke sociale en persoonlijke eigenschappen?
Door een leeromgeving te creëren waarin de leerling de ruimte krijgt om
zichzelf te vormen in samenwerking met medeleerlingen en de docent. Dit kan
een docent doen door ruimte te creëren voor de dialoog. De dialoog met de docent, maar ook met medeleerlingen.
Interactie met anderen is van belang om te ontdekken wie je bent en hoe je
met anderen om wil gaan.
|
donderdag 14 maart 2019
Hoogbegaafdheid volgens het model van Duran - de hart- en hoofd-kenmerken
Hoogbegaafdheid volgens het model van Duran is gebaseerd op twee uitgangspunten:
1 - De persoonskenmerken, oftewel de hart-kenmerken
2 - De cognitieve kenmerken, oftewel de hoofd-kenmerken
Anders dan wat veelal gedacht wordt is hoogbegaafdheid
dus veel meer dan enkel een hoog IQ.
Persoonskenmerken / de hart-kenmerken
Deze specifieke karaktereigenschappen, voortkomend uit de
intensiteiten, worden bij alle hoogbegaafden terug gezien, maar bij iedere
persoon natuurlijk in meer of mindere mate. De Engelse term voor intensiteiten
(overexcitabillities) verwoordt vele malen beter de grote prikkelgevoeligheid
van hoogbegaafden dan hoog-sensitiviteit, de term die hier eerder aan verbonden
werd. Deze laatste term wordt nog steeds meestal in verband gebracht met
hoogbegaafdheid maar is helaas niet toereikend. Een grote prikkelgevoeligheid
betekent dat de hersencellen extra alert kunnen reageren op diverse prikkels
met vijf eigenschappen als gevolg.
Er zijn vijf vormen van overexcitabilities:
psychomotorisch (fysieke energieniveau), sensueel (zintuiglijke waarneming en
beleving), intellectueel (activiteit van de geest), verbeelding
(voorstellingsvermogen) en emotioneel (intensiteit van de emoties, hoog
gevoeligheid).
Vijf vormen van
overexcitabilities
|
||
Psychomotorisch / lichamelijk
|
Fysieke energieniveau vermogen om zeer energiek te zijn
|
De hulp aan deze leerlingen bestaat uit:
-Ruimte geven voor fysieke en verbale activiteiten,
voor, gedurende en na de schooltijd.
-Ze hebben het nodig om te mogen bewegen, dus plan
beweging in voor en na periodes van stilzitten.
-Voor sommige kinderen is het fijn om een sport te
beoefenen, maar niet voor elk kind.
-Vertel ze regelmatig over de positieve aspecten van
hun hoog gevoeligheid.
|
Sensueel
|
Zintuiglijke waarneming en beleving, zintuigelijke
gevoeligheid
|
De hulp aan deze leerlingen bestaat uit:
-Zorg waar mogelijk voor een omgeving met beperkte
storing, die comfortabel en plezierig is en accepteer dat ze dat nodig
hebben.
-Leer ze om zelf keuzes te maken zodat ze
verantwoordelijk worden voor het aanpassen van hun omgeving (binnen redelijke
grenzen).
-Geef ze voldoende tijd om te genieten van hun
zintuigen.
-Schep een omgeving waar genoeglijkheid en genieten is
toegestaan.
-Zorg voor geschikte gelegenheid om ze in het
middelpunt van de belangstelling te plaatsen, door onverwacht aandacht te
geven, of help ze aan een podium door een creatieve of dramatische productie
met publiek. Zij voelen erkenning door het staan in de schijnwerpers
-Vertel ze regelmatig over de positieve aspecten van
hun hoog gevoeligheid.
|
Intellectueel
|
Activiteit van de geest, beeldende krachten, grote
fantasie
|
De hulp aan deze leerlingen bestaat uit:
-Laat zien hoe je antwoorden kunt vinden op vragen. Dit
moedigt het kind aan om te voldoen aan zijn verlangen om te analyseren,
synthetiseren en inzicht te verwerven.
-Suggereer manieren om ethisch en maatschappelijke
bezig te zijn vanuit morele en ethische kwesties. Dit geeft hen gelegenheid
te tonen dat ze iets kunnen doen om te helpen, zelfs al is het op een
beperkte manier, om problemen van de samenleving en de wereld aan te pakken.
-Laat het kind duidelijk merken dat je liefde niet
afhankelijk is van zijn prestaties.
|
Verbeelding
|
Voorstellingsvermogen, behoefte aan informatie
|
De hulp aan deze leerlingen bestaat uit:
-Help hen om hun voorstellingsvermogen op een goede
manier te gebruiken zodat ze hun vermogen tot leren en hun productiviteit
kunnen verhogen. Mindmaps maken in plaats van gewone aantekeningen, gebruik
van kleuren, plaatjes en dergelijke om organisatie aan te brengen in hun
leerwerk.
-Help ze om zich te realiseren dat ze de eigen fantasie
kunnen reguleren. Ze hoeven zich niet mee te laten slepen door hun
verbeeldingskracht als ze kunnen evalueren welke fantasieën voor of tegen
henzelf werken.
-Maak tijd en ruimte vrij voor fantasiespel met het
kind, doe mee en heb plezier.
-Help kinderen om hun ideeën vast te leggen, door het
opschrijven van verhalen van het kind dat nog niet kan schrijven of door het
samen bijhouden van een dagboek.
|
Emotioneel
|
Intensiteit van de emoties, hoog gevoeligheid, bijzonder
sterke emoties, in alle vormen
|
De hulp aan deze leerlingen bestaat uit:
-Accepteer alle gevoelens, ongeacht de intensiteit.
Voor mensen die niet erg emotioneel zijn, klinkt dit nogal vreemd. Zij
beschouwen deze uitingen als melodramatisch, lastig of kinderachtig. Maar als
we de emotionele intensiteit accepteren en hen helpen met de problemen die
daarmee kunnen ontstaan, bevorderen we een juist een gezonde groei.
-Help ze om te anticiperen op fysieke en emotionele
reacties en leer ze ermee om gaan. Soms weten ze niet wanneer ze zo overstuur
raken dat ze hun controle verliezen. Als ze op hun eigen
waarschuwingssignalen leren letten, zoals hoofdpijn, zweethanden of buikpijn,
kunnen ze hun emoties beter in de gaten houden en worden ze er niet door
overvallen.
-Bereid kinderen voor op veranderingen in omgeving en
op wisselingen bij verzorgers of leerkrachten, zodat het de ruimte heeft om
aan die dingen te wennen. Door hun grotere gehechtheid aan verzorgers,
leerkrachten en omgeving kost het moeite om die gehechtheid los te laten en
een nieuwe verbinding aan te gaan.
-Help ze onderscheid aanbrengen tussen emoties van
anderen, die ze meevoelen, en authentieke emoties van zichzelf. Het verdriet
van de ander hoeven ze niet helemaal mee te doorleven, medeleven is
behulpzamer voor de ander en henzelf.
|
De cognitieve kenmerken / hoofd-kenmerken
Naast de hart-kenmerken zien we bij hoogbegaafden ook
altijd een hoge intelligentie (hoog IQ). Het tweede onderdeel wordt echter ook
weer vaak vergeten; het creatief denkvermogen. Dat betekent niet dat je in
staat bent om goed te knutselen, maar dat je vooral sterk bent in creatief
denken. Dus:
- veel vragen bedenken bij een onderwerp
- oplossingen verzinnen op een probleem
- associaties maken
- analyseren van situaties, problemen,
dingen
Hoogbegaafdheid
niet altijd zichtbaar
Daarmee is hoogbegaafdheid veel complexer in diagnostiek
en in begeleiding dan je zou verwachten. Als er een aanleg is voor
hoogbegaafdheid betekent dat nog niet dat die ook naar buiten zichtbaar is.
Er zijn allerlei factoren die van invloed kunnen zijn op
deze aanleg, namelijk:
- interne factoren
- externe factoren
Interne factoren
Deze factoren zitten in de hoogbegaafde zelf en zorgen
ervoor dat de talenten niet tot uiting komen:
Interne factoren
|
Intrinsieke motivatie
|
Dit is als je vanuit jezelf gemotiveerd bent om iets
voor elkaar te krijgen of om iets nieuws te leren.
|
Faalangst (vanuit mindset)
|
Faalangst is de angst om moeilijke dingen aan te gaan.
Dit kan namelijk leiden tot fouten en dit geeft een bijzonder naar gevoel.
Faalangst raakt bij hoogbegaafden direct aan het zelfbeeld.
|
|
Taakgerichtheid/Concentratie
|
Moeite met concentratie werkt belemmerend op diverse
gebieden. Bijvoorbeeld bij het volbrengen van een taak. Deze factor kan
tevens verward worden met sterk associatief zijn.
|
|
Doorzettingsvermogen
|
Het is van belang door te zetten bij uitdagingen, omdat
je anders de taak niet zal volbrengen. Doorzettingsvermogen kost echter ook
veel tijd en moeite, waardoor ene hoogbegaafde vooral bij oninteressante
taken makkelijk afhaakt.
|
|
Stressgevoeligheid
|
Stress is bij iedereen in meer of mindere mate
aanwezig. Je kan het ook juist nodig hebben om te kunnen presteren, in de
vorm van tijdsdruk. Sommige hoogbegaafden zijn echter extreem gevoelig voor
stress waardoor ze erg snel belemmerd worden in hun functioneren. Denk
hierbij aan werken onder tijdsdruk.
|
|
Werk- en leerstrategieën
|
Taken aanpakken en volbrengen gaat het beste en snelste
als je het volgens een handige strategie doet. Strategieën leer je door
moeilijke taken aan te nemen en deze proberen te volbrengen. Het is dus van
belang om échte uitdagingen te krijgen om strategieën aan te kunnen leren.
|
|
Zelfbeeld
|
Een zelfbeeld is een beeld dat je over jezelf hebt
gevormd in de loop van je leven. Het omschrijft hoe je over jezelf denkt,
voelt, of wat je van jezelf verwacht. Net zo kan het gaan over hoe je denkt
dat de wereld en de mensen om je heen jou zien en ervaren.
|
Externe factoren
Externe factoren
|
School
|
Een school die meedenkt, hoogbegaafdheid begrijpt of in
ieder geval zijn uiterste best doet om Passend Onderwijs te bieden. Dat is
alles wat een hoogbegaafde nodig heeft in de vroege ontwikkeling.
|
Ouders
|
De steunende factor van ouders zit in het erkennen van
de hoogbegaafdheid. Noem het beestje bij de naam en zoek samen naar de
krachten in plaats van de belemmeringen.
|
|
Vrienden
|
Peers, oftewel ontwikkelingsgelijken, kunnen een
belangrijke bijdrage leveren aan het zelfbeeld en de sociale omgang van
hoogbegaafden.
|
|
Mate van uitdagingen
|
De hoogbegaafde die uitgedaagd wordt op het meest
passende niveau is in staat om zich zowel op het hoofd-gebied als op het
hart-gebied zo compleet mogelijk te ontwikkelen. Dit mag nooit onderschat
worden!
|
|
Kritische levenservaringen
|
Een echtscheiding, een verhuizing, ziekte van een
naaste, etc.. Al deze ontwikkelingen vormen een hoogbegaafde nog meer dan
anderen. Vooral de grote gevoeligheid in combinatie met de hoge
intelligentiezorgen ervoor dat de kritische levenservaringen een grote rol
kunnen spelen.
|
De rol van de
interne en externe factoren is erg groot. Tijdens diagnostiek, begeleiding en ondersteuning is het belangrijk om te
kijken naar de invloed van de interne en externe factoren, voordat er verdere stappen genomen
kunnen worden.
donderdag 28 februari 2019
Competentie, relatie en autonomie
In de Self-Determination Theory (SDT) leggen Deci & Ryan uit dat er drie belangrijke pijlers zijn om tot intrinsieke motivatie te komen. Deze drie pijlers zijn competentie, relatie en autonomie. Immers ieder mens is gebouwd om zichzelf te ontwikkelen en heeft een natuurlijke behoefte aan relatie, autonomie en competentie.
Competentie
Competentie gaat over het gevoel effectief te zijn in de voortdurende interactie in
de sociale omgeving en het ervaren van de mogelijkheid om de eigen capaciteiten te benutten. Het gaat hier dus niet om aangeleerd gedrag maar een gevoel
van vertrouwen in eigen capaciteit en acties.
Relatie
Relatie betreft het gevoel verbonden te zijn met anderen, van zorgen en verzorgd
worden, van ergens toe behoren. Het gaat ook over een gevoel van veiligheid en
het hebben van een thuisbasis.
Autonomie
Autonomie is de perceptie om het gedrag zelf te mogen bepalen, vanuit eigen
interesses en waarden. Het gaat om het gevoel de handen aan het stuur te hebben, ook al oefenen anderen daar invloed op uit. Autonomie moet dus niet verward worden met onafhankelijkheid.
Competentie
Competentie gaat over het gevoel effectief te zijn in de voortdurende interactie in
de sociale omgeving en het ervaren van de mogelijkheid om de eigen capaciteiten te benutten. Het gaat hier dus niet om aangeleerd gedrag maar een gevoel
van vertrouwen in eigen capaciteit en acties.
Relatie
Relatie betreft het gevoel verbonden te zijn met anderen, van zorgen en verzorgd
worden, van ergens toe behoren. Het gaat ook over een gevoel van veiligheid en
het hebben van een thuisbasis.
Autonomie
Autonomie is de perceptie om het gedrag zelf te mogen bepalen, vanuit eigen
interesses en waarden. Het gaat om het gevoel de handen aan het stuur te hebben, ook al oefenen anderen daar invloed op uit. Autonomie moet dus niet verward worden met onafhankelijkheid.
|
Competentie
Competentie gaat over het gevoel effectief te zijn in
de voortdurende interactie in de sociale omgeving en het ervaren van de
mogelijkheid om de eigen capaciteiten te benutten. Het gaat hier dus niet om
aangeleerd gedrag maar een gevoel van vertrouwen in eigen capaciteit en
acties.
|
Leerlingen willen laten zien wat zij kunnen en zichzelf
als effectief ervaren. Dat vraagt uitdaging. Dat kan alleen als het onderwijs
is afgestemd op de mogelijkheden en (basis) behoeften van de leerling. Niet
opletten, niet meedoen, onderpresteren, niet durven, het zijn vaak tekenen
van afstemmingsproblemen. Een leerkracht die de ontwikkeling van haar
leerlingen serieus neemt, biedt de leerling ruimte om passende leerdoelen
voor zichzelf te formuleren en voor hem haalbare resultaten te boeken. Een
combinatie van hoge (en reële) verwachtingen en beschikbaarheid voor hulp en
ondersteuning, zijn een goede basis voor het ontwikkelen van een gevoel van
competentie.
|
|
Relatie
Relatie betreft het gevoel verbonden te zijn met
anderen, van zorgen en verzorgd worden, van ergens toe behoren. Het gaat ook
over een gevoel van veiligheid en het hebben van een thuisbasis.
|
Leerlingen hebben behoefte aan relatie, zowel met hun
leerkrachten als met andere kinderen. Ze willen het gevoel hebben erbij te
horen, deel uit te maken van een gemeenschap. Hoewel in een gemeenschap
conflicten zijn en men rekening moet houden met elkaar, voelt men zich er in
principe veilig. Kinderen en volwassenen voelen zich gezamenlijk
verantwoordelijk voor een goede sfeer en als het lastig is, kan de leerling
rekenen op de steun van zijn leraar. In scholen hebben volwassenen veel
invloed op de kwaliteit van de relaties. Niet door op de voorgrond te treden,
maar juist door vanaf de zijlijn beschikbaar te zijn. Luisteren, vertrouwen
bieden, optreden als het echt nodig is, uitnodigende omstandigheden creëren,
het goede voorbeeld zijn, uitdagen en ondersteunen zijn belangrijke
pedagogische voorwaarden voor het ontstaan van goede relaties.
|
|
Autonomie
Autonomie is de perceptie om het gedrag zelf te mogen
bepalen, vanuit eigen interesses en waarden. Het gaat om het gevoel de handen
aan het stuur te hebben, ook al oefenen anderen daar invloed op uit.
Autonomie moet dus niet verward worden met nafhankelijkheid.
|
Autonomie verwijst naar het gevoel onafhankelijk te zijn. Leerlingen
willen
het gevoel hebben de dingen zélf te kunnen doen. Zélf kunnen beslissen, zelf
keuzes maken. Dat kan alleen in een omgeving waarin de eigenheid van de
leerling gerespecteerd wordt. Een leerling is er voor zichzelf, niet voor
zijn ouders of voor de school. Kinderen hebben al jong behoefte zich te
onderscheiden, hun eigen keuzes te maken.
Het pedagogische antwoord hierop is het bieden van
veiligheid, ruimte, begeleiding en ondersteuning soms en het waarborgen van
de verbondenheid met de ander. Individuele vrijheid is belangrijk en wordt gestimuleerd,
maar altijd in relatie met de ander en met behoud van diens vrijheid en
jouw verantwoordelijkheid daarvoor. Autonomie verwijst altijd naar relatie.
|
Doeloriëntatie is een goede voorspeller van studiesucces
Uit onderzoek bij kinderen, adolescenten en studenten in traditioneel onderwijs blijkt doeloriëntatie een goede voorspeller van studiesucces (e.g. Van Yperen, Blaga, & Postmes, 2014; Wigfield & Cambria, 2010).
ARTIKEL: Liever jezelf verbeteren dan de ander verslaan
Doeloriëntatie houdt in dat mensen verschillende motieven kunnen hebben om een bepaald doel te bereiken (Dweck, 1986).
Bij het stellen van leerdoelen kan men deze richten op zichzelf (‘mastery’ oriëntatie, gericht op het ontwikkelen van kennis en vaardigheden) of op anderen (‘performance’ oriëntatie, gericht op beter presteren dan anderen), waarbinnen men zich kan richten op het behalen/verkrijgen van succes (approach) dan wel op voorkomen van falen (Elliot & McGregor, 2001).
Daarnaast kan men ook als oriëntatie hebben een doel te bereiken door zo min mogelijk inspanning te hoeven leveren (Harackiewicz, Durik, Barron, Linnenbrink-Garcia, & Tauer, 2008).
ARTIKEL: Liever jezelf verbeteren dan de ander verslaan
Doeloriëntatie houdt in dat mensen verschillende motieven kunnen hebben om een bepaald doel te bereiken (Dweck, 1986).
Bij het stellen van leerdoelen kan men deze richten op zichzelf (‘mastery’ oriëntatie, gericht op het ontwikkelen van kennis en vaardigheden) of op anderen (‘performance’ oriëntatie, gericht op beter presteren dan anderen), waarbinnen men zich kan richten op het behalen/verkrijgen van succes (approach) dan wel op voorkomen van falen (Elliot & McGregor, 2001).
Daarnaast kan men ook als oriëntatie hebben een doel te bereiken door zo min mogelijk inspanning te hoeven leveren (Harackiewicz, Durik, Barron, Linnenbrink-Garcia, & Tauer, 2008).
De structuur van doeloriëntaties
|
Waarde
|
Normatief
(gericht op de ander)
|
Intrapersoonlijk
(gericht op zelf)
|
|
Positief/succes
|
Prestatiestreefdoel (performance-approach)
Doel:
Beter presteren dan anderen
Gedragingen:
-Zelf effectiviteit laag
|
Leerstreefdoel
(mastery-approach)
Doel:
Beheersen van de stof
Gedragingen:
-Zelf effectiviteit hoog
-Veel strategieën bij het
oplossen van een
probleem
|
|
Negatief/falen
|
Prestatievermijddoel
(performance-avoidance)
Doel:
Slechter presteren dan
anderen vermijden
Gedragingen:
-Minder moeite doen bij falen
-Zelf effectiviteit laag
-Falen komt door
gebrek aan vaardigheid
|
Leervermijddoel
(mastery-avoidance)
Doel:
Niet beheersen van de stof vermijden
Gedragingen:
-Faalangst
-Uitstelgedrag
-Zelf effectiviteit hoog
-Lage zelfstandigheid
-Hogere emotionaliteit
|
woensdag 20 februari 2019
Wat moet je doen om een verandering te laten slagen - Icek Ajzen
Icek Ajzen is een wereldberoemde psycholoog en expert op het gebied van veranderingen.
De Theory of Planned Behavior van Icek Ajzen stelt dat bewust menselijk gedrag gestuurd wordt door drie soorten overwegingen:
De Theory of Planned Behavior van Icek Ajzen stelt dat bewust menselijk gedrag gestuurd wordt door drie soorten overwegingen:
1. Waar leidt dit gedrag toe?
'Behavioral Beliefs' zijn de overtuigingen die we hebben
rond de resultaten van specifiek gedrag. Gezamenlijk vormen deze overtuigingen
onze 'Attitude Toward the Behavior'.
2. Wat vinden anderen van dit gedrag?
'Normative Beliefs' zijn onze overtuigingen over de
mening van belangrijke anderen over gedrag. Samen vormen ze de 'Social Norm'.
3. Kan ik dit ook echt?
'Control Beliefs' zijn onze overtuigingen over de vraag
of we in staat zijn om bepaald gedrag ook in de praktijk te brengen.
Ben Tiggelaar vroeg aan de veranderpsycholoog Icek Ajzen wat hij ziet als belangrijkste oorzaak van het mislukken van veranderingen. Naast het zo concreet mogelijk formuleren van de verandering die je wilt zien, is ook het kunnen voordoen (of nadoen) van deze verandering van essentieel belang. Als jij het als leidinggevende niet kunt voordoen, kun je ook niet van het team verwachten dat ze het nadoen.
Icek Ajzen vraagt zich af wat je moet doen om een verandering te laten slagen?
Het antwoord van Icek Ajzen is heel simpel: formuleer heel concreet het gedrag dat je wilt zien. Het werkt pas als je het kunt voordoen.
Icek Ajzen vraagt zich af wat je moet doen om een verandering te laten slagen?
Het antwoord van Icek Ajzen is heel simpel: formuleer heel concreet het gedrag dat je wilt zien. Het werkt pas als je het kunt voordoen.
Maak het gedrag heel
concreet door je de volgende vragen te stellen:
- Wat doe je nu in het echt?
- Kun je dat eens
voordoen?
dinsdag 19 februari 2019
Potentialentfaltung an Schulen - Margret Rasfeld
Schule im Aufbruch ist eine Initiative, die Schulen darin unterstützt, ihre Schule hin zu einer Lernkultur der Potenzialentfaltung zu transformieren.
Margret Rasfeld ist Schulleiterin an der Evangelischen Schule Berlin, Autorin und Mitbegründerin der Initiative «Schule im Aufbruch». Sie plädiert dafür, dass Schulen zu Lernorten der Potenzialentfaltung werden, wo Kinder ihre individuellen Talente und Fähigkeiten erkennen und jeder sein Potenzial entfalten kann.
https://www.schule-im-aufbruch.de/
Margret Rasfeld ist Schulleiterin an der Evangelischen Schule Berlin, Autorin und Mitbegründerin der Initiative «Schule im Aufbruch». Sie plädiert dafür, dass Schulen zu Lernorten der Potenzialentfaltung werden, wo Kinder ihre individuellen Talente und Fähigkeiten erkennen und jeder sein Potenzial entfalten kann.
https://www.schule-im-aufbruch.de/
Abonneren op:
Posts (Atom)

