vrijdag 16 oktober 2020

De drie principes van Human Dynamics

In het boek The Fifth Discipline stelde Peter Senge de vraag: 'Hoe kan een team van toegewijde managers die elk een IQ hebben dat hoger is dan 120, een collectief IQ van 63 hebben?'

Een van de oorzaken is dat elk teamlid essentieel verschilt in de manier van werken en kijk op zaken, iets wat gewoonlijk niet wordt herkend en waaraan niet wordt tegemoetgekomen. Deze verschillen kunnen sentimenten of conflicten veroorzaken waarmee energie wordt verzwolgen ten koste van creativiteit en leren. Maar als de verschillen bekend zijn en begrepen worden, kunnen ze worden benut voor een beter functioneren van het team en leiden tot een proces van teamleren.

Bewustzijn van en inzicht in de verschillende persoonlijkheidsdynamieken zijn essentiële onderdelen voor het goed functioneren van een team. Als teams (dat kunnen ook gezinnen, groepen of gemeenschappen zijn) zich bewust zijn van de verschillen, dan worden de verschillen voordelen in plaats van handicaps en wordt het optreden van het team zeker beter dan de som van haar delen.

 


Human Dynamics

Een van de manieren om de verschillen en dynamieken te duiden en te begrijpen is gebruik te maken van Human Dynamics. Auteur Sandra Seagal en co-auteur David Horne schreven het boek Human Dynamics, samen leven, samen werken. Human Dynamics beschrijft inherente verschillen in het functioneren van mensen als complete systemen. Deze verschillen in het menselijk functioneren zijn fundamenteler dan leeftijd, ras, cultuur of geslacht. Aan de verschillen en de dynamieken ligt veelal een aantal fundamentele verschillen in de manier waarop mensen functioneren ten grondslag.

 

Human Dynamics richt zich op het onderzoeken van de interactie van drie universele principes:

1 - mentaal,

2 - emotionele (of relationele) en

3 - het fysieke (of praktische) principe.

 

Elke persoon heeft alle principes in je. Human Dynamics ziet deze principes als bouwstenen. Iedere mens is volgens Human Dynamics een geheel. Een compleet ‘systeem’. Elke persoon heeft de drie principes in zich, maar ieder mens heeft een andere samenstelling en combinatie.

De mate waarin elk principe aanwezig is en de wijze waarop de principes met elkaar samenwerken, bepaalt hoe u functioneert.

 

Mentaal

 

Mensen hebben het vermogen om:

-afstand nemen,

-de essentie van iets zien en benoemen,

-logisch denken,

-objectief zijn,

-op de lange termijn denken,

-structuur aanbrengen,

-visie ontwikkelen,

-waarden en principes zien.

 

Ben je bijvoorbeeld mentaal gecentreerd, dan bekijk je de wereld van nature op een objectieve manier, vanuit de logica en met een zekere afstand.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het eerste en tweede principe vormen samen je persoonlijkheidsdynamiek.

Emotioneel

 

Mensen hebben het vermogen om:

-associëren,

-buiten kaders denken,

-creatief zijn,

-fantaseren,

-onze intuïtie gebruiken.

-relaties aangaan met mensen en dingen,

-vanuit het ik denken (subjectief zijn),

-verbindingen tot stand brengen.

 

Ben je bijvoorbeeld emotioneel gecentreerd, voel je altijd een persoonlijke relatie met de omgeving en is je benadering meer spontaan en associatief.

 

Fysiek

Mensen hebben het vermogen om:

-samenhang aanbrengen,

-praktisch denken of handelen,

-vanuit de context denken,

-vanuit het groeps- of organisatiebelang denken.

 

Ben je bijvoorbeeld fysiek gecentreerd, dan benader je alles en iedereen, inclusief jezelf, als deel van een samenhangend geheel.

 

 

 

Het derde principe noemt Human Dynamics het ontwikkelprincipe of de balansbrenger

 

woensdag 14 oktober 2020

Twaalf reële les-interventies

Wat zijn effectieve lessen en hoe maak je die? Door bijvoorbeeld de volgende twaalf reële les-interventies te gebruiken:

 

1 - Activeer relevante voorkennis


Activeer relevante voorkennis, fris de essentiële kennis en vaardigheden uit vorige lessen op.

 

Wat je al weet, bepaalt wat en hoe snel je leert. Herhaal op een actieve wijze de voorkennis die de leerling nodig heeft om de nieuwe leerstof te begrijpen. Zo geef je meteen een kapstok om nieuwe leerstof te verbinden aan de eerder geleerde leerstof en richting te geven aan het verdere verloop van je les. Nieuwe informatie onthoud je immers beter wanneer ze kleeft aan voorkennis. Organiseer die nieuwe leerstof ook binnen een abstract, algemeen en omvattend kader.

 

2 - Gestructureerde instructie en kapstokken



Kader de les in een duidelijke structuur en biedt kapstokken. Noem ook het lesdoel.

 

Besteed voldoende tijd aan duidelijke, gestructureerde en uitdagende instructie. Als leerlingen niet begrijpen wat er geleerd moet worden, wordt leren lastig. Afgebakende lesfasen en doelen brengen structuur. Uitdagende doelen en een snel lestempo in een warm leerklimaat motiveren je leerlingen.

 

3 - Gebruik veel voorbeelden.

Gebruik veel voorbeelden.

 

Op het moment dat leerlingen hun eerste stappen zetten in het verwerven van nieuwe kennis of vaardigheden, is het effectief om te werken met voorbeelden. Zo’n voorbeeld kan een uitgeschreven uitwerking van een oefening zijn, de leraar die de nieuwe vaardigheid demonstreert, of concrete voorbeelden bij een abstract begrip. Belangrijk daarbij is om de genomen stappen te verklaren, samen met de achterliggende principes. Stimuleer leerlingen ook om voorbeelden zelf te proberen verklaren en te vergelijken.

 

4 - Combineer woord en beeld

 

Combineer woord en beeld.

 

Leerlingen slaan informatie die zowel via woorden als beelden wordt gepresenteerd, gemakkelijker op dan wanneer alleen maar woorden worden gebruikt. Dit principe is gebaseerd op het feit dat verbale en visuele informatie volgens twee afzonderlijke (maar gelijktijdig werkende) processen in het werkgeheugen verwerkt worden en vervolgens in het langetermijngeheugen geïntegreerd. Dat maakt het leren minder belastend en effectiever.

 

5 - Actief verwerken

Laat leerstof actief verwerken.

 

Productieve strategieën verplichten de leerling om leerstof actief te herkneden. De leerling creëert een nieuw bijproduct, zoals een verklaring, een samenvatting of een schema.

Daardoor onthoudt die meer dan door de leerstof op een meer passieve wijze te ‘consumeren’ door bijvoorbeeld alleen maar te herlezen. Actief verwerken kan individueel maar ook in samenwerking. Belangrijk is om deze strategieën op het juiste moment te gebruiken en om ze ook aan te leren.

 

6 - Check of leerlingen de leerstof begrijpen

Check met vragen of leerlingen de leerstof begrijpen. Zoek werkvormen zodat alle leerlingen actief nadenken.

 

Als je wilt dat je leerlingen leren, is het van groot belang dat leerlingen betrokken blijven.

Leerlingen haken soms af omdat de leerstof bijvoorbeeld te moeilijk is of zij de aangereikte oefeningen te moeilijk of te gemakkelijk vinden. Om dit te voorkomen is het nodig om met grote regelmaat na te gaan of je leerlingen hebben begrepen en onthouden wat je beoogt met je uitleg, opdracht en begeleiding. Dit kan door goede vragen te stellen, opdrachten met voldoende moeilijkheid aan te bieden en activiteiten in te zetten om informatie te verzamelen van de hele klas.

 

7 - Ondersteuning bij moeilijke oefeningen

Geef leerlingen ondersteuning bij moeilijke oefeningen en bouw die geleidelijk af.

 

Leerlingen begeleiden is een belangrijk kenmerk van goed les geven. Wanneer leerlingen opdrachten nog niet zelfstandig aan kunnen, is tijdelijke, individuele en aanpasbare steun van de leraar noodzakelijk. Dat proces wordt ook wel scaffolding genoemd. Naarmate de leerling bekwamer wordt, vermindert de ondersteuning van de leraar.

 

8 - Herhaal regelmatig

Breng leerstof in kleine stappen aan en laat leerlingen oefenen na elke stap. Herhaal regelmatig. Spreid oefenkansen in tijd.

 

Wanneer je met nieuwe leerstof gaat oefenen, werkt het voor het onthouden van de leerstof beter als je de oefeningen spreidt in de tijd over meerdere kortere oefensessies dan als je de leermomenten in één lange oefensessie concentreert.

 

9 - Afwisselen in oefentypes

Wissel af in oefentypes.

 

Tijdens het oefenen is afwisseling vaak aan te raden. Door te variëren in oefeningtypen en leerstofonderdelen kunnen leerlingen leren om verschillende oplossingsstrategieën te gebruiken. Daarnaast doet verandering van spijs ook eten!

 

10 - Toetsen als leer- en oefenstrategie

Gebruik toetsen als leer- en oefenstrategie.

 

We denken vaak na over hoe we leerstof in de hoofden van onze leerlingen kunnen krijgen.

Minstens even belangrijk is om de leerstof ook uit het geheugen te krijgen. Leerlingen laten oefenen om actief informatie op te halen uit hun geheugen versterkt hun geheugen in vergelijking met passievere technieken, zoals herlezen. Leerlingen onthouden daardoor de leerstof beter én langer.

 

 

11 - Feedback



Geef systematisch feedback die leerlingen doet nadenken.

 

Feedback is een van de krachtigste interventies om het leren van leerlingen te bevorderen. Het doel van feedback is om informatie te geven over waar leerlingen staan en ze houvast te geven bij het behalen van de leerdoelen. Het organiseren van effectieve feedback is echter complex. Als de feedback de leerlingen niet aan het denken zet en in actie brengt, is feedback ineffectief. Dan is eerst iets anders nodig.

 

12 - Effectief leren.

Leer je leerlingen hoe ze effectief leren.

 

Als leraar kun je de voorgaande elf bouwstenen gebruiken om je lessen effectiever, efficiënter en aangenamer te maken, maar er zijn ook veel handvatten die leerlingen helpen om zélf hun leren op een efficiënte, effectieve en aangename wijze te organiseren. Leer je leerlingen hoe ze hun eigen leren kunnen plannen, monitoren, evalueren en bijsturen en welke leerstrategieën ze het beste kunnen gebruiken wanneer ze zelfstandig aan het studeren zijn.

 

 

zaterdag 10 oktober 2020

STARRT stappenplan

Reflecteren aan de hand van het STARRT stappenplan. Bij de STARR methode ga je een ‘betekenisvol moment (situatie)’ beschrijven. Je beschrijft een situatie wat voor jou een belangrijk (leer)moment was aan de hand van verschillende vragen. De vragen zijn onderverdeeld in zes categorieën: situatie, taak, actie, reflectie, resultaat en transfer.


Categorie:


Omschrijving:

Vragen:

Situatie

 

Beschrijf de situatie, de betrokkenen en de plek waar dit zich afspeelt.

Hoofdvraag:

Vertel over een situatie waarin je competentie X hebt moeten aanwenden? Een situatie waarin je maken had met ... of waarin je moest ...


Hulpvragen:

• Beschrijf de situatie. Wat is er gebeurd?

• Wie waren de betrokkenen?

• Waar speelde het zich af?

• Waarover ging het precies?

 

Taak

 

Beschrijf wat je taak was en welke rol jij speelde.

 

Hoofdvraag:

Wat was precies je taak of bevoegdheid in deze situatie? Welke was jouw verantwoordelijkheid in het geheel?


Hulpvragen:

• Wat was de taak ?

• Wat was je rol? Wat was je functie?

• Wat moest je doen ?

• Wat werd er van je verwacht?

• Wat was je doel? Wat waren je doelen?

• Wat was je voornemen? Had je een plan?

 

Actie

 

Beschrijf welke actie(s) jij ondernam.

Hoofdvraag:

Kunt je stap voor stap vertellen hoe je deze situatie hebt aangepakt?


Hulpvragen:

• Wat heb je werkelijk gedaan?

• Hoe heb je het aangepakt?

• Welke afwegingen hebben daarin op dat moment een rol gespeeld?

• Wat dacht je? Wat voelde je? Wat zag je voor je?

• Wat was precies jouw aandeel of inbreng?

 

Resultaat

 

Beschrijf het resultaat van je handelen.

Hoofdvraag:

Wat was het uiteindelijke resultaat van je inspanningen? 


Hulpvragen:

• Wat was het gevolg van jouw actie bij jezelf en wat was het gevolg bij andere betrokkenen?

• Wat was het gevolg op de sfeer?

• Wat was de invloed op het proces? Konden jullie nog goed verder werken?

• Wat was de invloed van jouw aandeel (van je actie) op het resultaat dat je wilde bereiken.

 

Reflectie

 

Reflecteer op de situatie.

Hoofdvraag:

Wat wilde ik? Wat dacht ik? Wat voelde ik? Wat deed ik?


Hulpvragen:

• Was het resultaat van je actie dat wat je er mee wilde bereiken?

• Heb je er iets van geleerd ?

• Kun je deze situatie en je handelen daarin koppelen aan een competentie uit het profiel  van de beroepsbeoefenaar uit de opdracht? Als je dat kan, hoe scoorde je dan voor deze competentie?

 

Transfer

 

Beschrijf hoe zou je het geleerde (verder) willen toepassen in de toekomst.

Hoofdvraag:

Wat ga je anders doen?


Hulpvragen:

• Zou deze situatie zich nogmaals kunnen voordoen?

• Zou je dan iets anders willen doen dan je deze keer hebt gedaan? (Wat dan, hoe, waarom?) Of blijf je juist hetzelfde doen? (Wat dan, hoe, waarom?)

• Zijn er situaties denkbaar waarin je wat je gedaan hebt weer zou kunnen toepassen of juist niet weer zou willen doen?

• Wat neem je jezelf voor, voor de volgende keer?

 

 

donderdag 1 oktober 2020

ICT basisvaardigheden

 ICT basisvaardigheden bestaat uit een aantal onderdelen:

  

Basisbegrip ICT

Het kunnen benoemen van functies van computers en computernetwerken;

 

Infrastructuur

Het kunnen benoemen, aansluiten en bedienen van hardware, het kunnen bedienen van verschillende apparaten en programma's en het kunnen opslaan en toegankelijk maken van informatie;

 

Standaardtoepassingen

Het kunnen omgaan met standaard kantoortoepassingen en andere softwareprogramma's voor onder meer internetgebruik, beeldbewerking, samenwerking en betalingsverkeer;

 

Veiligheid en privacy

Op de hoogte zijn van en kunnen omgaan met beveiligings- en privacyaspecten in het kader van persoonlijke en financiële gegevens.

 

 


Iemand beschikt over ICT-(basis)vaardigheden als hij/zij basisbegrippen en functies van computers, computernetwerken, gegevensoverdracht en softwaretoepassingen kan benoemen en daar in verschillende interactievormen mee om kan gaan. Daarbij gaat het om het bedienen van de computer en bijbehorende standaard kantoortoepassingen en softwareprogramma's voor onder meer internetgebruik, beeldbewerking, samenwerking en betalingsverkeer. Daarnaast heeft hij/zij een basisbewustzijn van beveiligings- en privacyaspecten in het kader van persoonlijke en financiële gegevens.

  

ICT basisvaardigheden

De leerling…

 

Basisbegrippen ICT

Kan basisbegrippen en functies van computers en computernetwerken benoemen

Kan onderdelen van een computer en hun functie benoemen

Kan onderdelen en hun functie van een computernetwerk benoemen

 

 

Infrastructuur technologie

Kan apparaten aansluiten, bedienen en onderdelen benoemen

Kan afhankelijkheden in de infrastructuur uitleggen en de relatie tussen onderdelen benoemen

Kan financiële consequenties van het gebruik van technische infrastructuur inschatten

Kan uitleggen waar eigen informatie is opgeslagen is en hoe deze toegankelijk is

Kan verschillende interactievormen gebruiken om apparaten en programma's bedienen

Kan verschillende navigatievormen benutten

Kan openbaar toegankelijke relevante en bruikbare informatie ontsluiten en delen

Kan persoonlijke informatie lokaal en op afstand bewaren, ordenen, ontsluiten en delen

 

 

Standaardtoepassingen

Kan standaard kantoortoepassingen effectief en efficiënt gebruiken

Kan effectief en efficiënt een tekstverwerker gebruiken op basis van vooropgestelde criteria

Kan effectief en efficiënt een spreadsheet en database gebruiken op basis van vooropgestelde criteria om gegevens te ordenen en berekenen

Kan effectief en efficiënt presentatiesoftware gebruiken op basis van vooropgestelde criteria voor weergave

Kan effectief en efficiënt beeldbewerking software voor video's en foto's gebruiken op basis van vooropgestelde criteria

Kan effectief en efficiënt communicatiesoftware waaronder e-mail en video gebruiken op basis van vooropgestelde criteria voor samenwerking

Kan online betalingsverkeer regelen en kan op basis van vuistregels een passende vorm van online betaling kiezen

Kan internettoepassingen zoals browser en e-mail effectief en efficiënt gebruiken

 

 

Veiligheid en privacy

Kan de relatie tussen accounts, privacy en persoonlijke informatie aangeven

Kan eigen beveiligings- en privacyaspecten van internetgebruik voor zichzelf en voor anderen benoemen

Kan op basis van vuistregels eigen veiligheid rondom betalingsverkeer inschatten

Kan beoordelen of informatie logisch, consistent en realistisch is

Kan representatie van gegevens op consistentie beoordelen

  

ICT basisvaardigheden

ICT basisvaardigheden zijn de kennis en vaardigheden die nodig zijn om de werking van computers en netwerken te begrijpen, om te kunnen omgaan met verschillende soorten technologieën en om de bediening, de mogelijkheden en de beperkingen van technologie te begrijpen.

 

In het volgend overzicht hebben we een verdeling gemaakt in vier verschillende levels: 

1 - Gelimiteerd

 

De leerling heeft een begrensde en beperkte kennis en vaardigheden die nodig zijn om de werking van computers en netwerken te begrijpen, om te kunnen omgaan met verschillende soorten technologieën.

 

2 - In ontwikkeling

 

De leerling is in ontwikkeling m.b.t. kennis en vaardigheden die nodig zijn om de werking van computers en netwerken te begrijpen, om te kunnen omgaan met verschillende soorten technologieën.

 

3 – Bekwaam

 

De leerling is bekwaam, capabel en kundig m.b.t. kennis en vaardigheden die nodig zijn om de werking van computers en netwerken te begrijpen, om te kunnen omgaan met verschillende soorten technologieën.

 

4 – Gevorderd

 

In dit geval betreft het een leerling met een hoog niveau van bekwaamheid. De leerling is zeer capabel en kundig m.b.t. kennis en vaardigheden die nodig zijn om de werking van computers en netwerken te begrijpen, om te kunnen omgaan met verschillende soorten technologieën.

 

 

Gelimiteerd

Basisbegrippen ICT

Kan onderdelen van computers en computernetwerken niet allemaal benoemen.

 

Infrastructuur technologie

Kan persoonlijke informatie uitsluitend lokaal bewaren  en het lukt niet om deze informatie te ordenen, - ontsluiten en - delen. Kan openbaar toegankelijke relevante en bruikbare informatie niet ontsluiten en delen.

Standaard toepassingen (deel 1)

Kan MS Word (evt. ander tekstverwerkingsprogramma), MS Excell (evt. ander spreadsheetprogramma) en MS Powerpoint (evt. ander presentatieprogramma) niet effectief en efficiënt gebruiken op basis van vooropgestelde criteria.

 

Standaard toepassingen (deel 2)

Kan beeldbewerkingsoftware, communicatiesoftware, online betalingssoftware en internettoepassingen niet effectief en efficiënt gebruiken op basis van vooropgestelde criteria.

 

Veiligheid en privacy

Is zich niet bewust van beveiligings- en privacy aspecten van internet gebruik voor zichzelf en voor anderen.

 

  

In ontwikkeling

Basisbegrippen ICT

Kan onderdelen van computers en computernetwerken benoemen maar weet niet wat de functies zijn.

 

Infrastructuur technologie

Kan persoonlijke informatie lokaal en op afstand bewaren, maar het lukt niet om deze te ordenen, - ontsluiten en - delen. Kan openbaar toegankelijke relevante en  bruikbare informatie wel ontsluiten maar niet delen.

 

Standaard toepassingen (deel 1)

Kan basishandelingen uitvoeren in MS Word (evt. ander tekstverwerkingsprogramma), MS Excell (evt. ander spreadsheetprogramma) en MS Powerpoint (evt. ander presentatieprogramma) op basis van vooropgestelde criteria.

 

Standaard toepassingen (deel 2)

Kan basishandelingen uitvoeren met beeldbewerkingsoftware, communicatiesoftware, online betalingssoftware en internettoepassingen op basis van vooropgestelde criteria.

 

Veiligheid en privacy

Is zich bewust van eigen beveiligings- en privacy aspecten van internet gebruik voor zichzelf en voor anderen maar neemt daartoe geen beveiligingsmaatregelen.

 

 

Bekwaam

Basisbegrippen ICT

Kan onderdelen van computers en computernetwerken

benoemen en deels uitleggen wat de functies zijn.

 

Infrastructuur technologie

Kan persoonlijke informatie lokaal en op afstand bewaren en ordenen maar het lukt niet om deze te ontsluiten en - delen.

Kan openbaar toegankelijke relevante en bruikbare informatie ontsluiten en delen.

 

Standaard toepassingen (deel 1)

Kan effectief MS Word (evt. ander tekstverwerkingsprogramma), MS Excell (evt. ander spreadsheetprogramma) en MS Powerpoint (evt. ander presentatieprogramma) gebruiken op basis van vooropgestelde criteria.

 

Standaard toepassingen (deel 2)

Kan effectief beeldbewerkingsoftware, communicatiesoftware, online betalingssoftware en internettoepassingen gebruiken op basis van vooropgestelde criteria.

 

Veiligheid en privacy

Kan eigen beveiligings- en privacy aspecten van internet gebruik voor zichzelf en voor anderen benoemen en neemt daartoe soms passende beveiligingsmaatregelen.

 

 

Gevorderd

Basisbegrippen ICT

Kan onderdelen van computers en computernetwerken benoemen en uitleggen wat de functies zijn.

 

Infrastructuur technologie

Kan persoonlijke informatie lokaal en op afstand bewaren, ordenen, ontsluiten en delen. Kan openbaar toegankelijke relevante en bruikbare informatie ontsluiten en delen.

 

Standaard toepassingen (deel 1)

Kan effectief en efficiënt MS Word (evt. ander tekstverwerkingsprogramma), MS Excell (evt. ander spreadsheetprogramma) en MS Powerpoint (evt. ander presentatieprogramma) gebruiken op basis van vooropgestelde criteria.

 

Standaard toepassingen (deel 2)

Kan effectief en efficiënt beeldbewerkingsoftware, communicatiesoftware, online betalingssoftware en internettoepassingen gebruiken op basis van vooropgestelde criteria.

 

Veiligheid en privacy

Kan eigen beveiligings- en privacy aspecten van internet gebruik voor zichzelf en voor anderen benoemen en treft daartoe passende maatregelen.

 

 

[Bron: https://www.slo.nl/vakportalen/vakportaal-digitale-geletterdheid/basisvaardigheden/ ]